Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU6546

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
21-000204-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BP0343, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2911
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:346
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt verdachte vrij van moord en poging tot uitlokking van dubbele moord en veroordeelt verdachte -anders dan de rechtbank Arnhem (LJN: BP0343)- terzake van doodslag en mishandelingen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000204-11

Uitspraak d.d.: 1 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 januari 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-900455-10, 05-721041-10 en 05-900833-10, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 november 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr J.P. Plasman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-900455-10:

primair

hij op of omstreeks 25 april 2010 te [pleegplaats 1], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, in de borst, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 25 april 2010 te [pleegplaats 1], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, in de borst, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 25 april 2010 te [pleegplaats 1], [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte een mes uit zijn broekzak gepakt en/of heeft verdachte dat mes opengeklapt en/of heeft verdachte met dat mes in de hand een stekende beweging in de richting van [slachtoffer 1] gemaakt en/of heeft verdachte dat mes (met de punt) op de borst(streek) van [slachtoffer 1] gezet.

Zaak met parketnummer 05-900833-10:

hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2010 tot en met 2 augustus 2010 te [pleegplaats 1], in elk geval in Nederland, heeft gepoogd om [persoon 1] door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en met dat opzet voornoemde [persoon 1] (meermalen) heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en/of die [persoon 1] daartoe de personalia en/of adresgegevens en/of een signalement van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft verstrekt en/of die [persoon 1] een geldbedrag van 4.000 Euro, in elk geval enig geldbedrag, in het vooruitzicht heeft gesteld;

Zaak met parketnummer 05-721041-10:

hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 september 2009 tot 30 januari 2010 te [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (meermalen) (met kracht) heeft geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren heeft getrokken en/of een (hard) voorwerp in de richting van/tegen het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1], heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot de zaak met parketnummer 05-900455-10

Namens verdachte is vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 05-900455-10 primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) met het mes heeft gestoken.

Het hof is van oordeel dat dit verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Vaststaat dat [slachtoffer 1] door een mes, dat verdachte in zijn hand had, twee verwondingen in haar borst heeft opgelopen. Allereerst moet de vraag worden beantwoord of verdachte met dat mes heeft gestoken of dat [slachtoffer 1] per ongeluk door het mes is verwond.

Verdachte heeft verklaard dat hij het mes, waarvan de punt naar eigen zeggen heel scherp was, uit zijn broekzak heeft gehaald, heeft uitgeklapt en op de borst van [slachtoffer 1] heeft gezet om haar te laten schrikken. [slachtoffer 1], die op dat moment op een hekje zat, is daar volgens verdachte van geschrokken en door de daarmee gepaard gaande beweging van haar is het mes een klein stukje haar huid ingegaan. Doordat [slachtoffer 1] vervolgens naar voren bukte is het mes voor de tweede keer in haar borst gegaan. Verdachte ontkent met het mes te hebben gestoken of stekende bewegingen te hebben gemaakt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op een hekje zat en dat verdachte naast haar tegen een muur stond met zijn hand in zijn broekzak. Na een stilte haalde verdachte opeens het mes uit zijn broekzak en hij heeft haar daarmee twee keer gestoken. Daarna is verdachte weggerend.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij een jongen en een meisje verhit zag discussiëren. Op een bepaald moment zag zij dat de jongen met zijn rechterhand bewegingen naar het meisje maakte en daarna hard wegrende. De getuige had de indruk dat de jongen het meisje had geslagen. Daarna hoorde zij het meisje roepen dat zij bloedde.

Getuige [getuige 2] heeft gezien dat de jongen met zijn hand een steekbeweging naar het meisje maakte en dat het meisje daarna in elkaar is gezakt.

Uit de verklaring van verdachte dat hij het mes tegen de borst van [slachtoffer 1] heeft gezet, die van het koude staal zo is geschrokken dat zij bewegingen naar voren heeft gemaakt en wel zo dat daardoor de verwondingen zijn ontstaan, moet kennelijk worden afgeleid dat hij zijn hand zou hebben stilgehouden. Die stelling valt niet te rijmen met de verklaringen van de getuigen die verdachte bewegingen met zijn hand in de richting van [slachtoffer 1] hebben zien maken. Voorts acht het hof het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer 1] vanuit een schrikreflex bewegingen naar voren heeft gemaakt, omdat het aannemelijker is dat een persoon door een schrikreactie achteruit deinst, weg van het koude voorwerp, in plaats van naar voren buigt of bukt, in de richting van dat voorwerp. De lezing van verdachte is dan ook niet aannemelijk geworden.

Op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer 1] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel bewezen is dat verdachte [slachtoffer 1] tweemaal heeft gestoken.

Opzet op de dood

Door [slachtoffer 1] tweemaal met een scherp mes in de borst te steken, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij haar dodelijk zou verwonden en hij heeft met dat steken die kans ook bewust aanvaard. De verdediging heeft als verweer aangevoerd dat de verwondingen te oppervlakkig waren om die kans te realiseren. Het hof verwerpt dat verweer. Immers, op de plaats van het delict is een aanzienlijke bloedplas aangetroffen, wat duidt op behoorlijk diepe wonden; de omstandigheid dat in de ene wond twee en in de andere drie hechtingen moesten worden aangebracht, bevestigt die constatering. De plaatsen waar gestoken is, liggen dichtbij vitale (lichaams)delen. Het (voorwaardelijk) opzet gericht op de dood van [slachtoffer 1] ligt dan ook besloten in de aard van de gedragingen van verdachte, bestaande uit het tweemaal steken van [slachtoffer 1] op plaatsen die gelet op de algemene ervaring potentieel dodelijk zijn.

Voorbedachten rade

Vervolgens ligt de vraag voor of verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft besloten om [slachtoffer 1] in het lichaam te steken.

Vaststaat dat verdachte vanuit [pleegplaats 3] naar [pleegplaats 1] is gereisd om [slachtoffer 1] op te zoeken in verband met het door haar beëindigen van hun relatie. Voorts staat vast dat verdachte een mes bij zich had, naar eigen zeggen ter zelfbescherming in verband met eerdere bedreigingen door anderen. Nadat hij [slachtoffer 1] bij de woning waar zij op dat moment verbleef had opgewacht, heeft hij haar eerst enige tijd te voet gevolgd voordat hij haar aansprak. Vervolgens heeft hij haar na een korte stilte met het mes gestoken. Hoewel verdachte mogelijk kwade bedoelingen had, omdat hij zich niet kon vinden in de verbreking van de relatie, is niet vast komen te staan dat verdachte het mes bij zich heeft gestoken en naar [pleegplaats 1]] is gereisd met het plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Ook uit de omstandigheden dat verdachte één dag voor het incident twee nieuwe simkaarten heeft gekocht voor de telefoons van zijn toenmalige vriendin, dat hij op de dag van het incident een van die telefoons heeft gebruikt en dat hij de dag erna de simkaarten heeft vernietigd, kan niet worden afgeleid dat verdachte voornemens was om [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat verdachte voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer 1] van het leven te beroven en dat de gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Conclusie

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk gepoogd heeft [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Het hof spreekt verdachte vrij van de in de zaak met parketnummer 05-900455-10 primair tenlastegelegde poging tot moord en komt tot een bewezenverklaring ter zake van de in de zaak met parketnummer 05-900455-10 subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Overwegingen met betrekking tot de zaak met parketnummer 05-900833-10

Namens verdachte is vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 05-900833-10 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat niet vast is komen te staan dat de door [persoon 1] overgelegde briefjes met daarop de personalia van [slachtoffer 1] en haar moeder door verdachte zijn geschreven. Deze briefjes kunnen dan ook niet als steunbewijs voor de door [persoon 1] geuite beschuldiging worden gebruikt. Bij gebrek aan ander wettig bewijs dient verdachte volgens de raadsman dan ook van het in de zaak met parketnummer 05-900833-10 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Het hof heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte [persoon 1] daadwerkelijk heeft willen uitlokken tot moord op [slachtoffer 1] en haar moeder. Hoewel het hof, anders dan de raadsman, de verklaring van [persoon 1], mede gelet op de briefjes, betrouwbaar acht, is die verklaring te weinig concreet – in de zin van waar, wanneer en hoe de moorden hadden moeten worden uitgevoerd – om daarin een poging tot het uitlokken van een moord te lezen. Gelet hierop dient verdachte van het in de zaak met parketnummer 05-900833-10 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Zaak met parketnummer 05-721041-10

De raadsman heeft zich ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 05-721041-10 tenlastegelegde mishandelen gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof is van oordeel dat het in deze zaak tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is zoals hierna weer te geven.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-900455-10 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-721041-10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zaak met parketnummer 05-900455-10:

subsidiair:

hij op of omstreeks 25 april 2010 te [pleegplaats 1], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, in de borst, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak met parketnummer 05-721041-10:

hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 september 2009 tot 30 januari 2010 te [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (meermalen) (met kracht) heeft geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren heeft getrokken en/of een (hard) voorwerp in de richting van/tegen het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1], heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 05-900455-10 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 05-721041-10 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder de navolgende omstandigheden in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin op straat twee keer met een mes in de borst gestoken.

Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer. Dat de lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer relatief beperkt zijn gebleven, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte te danken is. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven ook nog lange tijd psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Uit de aanvullende schriftelijke slachtofferverklaring van 17 oktober 2011 blijkt dat de psychische gevolgen van het handelen van verdachte voor het slachtoffer zeer ingrijpend zijn geweest. Zij leeft sinds de vrijlating van verdachte, ook thans nog, in angst en heeft in verband met haar eigen veiligheid enige tijd ondergedoken gezeten.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft daarnaast ook gevoelens van angst en onveiligheid bij anderen teweeg gebracht. Nietsvermoedende voorbijgangers en omstanders zijn ongewild getuige geweest van het door verdachte gepleegde geweld.

Doodslag – ook een poging daartoe – wordt in het algemeen als één van de meest ernstige delicten van het Wetboek van Strafrecht beschouwd. Het hof is dan ook van oordeel dat het door verdachte gepleegde feit een zeer ernstig feit is, waarvoor op zichzelf al een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd dient te worden.

Het hof heeft voorts bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer tijdens zijn relatie met haar ook al meermalen heeft mishandeld.

Verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Bij gebrek aan gedragskundige rapportage(s) ziet het hof geen aanleiding om verdachte anders dan als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. Ook is aldus niet van redenen gebleken om een deel van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk te laten zijn.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 63, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-900455-10 primair en het in de zaak met parketnummer 05-900833-10 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-900455-10 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-721041-10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-900455-10 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-721041-10 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr R.H. Koning, voorzitter,

mr R. van den Heuvel en mr M.A.F. Cools-Weebers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr C.J. Broersma, griffier,

en op 1 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr M.A.F. Cools-Weebers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.