Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU4513

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
200.083.086
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering, woninginbraak. Stelplicht en bewijslast verzekerde ten aanzien van toedracht inbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.083.086

(zaaknummer rechtbank 114652)

arrest van de derde civiele kamer van 8 november 2011

inzake

1. [X],

2. [Y],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse,

tegen:

de coöperatie

Univé Stad en Land B.A.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 september 2010 en 19 januari 2011 die de rechtbank Zutphen heeft gewezen tussen appellanten (hierna gezamenlijk ook te noemen: [appellanten] en afzonderlijk [X] en [Y]) als eisers en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Univé) als gedaagde; van het vonnis van 19 januari 2011 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding in hoger beroep van 14 februari 2011,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- de akte van [appellanten],

- de antwoordakte van Univé.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank in het bestreden vonnis van 19 januari 2011 onder 2.1 tot en met 2.7 heeft vastgesteld.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In dit geding vorderen [appellanten] een verklaring voor recht dat Univé – uit hoofde van de bij haar ondergebrachte inboedelverzekering – gehouden is tot vergoeding van de schade die [appellanten] stellen te hebben geleden als gevolg van een inbraak in hun woning op 11 december 2009 tussen 1.00 en 8.00 uur. Voorts vorderen zij veroordeling van Univé tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, en veroordeling van Univé tot verwijdering van hun persoonsgegevens uit het incidentenregister en ieder ander register waarin zij door Univé zijn opgenomen naar aanleiding van deze zaak. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen, kort gezegd omdat [appellanten] – na gemotiveerd verweer van Univé – onvoldoende onderbouwing hebben gegeven aan hun stelling dat de gestelde inbraak daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De grieven die [appellanten] tegen dit oordeel hebben aangevoerd, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 Uitgangspunt bij die behandeling is dat op basis van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellanten] de last rust te bewijzen dat zich een bepaalde gebeurtenis – in dit geval de gestelde inbraak – heeft voorgedaan, die meebrengt dat Univé gehouden is tot het doen van een uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst. Aan de eventuele bewijslevering op dit punt gaat vooraf de vraag of [appellanten] hun stelling dat de woninginbraak heeft plaatsgevonden voldoende hebben onderbouwd, in het licht ook van de gemotiveerde betwisting van die stelling door Univé. Aan [appellanten] kan in dat verband worden toegegeven dat heimelijk door derden gepleegde feiten als in dit geval een woninginbraak, welhaast per definitie omgeven zijn door onduidelijkheden rond de precieze toedracht. Dat brengt enerzijds met zich dat aan de verzekerde die zich op een dergelijke gebeurtenis beroept, geen onmogelijke eisen kunnen worden gesteld waar het gaat om het achterhalen van de exacte toedracht van het gestelde feit. Anderzijds brengt dat echter mee dat aan de wel bekende hulpfeiten die gesteld worden teneinde een bepaalde toedracht aannemelijk te maken, grote betekenis toekomt en dat op verzekerden als [appellanten] de plicht rust ook ten aanzien van die hulpfeiten samenhangende en eenduidige stellingen te betrekken, zeker in een geval als het onderhavige, waarin de verzekeraar diverse omstandigheden heeft benoemd die gerede twijfel over de toedracht oproepen. Verzuimt de verzekerde op die omstandigheden te reageren met voldoende samenhangende en eenduidige stellingen, dan blijft het door de verzekerde gestelde onvoldoende onderbouwd en leidt dat tot de vaststelling dat de door de verzekerde gestelde gebeurtenis zich niet heeft voorgedaan, hetgeen resulteert in afwijzing van de vordering. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit laatste zich in dit geval voordoet.

4.3 In dat verband wijst het hof erop dat de stellingen van [appellanten] op diverse punten tekortschieten of onverklaarde tegenstrijdigheden bevatten.

4.4 In de eerste plaats acht het hof onvoldoende begrijpelijk de verklaring van [appellanten] voor het gegeven dat uit analyse van de drie digitale foto’s van [appellanten] van de beweerdelijk gestolen sieraden, blijkt dat deze foto’s kort na elkaar op de avond voor de gestelde diefstal zijn genomen met de mobiele telefoon die volgens [appellanten] eveneens werd gestolen en die volgens hun opgave ten tijde van de diefstal niet meer werd gebruikt. [appellanten] herhalen in dat verband slechts hun stelling dat deze foto’s zijn genomen in 2008, kort na het aangaan van de verzekering, waar zij in eerste aanleg aan hebben toegevoegd dat de andersluidende digitale gegevens wellicht te maken hebben met meerdere ‘computercrashes’. Een dergelijke summiere reactie, biedt echter geen verklaring voor een – in de digitale informatie van het fotobestand besloten liggende – andersluidende datering, en al helemaal niet voor het gegeven dat die door een ‘crash’ blijkbaar aangepaste datering dan nog wel de – van elkaar verschillende – tijdstippen waarop de foto’s zijn gemaakt in stand heeft gelaten. In hoger beroep hebben [appellanten] gesteld dat ‘wellicht de datum en tijd van het toestel niet correct waren ingesteld en nooit correct ingesteld is geweest’. Ook die verklaring roept – zonder toelichting, die ontbreekt – slechts vragen op, bijvoorbeeld de vraag waarom [appellanten], bij wie de telefoon kennelijk in gebruik is geweest, de datum en tijd van de telefoon nimmer correct hebben ingesteld en waarom zij niet eerder op die onjuiste instellingen hebben gewezen. Voorts merkt het hof op dat [appellanten] niet hebben weersproken dat zij desgevraagd tegen de door Univé ingeschakelde onderzoeker hebben gezegd dat de foto’s zijn genomen met de camera van een vriendin genaamd ‘[Z]’ van wie zij noch de achternaam, noch enig ander gegeven aan de hand waarvan haar identiteit kan worden vastgesteld, hebben opgegeven. Ter comparitie in eerste aanleg hebben zij – in afwijking daarvan – verklaard dat de foto’s toch genomen zijn met hun nadien gestolen Nokiatoestel (door ‘[Z]’).

4.5 Daarnaast heeft [Y] tegenover de onderzoeker verklaard dat de gestolen zaken, waaronder de sieraden, door haarzelf en [X] zijn aangeschaft. Nadien hebben zij echter een verklaring overgelegd (productie 9 bij akte overlegging producties van 16 september 2010) waarin [A] schrijft dat het herenhorloge met briljanten een geschenk van haar aan [X] zou zijn geweest.

4.6 Voorts hebben [appellanten] bij het aangaan van de verzekering opgegeven dat de waarde van hun sieraden in totaal € 750,-- bedroeg. De stelling dat die – veel te lage – opgave is veroorzaakt doordat de zaken van [X] op dat moment nog bij zijn moeder waren, is – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet begrijpelijk, nu [appellanten] niet hebben opgegeven welke sieraden van [Y] (kennelijk met een gezamenlijke waarde van € 750,--) zich op het moment van het aangaan van de overeenkomst wel in hun woning bevonden.

4.7 Ten slotte blijkt uit de schriftelijke verklaringen en de foto’s die Univé in het geding heeft gebracht dat de gestelde inbraak niet goed te rijmen is met de aangetroffen sporen, in die zin dat een mogelijke inbreker zich blijkbaar niet door een deur de toegang tot het pand heeft verschaft, terwijl de schade aan het raam(kozijn) niet duidt op het forceren van het raam van buitenaf. Dat het (schade)beeld wel degelijk duidt op een woninginbraak, hebben [appellanten] wel gesteld, maar tegenover de gemotiveerde betwistingen van Univé onvoldoende onderbouwd.

4.8 Het voorgaande roept rond de gestelde toedracht en de daarover door [appellanten] afgelegde verklaringen zo veel onbeantwoorde vragen op dat de onderbouwing van de door [appellanten] gestelde inbraak tekortschiet, ook als het hof daarbij in aanmerking neemt dat [appellanten] hun tegenstrijdige verklaringen wijten aan de verwarring als gevolg van de inbraak waardoor het volgens hen ‘logisch [is] dat je dan een fout maakt’ (verklaring ter comparitie in eerste aanleg). Waar [appellanten] aldus toegeven eerder onjuiste verklaringen te hebben afgelegd, lag het echter op hun weg thans voldoende specifieke stellingen te formuleren teneinde de door hen gestelde feiten rond de toedracht alsnog van een voldoende eenduidige en samenhangende onderbouwing te voorzien.

4.9 Gezien deze ontoereikende onderbouwing van hun stellingen met specifieke, voor bewijs vatbare feiten, is er ook geen grond [appellanten] toe te laten tot het leveren van het door hen aangeboden bewijs.

4.10 Gelet op het voorgaande, en het gegeven dat de verzekering van [appellanten] naar aanleiding van dit voorval is beëindigd, was Univé gerechtigd in haar incidentenregister op te nemen dat de verzekering is opgezegd. Ditzelfde feit heeft Univé gemeld aan het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude. Uit de stellingen van [appellanten] is niet af te leiden dat er omstandigheden zijn die ertoe nopen de vermelding van deze opzegging uit enig register te (doen) verwijderen.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 19 januari 2011;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Univé begroot op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,-- voor griffierecht;

Dit arrest is gewezen door mrs. V. van den Brink, P.H. van Ginkel en B.J. Lenselink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 november 2011.