Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU5814

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
200.090.541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing in AWBZ instelling volgens het indicatiebesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.090.541

(zaaknummer rechtbank 119714 / JE RK 11-480)

beschikking van de familiekamer van 18 oktober 2011

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. B. Bentem te Enschede,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Almelo,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de stichting”,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. T. Hermans te Enschede.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 27 juni 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juli 2011, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van na te noemen [het kind] af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 augustus 2011, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De stichting verzoekt het hof dat hoger beroep, strekkende tot het vernietigen van de bestreden beschikking en het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing af te wijzen, te verwerpen.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 augustus 2011, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 29 juli 2011 twee brieven van mr. Bentem, beide van 27 juli 2011, beide met bijlage;

- op 5 september 2011 een brief van mr. Bentem van dezelfde datum met bijlagen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 6 september 2011 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de stichting zijn verschenen [...], gezinsvoogd, en [...], gezinsvoogd. De moeder is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. ter Brake. Tevens is de partner van de vader, [...], met instemming van de stichting en de moeder toegang tot de mondelinge behandeling verleend. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is met bericht vooraf niemand verschenen.

2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.7 Desgevraagd hebben de stichting en mr. Ter Brake ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van de brief van mr. Bentem van 5 september 2011 met bijlagen, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 2002 geboren [het kind], verder te noemen “[het kind]”. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over [het kind]. Vanaf februari 2005 woont [het kind] bij de vader.

3.2 Bij beschikking van 16 januari 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader zal zijn, inzake het recht van de moeder en [het kind] op omgang met elkaar als regeling getroffen dat de moeder eens per twee weken in het weekend omgang heeft met [het kind] van vrijdagavond na het eten tot zondagmiddag 18.00 uur, daarnaast gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen en de woensdagmiddagen na schooltijd tot 17.00 uur en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.3 Bij vonnis in kort geding van 8 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, voor zover hier van belang, de vader verplicht met ingang van 11 februari 2008 medewerking te verlenen aan hetgeen is bepaald bij de beschikking van 16 januari 2008 met bepaling dat de vader een dwangsom van € 500,- zal verbeuren voor iedere dag dat hij na betekening van dit vonnis in strijd handelt met deze voorziening, zulks tot een maximum van € 25.000,-, en bepaald dat de moeder -in het kader van de omgangregeling- [het kind] vrijdag om 18.00 uur ophaalt bij de vader en dat de vader [het kind] op zondag om 18.00 uur ophaalt bij de moeder en dat op woensdagen de vader [het kind] om 17.00 uur ophaalt bij de moeder en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4 Bij beroepschrift is de vader in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 januari 2008 en heeft hij verzocht die beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat er geen omgang zal plaatsvinden tussen [het kind] en de moeder, kosten rechtens. Daarop heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden en daarbij tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld in die zin dat zij in het principaal beroep verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen en in het voorwaardelijk incidenteel beroep de vader te veroordelen de vastgestelde omgangsregeling na te komen en de vader te bevelen medewerking daaraan te verlenen, op straffe van het feit dat [het kind] zal worden toevertrouwd aan de moeder, kosten rechtens.

3.5 Bij beschikking van 5 augustus 2008 heeft dit hof, beschikkende in het principaal en het voorwaardelijk incidenteel beroep, voor zover hier van belang, partijen verzocht om zich uiterlijk 16 december 2008 uit te laten over de resultaten van BOR en wat daarvan, zo de resultaten daartoe aanleiding geven, in een beschikking dient te worden vastgelegd.

3.6 Bij beschikking van dit hof van 21 april 2009 heeft dit hof, beschikkende in het principaal en het voorwaardelijk incidenteel beroep, partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun respectieve verzoeken in hoger beroep, aangezien de vader en de moeder hun verzoeken hebben ingetrokken.

3.7 Bij beschikking van 2 juli 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo, voor zover hier van belang, op verzoek van de raad [het kind] met ingang van 2 juli 2009 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden met benoeming van de stichting tot gezinsvoogdijinstelling. Bij beschikking van 23 september 2009 heeft dezelfde kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [het kind] met ingang van 2 oktober 2009 onder toezicht gesteld tot 2 juli 2010, met benoeming van de stichting tot gezinsvoogdijinstelling. De termijn van de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij de bestreden beschikking met ingang van 2 juli 2011 voor de duur van een jaar.

3.8 Bij vonnis in kort geding van 3 juli 2009 heeft de voorzieningenrechter voor zover hier van belang, de vorderingen van de vader om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de omgangsregeling tussen de moeder en [het kind] zoals bepaald in de beschikking van 16 januari 2008 met onmiddellijke ingang zal worden opgeschort, in dier voege dat er gedurende de zomervakantie van [het kind] geen omgang plaatsvindt tussen de moeder en [het kind] en tevens te bepalen dat er na de zomervakantie slechts omgang tussen [het kind] en de moeder plaatsvindt als de nieuwe partner van de moeder, de heer [...], daarbij niet aanwezig is en wel zolang het politieonderzoek ter zake niet is afgerond, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter zal bepalen, afgewezen.

3.9 Het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna te noemen “CIZ”) heeft op 6 april 2011 met betrekking tot [het kind] een indicatiebesluit genomen als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna te noemen “AWBZ”).

3.10 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 11 april 2011, heeft de stichting verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:256 lid 2 BW de ondertoezichtstelling van [het kind] te verlengen voor de duur van een jaar en ter effectuering van het indicatiebesluit van het CIZ op grond van artikel 1:261 lid 1 BW een machtiging te verlenen om [het kind] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling of een eventuele kortere periode.

3.11 Bij beschikking van 28 april 2011 heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, machtiging verleend tot plaatsing van [het kind] in een AWBZ-instelling met ingang van 28 april 2011 voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 2 juli 2011, op welke plaatsing het indicatiebesluit betrekking heeft.

3.12 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling van [het kind] verlengd met een jaar, ingaande 2 juli 2011, en voorts de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een AWBZ-instelling met ingang van 2 juli 2011 verlengd voor de duur van zes maanden, zijnde tot 2 januari 2012, indien en voor zover het in de beschikking bedoelde indicatiebesluit daartoe strekt en elke nadere beslissing aangehouden tot de terechtzitting van 7 december 2011.

3.13 [het kind] is op 12 juli 2011 geplaatst op een intensieve behandelgroep van Ambiq te Deventer.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ter mondelinge behandeling heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep toegelicht in die zin dat hij primair verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind], zodat [het kind] weer bij de vader zal wonen. Subsidiair verzoekt hij te bepalen dat [het kind] in een reguliere instelling voor jeugdzorg wordt geplaatst in plaats van een AWBZ-instelling.

4.2 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.3 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is zowel in het belang van de opvoeding en verzorging van [het kind] als in het belang van onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Daartoe overweegt het hof als volgt.

4.4 Uit het aan de eerste ondertoezichtstelling van [het kind] ten grondslag liggende rapport van de raad van 18 september 2009, verder te noemen “het raadsrapport”, blijkt dat [het kind] wordt bedreigd in haar ontwikkeling doordat tussen de vader en de moeder al een aantal jaren een strijd gaande is in verband met vermoedens van de vader van seksueel misbruik van [het kind] door de partner van de moeder. Alle tot nu toe uitgevoerde onderzoeken door politie, artsen, AMK en de raad hebben geen duidelijke aanwijzingen van seksueel misbruik van [het kind] aan het licht gebracht. Daarnaast beschuldigt de vader de partner van de moeder van mishandeling van [het kind] en zou er volgens hem sprake zijn van een borderlinestoornis bij de moeder. Een dergelijke stoornis is echter nooit vastgesteld bij de moeder. Doordat de vader [het kind] blijft onderwerpen aan onderzoeken wordt al jaren extra aandacht aan haar lichamelijke en geestelijke ontwikkeling besteed vanwege dat mogelijke misbruik. Sinds januari 2008 is [het kind] bovendien patiënt bij een kinderpsychiater. Deze kinderpsychiater heeft bij [het kind] geen psychiatrische diagnose in engere zin gesteld, maar heeft wel zorgen over de ontwikkeling van [het kind] in de situatie waarin zij zich bevindt. Door de onderzoeken waaraan zij wordt onderworpen en de bezoeken aan de kinderpsychiater wordt [het kind] in een uitzonderingspositie geplaatst en zou zij het idee kunnen krijgen dat er iets ernstigs aan de hand is met haar. Dergelijke onderzoeken en contacten zijn stigmatiserend en schadelijk voor de ontwikkeling van [het kind], aldus het raadsrapport.

4.5 Sinds de ondertoezichtstelling heeft de stichting getracht om rust te creëren voor [het kind] door de strijd tussen de ouders te laten stoppen en de ouders te laten inzien dat [het kind] centraal dient te staan, aldus de stichting ter mondelinge behandeling. Dit is echter niet gelukt. In september 2010 is bij [het kind] een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen. Uit het (concept) psychologisch onderzoeksverslag dat naar aanleiding daarvan is opgesteld blijkt dat [het kind] zeer zorgelijk gedrag laat zien. Ze ontvlucht de werkelijkheid door zich af te sluiten voor de verstoorde relatie tussen de ouders. Het lijkt er zeer sterk op dat [het kind] zich op moeilijke momenten terugtrekt in haar eigen wereldje om zich om die manier te beschermen. Op de langere termijn kan dit leiden tot zeer grote problemen. [het kind] kan haar emoties niet op een adequate manier uiten. Daarnaast laat [het kind] zorgelijk gedrag zien ten aanzien van haar sociaal-emotionele, cognitieve en gewetensontwikkeling en om daarover meer duidelijkheid te krijgen is nadere observatie en diagnostiek van belang, aldus het (concept) psychologisch onderzoeksverslag. Voorts blijkt uit dat verslag dat bij [het kind] sprake is van een loyaliteitsconflict als gevolg van de strijd tussen de ouders. Om op langere termijn verdere schadelijke gevolgen voor [het kind] te voorkomen, is het voor [het kind] van belang dat ze toestemming van beide ouders voelt om contact te hebben met de andere ouder en het daar naar de zin te hebben. De ouders moeten haar de ruimte geven om ook van de andere ouder te mogen houden en [het kind] moet weer vertrouwen krijgen in haar ouders. Daarnaast is het aan de vader om er voor te zorgen dat [het kind] niet langer wordt belast met de beschuldigingen met betrekking tot het seksueel misbruik.

4.6 De vader heeft ter zitting erkend dat sprake is van een loyaliteitsconflict. De vader blijft echter vasthouden aan zijn vermoedens van seksueel misbruik en blijft de moeder diskwalificeren als opvoeder, aldus de stichting. [het kind] krijgt van de vader onvoldoende toestemming om van de andere ouder te mogen houden waardoor [het kind] wordt verscheurd. De gevolgen van de jarenlange strijd tussen de ouders zijn steeds duidelijker geworden in het gedrag van [het kind], dat zeer zorgelijk is. Zij kan zich onder andere niet uiten, zij doet zichzelf pijn en er is sprake van broekplassen. Wanneer er niets verandert, wordt verwacht dat [het kind] een toenemend depressief beeld zal laten zien.

4.7 Ter mondelinge behandeling heeft de stichting voorts verklaard dat [het kind] veel tijd nodig heeft gehad om te wennen bij Ambiq, waar zij wordt geobserveerd en gediagnosticeerd. Ze liet veel afwezig gedrag zien. De laatste weken gaat het beter met haar. Zij is opener geworden en beweegt zich vrijer binnen de groep.

4.8 Ter mondelinge behandeling heeft de vader zich bereid verklaard om op korte termijn, door middel van mediation, samen met de moeder te zoeken naar een oplossing voor hun onderlinge problematiek. De moeder heeft verklaard daar op langere termijn wellicht toe bereid te zijn.

4.9 Hoewel het hof benadrukt dat het positief is dat de vader en (mogelijk) de moeder bereid zijn te werken aan een oplossing voor hun onderlinge problematiek, maakt dit de beslissing niet anders. Daarbij neemt het hof in aanmerking genoemde zorgen ten aanzien van [het kind] en de omstandigheid dat zij zich in een fase van observatie en diagnostiek bevindt. Gelet op het voorgaande moet het primaire verzoek in hoger beroep van de vader worden afgewezen.

4.10 De vader kan zich niet verenigen met de plaatsing van [het kind] in de huidige instelling, een AWBZ-voorziening, conform het indicatiebesluit. In dat indicatiebesluit is besloten dat [het kind] in aanmerking komt voor AWBZ-zorg, omdat bij haar sprake is van een verstandelijke handicap. De vader verzoekt tot plaatsing van [het kind] in een reguliere instelling voor jeugdzorg omdat, naar de vader stelt, bij [het kind] geen sprake is van een verstandelijke handicap. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:261 lid 2 BW juncto artikel 5 lid 2 Wet op de Jeugdzorg is de rechter gehouden aan de door de stichting in haar indicatiebesluit geïndiceerde zorg, in casu AWBZ-zorg. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de huidige tekst van artikel 1:261 lid 2 BW (Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 82) staat: ‘Het indicatiebesluit bevat een concrete aanduiding van de jeugdzorg waarop de betrokkene is aangewezen. Het indicatiebesluit vormt dan ook de grondslag waarop de kinderrechter een beslissing neemt. Hierbij past ook dat de kinderrechter, indien hij zich niet met het indicatiebesluit kan verenigen, dit uitsluitend kan vernietigen.’ Op grond hiervan kan het verzoek tot plaatsing van [het kind] in een reguliere instelling voor jeugdzorg niet voor toewijzing vatbaar zijn, nu dit niet past binnen de ruimte die het indicatiebesluit biedt, zodat het subsidiaire verzoek in hoger beroep van de vader moet worden afgewezen.

4.11 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, dient te bekrachtigen.

4.12 Het hof zal gelet op de aard van de procedure de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 27 juni 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, P.L.R. Wefers Bettink en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. A.J. Hase als griffier, en is op 18 oktober 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.