Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU5560

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
24-001127-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt wegens een poging tot zware mishandeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling en vernieling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. Overweging met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte. Het hof legt, naast voornoemde gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden op. De vorderingen van de benadeelde partijen worden deels toegewezen en voor het overige worden de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Ten aanzien van het toegewezen deel van de vorderingen wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voorts wijst het hof de vordering tenuitvoerlegging af. De tijd die in deze strafzaak in voorarrest is doorgebracht kan niet van de ten uitvoer te leggen straf worden afgetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001127-09

Uitspraak d.d.: 23 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 april 2009 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 06-802759-06, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in JPC De Sprengen te Zutphen te Zutphen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 9 oktober 2009, 5 november 2009, 29 januari 2010, 2 april 2010, 29 april 2010, 8 oktober 2010, 10 december 2010, 14 december 2010, 4 maart 2011, 18 maart 2011, 1 juni 2011, 13 juli 2011, 9 november 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.N. Slijters, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2008 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, een kopstoot tegen/op het hoofd van die [benadeelde 1] heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 1]), meermalen, althans éénmaal, een kopstoot tegen/op het hoofd van die [benadeelde 1] heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2008 in de gemeente [gemeente] [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes in de richting/voor van die [benadeelde 1] (vast)gehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 05 augustus 2008 te [plaats], opzettelijk mishandelend een persoon (teweten [benadeelde 2]), meermalen, althans éénmaal, met een wasrek op/tegen het gezicht en/of de rug en/of de arm(en), althans op/tegen het lichaam van die [benadeelde 2], heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 05 augustus 2008 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander ofanderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een televisie (merk JVC) en/of een home cinemaset (merk JVC) en/of een koelkast (merk Bosch) en/of een koelvriescombi (merk Bosch) en/of een koffiezetapparaat (merk Profinox) en/of een magnetron (merk Sharp) en/of een waterkoker (merk Tefal) en/of een tosti-ijzer (merk Tefal) en/of een rijstkoker (merk Tefal) en/of een ventilator (merkTroninx) en/of een stofzuiger (merk Henri) en/of een Sony Playstation en/of diverse pannen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [instelling], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 28 juli 2008 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kopstoot tegen het hoofd van die [benadeelde 1] heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 28 juli 2008 in de gemeente [gemeente] [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes in de richting van die [benadeelde 1] (vast)gehouden en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood!".

3.

hij op 05 augustus 2008 te [plaats], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 2]), meermalen met een wasrek tegen de rug en de arm van die [benadeelde 2] heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.

hij op 05 augustus 2008 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een televisie (merk JVC) en een home cinemaset (merk JVC) en een koelkast (merk Bosch) en een koelvriescombi (merk Bosch) en een koffiezetapparaat (merk Profinox) en een magnetron (merk Sharp) en een waterkoker (merk Tefal) en een tosti-ijzer (merk Tefal) en een rijstkoker (merk Tefal) en een ventilator (merkTroninx) en een stofzuiger (merk Henri) en een Sony Playstation en diverse pannen, toebehorende aan [instelling], heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Door B.H. Boer, klinisch psycholoog, en J.H. van Renesse, psychiater, is naar aanleiding van een observatie in het Pieter Baan centrum (hierna PBC) op 14 december 2010 een Pro Justitia rapport uitgebracht omtrent de geestvermogens van verdachte.

Dit rapport houdt onder meer - zakelijk weergegeven - het navolgende in.

Verdachte is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van zwakbegaafdheid. Deze stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Door de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens werden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. De kern van de stoornis is gelegen in zijn uit de persoonlijkheidsstoornis voortvloeiende gebrekkige zelfcontrole en licht ontvlambare agressie, zeker wanneer hij zich door de autoriteiten miskend voelt en op grond van zijn beperkte begaafdheid het overzicht in complexe situaties verliest. In een situatie van externe stressfactoren, zoals het aanvankelijk zijn op handen zijnde verlof en zijn naderende examen, wordt de gevoeligheid van verdachte voor de in zijn ogen onrechtvaardige en krenkende bejegening van autoriteiten verder aangescherpt. Door zijn niet al te grote intelligentie waarbij hij situaties niet makkelijk overziet en wellicht verkeerd begrijpt, komt hij dan relatief makkelijk tot impulsief gedrag. Dit gedrag is niet als zodanig gepland. Verdachte voorziet zichzelf niet tevoren van wapens maar maakt wel gebruik van toevallig voorhanden materiaal, zoals een droogrek, om daarmee een ander te lijf te gaan. Wij achten verdachte op grond hiervan verminderd toerekeningsvatbaar voor de hem ten laste gelegde feiten.

Het hof verenigt zich met de conclusies van de deskundigen en neemt deze over.

Nu niet is gebleken dat verdachte het hem ten laste gelegde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in twee inrichtingen waar hij in het kader van PIJ-maatregel verbleef, schuldig gemaakt aan verschillende geweldsdelicten. In jeugdinrichting [instelling] te [plaats 2] heeft hij [benadeelde 1], een medewerker van voornoemde inrichting, een kopstoot gegeven en hem bedreigd met enig misdrijf tegen het levend gericht. Blijkens zijn schriftelijke slachtofferverklaring heeft [benadeelde 1] tengevolge van de kopstoot tot vier maanden na het incident hoofdpijn gehad. Beide feiten hebben daarnaast geleid tot forse psychische gevolgen voor [benadeelde 1]. Door zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de fysieke en psychische integriteit van [benadeelde 1].

In jeugdinrichting [instelling] te [plaats] heeft verdachte ook een medewerker van de inrichting, te weten [benadeelde 2], mishandeld door hem met een wasrek op zijn rug en arm te slaan. Tevens heeft verdachte een reeks van goederen van het [instelling] vernield. Verdachte verbleef nota bene in [instelling] wegens het incident met [benadeelde 1]. Op deze wijze heeft hij ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor de fysieke integriteit van [benadeelde 2] en de eigendommen van [instelling].

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 juli 2011 meermalen onherroepelijk veroordeeld voor geweldsdelicten (waar onder mishandeling en poging tot zware mishandeling).

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 2 augustus 2005 en van de inhoud van de door H.J. Groenhuijzen, psychiater, en M. Hulst, gezondheidpsycholoog, opgemaakte Pro Justitia rapportages d.d. 3 mei 2006 en 24 april 2006.

In het hiervoor aangehaalde Pro Justitia rapport van psycholoog B.H. Boer en psychiater J.H. van Renesse d.d. 14 december 2010 wordt geconcludeerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten leed aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van zwakbegaafdheid. Op grond hiervan concluderen de deskundigen dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Er bestaat een grote kans op recidive van geweldsgerelateerde delicten. Wel wordt aangetekend dat verdachte zich de laatste twee jaren tijdens het verblijf in volwassenendetentie niet impulsief gewelddadig heeft gedragen. Het voorgaande heeft het hof eveneens bij de strafoplegging betrokken.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de documentatie van verdachte, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.

Het hoger beroep richt zich met name tegen de in eerste aanleg opgelegde maatregel van TBS met bevel tot verpleging. In eerste aanleg heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar zijn geestvermogens. In hoger beroep heeft verdachte alsnog zijn medewerking verleend aan onderzoek en observatie in het PBC.

Psycholoog Boer en psychiater Van Renesse hebben in voornoemd Pro Justitia rapport aanbevelingen gegeven omtrent de meest passende interventie en in welk kader deze interventie het beste zou kunnen plaatsvinden. Samengevat en zakelijk weergegeven adviseren zij om, teneinde het recidiverisico te beperken, aan verdachte de maatregel van TBS op te leggen. De maatschappelijke veiligheid kan voldoende worden gewaarborgd indien aan verdachte TBS met voorwaarden zal worden opgelegd. De laatste twee jaren is gebleken dat verdachte zich in een detentiesituatie redelijk kan gedragen. Niet valt uit te sluiten dat er enige narijping van zijn persoonlijkheid heeft plaatsgevonden. De voorwaarden dienen te behelzen dat verdachte voor een relatief korte periode zal worden opgenomen, waarna hij onder begeleiding van de reclassering ambulant verder kan worden begeleid. Tijdens de klinische behandeling wordt een intensieve behandeling geadviseerd met als onderwerpen zelfcontrole, agressieregulatie, sociale vaardigheden en eventueel scholing. Bovendien kan verdachte worden ondersteund in het opbouwen van een sociaal netwerk. Tevens wordt geadviseerd om hem op basis van informed consent ook (preventief) medicamenteus te blijven behandelen voor zijn impulsieve agressie.

De reclassering heeft op 29 juni 2011 een rapport opgemaakt waarin de mogelijkheden van TBS met voorwaarden worden geschetst. In het rapport d.d. 8 juli 2011 is daarop een aanvulling gegeven. De reclassering adviseert in beide rapporten om aan verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen in combinatie met een behandelverplichting, de verplichting tot opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en andere voorwaarden het gedrag van verdachte betreffende (nader genoemd in het rapport). De reclassering sluit niet uit dat het gedurende langere tijd aannemen van een positieve houding en de positieve effecten die dit oplevert, uiteindelijk bijdragen aan een gunstige verandering in houding en gedrag bij verdachte.

De onder 1 primair bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Gelet op het voorgaande acht het hof de maatregel van terbeschikkingstelling aangewezen.

Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om een bevel tot verpleging te geven. Sinds de onderhavige incidenten heeft verdachte zich niet meer schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Gebleken is dat verdachte thans een manier heeft gevonden om op een andere wijze om te gaan met zijn (soms oplaaiende) emoties en hij weet zichzelf, in ieder geval in een detentiesituatie, in de hand te houden, ook ingeval een voor hem zeer teleurstellende situatie ontstaat. Zo is hij na de schorsing van de voorlopige hechtenis, niet in vrijheid gesteld, maar op basis van de "herleefde" maatregel weer van zijn vrijheid beroofd.

Het hof zal bepalen dat aan de terbeschikkingstelling de voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd in het voornoemd reclasseringsadvies d.d. 29 juni 2011. De voorwaarde dat verdachte pas contact mag opnemen met familieleden en andere voor hem belangrijke personen, na overleg met de begeleidende instanties, is naar het oordeel van het hof een te vergaande voorwaarde. Deze voorwaarde zal dan ook niet worden gesteld. Verdachte heeft verklaard bereid te zijn om de gestelde voorwaarden na te leven. Deze voorwaarden worden gesteld ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 600,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 2.231,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.724,30. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingmaatregel

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat geen schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, omdat verdachte thans bijna geen en in de toekomst ook een lage financiële draagkracht zal hebben. Het ondergaan van hechtenis zal uiteindelijk het gevolg zijn als verdachte de schadevergoeding niet blijkt te kunnen voldoen, hetgeen als onwenselijk moet worden aangemerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Een onderdeel van de Wet ter versterking van de positie van het slachtoffer, in werking getreden op 1 januari 2011, is de voorschotregeling. De benadeelde partij krijgt bij een veroordeling tot een schadevergoedingsmaatregel ter zake van een in de AMvB Voorschot schadevergoedingsmaatregel genoemd gewelds- of zedenmisdrijf, acht maanden na het onherroepelijk worden van het veroordelend arrest door het CJIB uit het Voorschotfonds het (resterende) bedrag van de schadevergoedingsmaatregel uitgekeerd.

De benadeelde partij [benadeelde 2] komt in aanmerking voor een voorschot in de zin van voornoemde regeling, omdat het onder 3 bewezen verklaarde (mishandeling) een misdrijf is dat de AMvB wordt genoemd. Ook [benadeelde 1] heeft schade ondervonden door een dergelijk misdrijf (poging tot zware mishandeling) en komt in aanmerking voor de regeling.

Het hof zal ten aanzien de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De benadeelde partijen dienen niet zelf te worden belast met de inning van hun vordering. Mocht de financiële draagkracht van verdachte op het moment van inning niet afdoende zijn om het bedrag aan de Staat te betalen, dan kan daarover een regeling worden getroffen met het CJIB.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de Politierechter te Zutphen van 25 juni 2007, parketnummer 06-802759-06, opgelegde voorwaardelijke een gevangenisstraf voor de duur van een (1) week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting betoogd dat de tijd die verdachte in de hoofdzaak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, kan worden afgetrokken van de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf. De tijd die verdachte in de hoofdzaak in voorarrest heeft doorgebracht, gaat immers de in eerste aanleg en de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf ruimschoots te boven.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdediging akkoord kan gaan met het door de advocaat-generaal gedane voorstel, mits deze mogelijkheid bestaat. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen. Er bestaat geen noodzaak om aan verdachte wederom een detentiestraf op te leggen, nu het voorarrest in deze zaak al zeer lang heeft geduurd.

Het hof oordeelt als volgt.

De Hoge Raad heeft in een arrest van 3 maart 2009 (LJN: BG5977) bepaald dat ingeval op de voet van artikel 361a Wetboek van Strafvordering bij de uitspraak in de hoofdzaak tevens de tenuitvoerlegging wordt gelast van een voorwaardelijke straf, een bevel tot aftrek op die laatste straf van de in de hoofdzaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis niet mogelijk is, nu de wet daarin niet voorziet.

Nu hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd geen wettelijke grondslag kent, kan het hof daartoe niet overgaan. Hoewel de vordering tenuitvoerlegging zich voor toewijzing leent, acht het hof het zeer wenselijk dat de noodzakelijke behandeling van verdachte in het kader van de TBS met voorwaarden zo spoedig mogelijk een aanvang neemt. Op grond van het voorgaande zal het hof de vordering tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14i, 14j, 24c, 36f, 37a, 38, 38a, 45, 57, 285, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder voorwaarde dat

- De verdachte stelt zich onder toezicht van de reclassering en zal zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen door of namens deze instelling aan hem te geven.

- De verdachte onthoudt zich van het plegen van strafbare feiten.

- De verdachte zal medewerking verlenen aan het verstrekken van een pasfoto en het verstrekken van informatie zoals bedoeld in het kader van het landelijk opgestelde opsporingsbeleid ten aanzien van TBS gestelden.

- De verdachte stelt zich onder behandeling van het Forensisch Psychiatrisch Centrum van Trajectum of een soortgelijke instelling.

- De verdachte is verplicht om zijn medewerking te verlenen aan een vervolgtraject op zijn klinische behandeling, hetgeen mede kan inhouden een ambulante of deeltijd behandeling of verblijf in een instelling voor begeleid (zelfstandig) wonen en het zich houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering opstelt.

- De verdachte verschaft de reclassering inzage in zijn doen en laten en bespreekt het verloop van de behandeling en belangrijke ontwikkelingen in zijn leven.

- De verdachte zal niet van woonplek en/of werkplek veranderen anders dan na overleg en met toestemming van de reclassering.

- Gedurende de klinische behandeling middelengebruik niet is toegestaan, hierop dient te worden gecontroleerd. Gedurende het vervolgtraject kan middelengebruik worden verboden indien het verloop hiertoe aanleiding geeft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] terzake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] terzake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.724,30 (duizend zevenhonderdvierentwintig euro en dertig cent) bestaande uit EUR 224,30 (tweehonderdvierentwintig euro en dertig cent) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van EUR 1.724,30 (duizend zevenhonderdvierentwintig euro en dertig cent) bestaande uit EUR 224,30 (tweehonderdvierentwintig euro en dertig cent) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 25 juni 2007, parketnummer 06-802759-06, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 23 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E. Pennink is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.