Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU4277

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
200.069.756-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof gaat in op de vraag welk deel van de ontbindingsvergoeding mag worden aangewend voor een aanvullen pensioenvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 8 november 2011

Zaaknummer 200.069.756

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

tevens optredende als gemachtigde van

[naam],

eveneens wonende te [woonplaats],

hierna tevens te noemen: de jong-meerderjarige,

advocaat mr. J.E.C. Verhoeff,

kantoorhoudende te 's -Gravenhage,

tegen

[verweerder],

wonende te Dwingeloo,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.L.E.M. Poll,

kantoorhoudende te Hilversum.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 8 april 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 25 januari 2007 van deze rechtbank deels, voor zover het betreft de periode vanaf 2 april 2010, toegewezen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind], geboren [in 1993] en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van die datum, 2 april 2010, bepaald op nihil. De rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 oktober 2008 tot 2 april 2010.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 7 juli 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 8 april 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de man een bedrag van € 472,22 per maand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [kind] en een bedrag van € 1.260,32 per maand ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 28 juli 2010, heeft de man het verzoek bestreden.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 8 april 2010 te vernietigen en opnieuw beslis¬sende de ingangsdatum van de nihilstelling van beide bijdragen te stellen op een eerdere datum dan 2 april 2010 althans op deze eerdere datum de bijdragen op een lager bedrag te stellen dan € 472,22 per maand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [kind] en € 1.260,32 per maand ten behoeve van het levens¬onderhoud van de vrouw.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 september 2010, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen, kosten rechtens.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder een brief van 3 augustus 2010 van mr. Poll met bijlagen en een brief van 24 augustus 2010 van mr. Poll met als bijlage een acte van rectificatie betreffende het destijds geldende huwelijks¬goederenregime. De man heeft voorts, op het daartoe strekkende verzoek van het hof, bij brief van 27 januari 2011 aan het hof opnieuw een exemplaar toegezonden van het inleidend verzoekschrift, thans geschoond van opmerkingen en reacties. Het hof heeft ook hiervan kennisgenomen.

Aan de minderjarige [kind] is een formulier toegezonden waarop zij heeft kun¬nen aangeven of en zo ja, op welke wijze zij haar mening omtrent de hoogte van voor hem te betalen alimentatie aan het hof kenbaar zou willen maken. Dit formulier is op 23 december 2010 retour gekomen. [kind] heeft daarbij van de gelegenheid gebruik maakt om haar mening schriftelijk kenbaar te maken.

Ter zitting van 1 februari 2011 is de zaak behandeld. Partijen zijn verschenen en werden bijgestaan door de respectieve advocaten.

De beoordeling

1. [kind] is geboren uit het huwelijk van partijen. Dit huwelijk is op 2 december 2002 ontbonden, omdat op die dag de echtscheidingsbeschikking van 28 augustus 2002 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2. Bij deze echtscheidingsbeschikking is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] bepaald op € 408,40 per maand en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op € 1.090,- per maand. Daarbij is bepaald dat deze bijdragen niet zullen worden verhoogd met de wettelijke indexeringspercentages.

3. Een eerder verzoek van de man om deze bijdragen te wijzigen (verlagen) is bij beschikking van 25 januari 2007 door de rechtbank afgewezen.

4. Met betrekking tot de onderhavige procedure geldt dat de man op 2 maart 2009 een verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank met het verzoek -naar het hof begrijpt, in zoverre onder wijziging van de echtschei¬dings¬beschikking van 28 augustus 2002- om de onderhoudsbijdragen die hij ten behoeve van [kind] en de vrouw moet betalen met ingang van 1 oktober 2008 op nihil te stellen.

5. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank, onder wijziging van de beschikking van 25 januari 2007, de onderhoudsbijdragen met ingang van 2 april 2010 op nihil gesteld en het verzoek tot nihilstelling over de daarvoor liggende periode afgewezen.

6. Zowel de vrouw als de man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van de vrouw richt zich, kort gezegd, tegen de nihilstelling van de alimentatie per 2 april 2010 en het hoger beroep van de man richt zich, kort gezegd, tegen de in zijn ogen te late ingangsdatum van deze nihilstelling.

De positie van [kind]

7. [kind] is tijdens de procedure bij het hof op 11 februari 2011 18 jaar en daar¬mee jong-meerderjarig geworden. Vanaf dat moment dient ook zij zelfstan¬dig aan¬spraak te maken op -thans- een bijdrage in de kosten van levens¬onderhoud en studie en dient zij ook zelfstandig in de procedure te worden betrokken.

8. Het hof heeft de destijds nog minderjarige [kind] op grond van artikel 809 lid 1 Rv in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken omtrent de bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding. Zoals hiervoor onder de weergave van het procesverloop in hoger beroep vermeld, heeft het hof daarop op 23 decem¬ber 2010 een brief van [kind] ontvangen. Uit deze brief blijkt dat zij het niet eens is met het feit dat haar vader vanaf 1 april 2010 niets meer voor haar hoeft te betalen. Zij acht een bijdrage van de zijde van haar vader in de kosten van studie en levens¬onderhoud aangewezen.

9. Het hof begrijpt deze brief als een -zij het impliciete- machtiging van [kind] aan haar moeder om voor en namens haar op te treden in de procedure in hoger beroep wanneer zij tijdens de procedure in hoger beroep jong-meerderjarig mocht worden. Ter zitting zijn partijen kennelijk ook van een dergelijke -impliciete- machtiging uitgegaan nu geen van hen deze kwestie en de eventuele (formele) gevolgen daarvan, aan de orde heeft gesteld.

10. Het hof zal dan ook voor wat betreft de periode tot 11 februari 2011 een beslis¬sing geven omtrent de door de man aan de vrouw te betalen onderhouds¬bijdrage ten behoeve van [kind] en met ingang van 11 februari 2011 een beslissing geven omtrent de door de man aan [kind] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.

De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep

11. De man klaagt in zijn eerste grief in het door hem ingestelde incidenteel appel over het oordeel van de rechtbank -opgenomen als het laatste vaststaande feit voor de beoordeling- betreffende de indexering van de onderhoudsbijdragen van de man ten behoeve van de vrouw en [kind], zoals deze voortvloeien uit de beschikking 28 augus¬tus 2002.

12. De man heeft er in zijn grief terecht op gewezen dat in deze laatste beschikking is bepaald dat de aan de man opgelegde bijdragen niet zullen worden verhoogd met het wettelijk indexeringspercentage. Dat betekent dat de man de vastgelegde bijdra¬gen van € 408,40 per maand ten behoeve van [kind] en € 1.090,- per maand ten behoeve van de vrouw verschuldigd is, en wel tot de datum van de (eventuele) wijziging van deze bedragen.

13. De rechtbank is bij haar vaststelling van de vaststaande feiten dan ook ten onrechte uitgegaan van indexering van de destijds vastgeleg¬de bedragen als de bedragen waarvan wijziging wordt verzocht. In zoverre slaagt de grief van de man. De grief raakt het dictum van de beschikking waarvan beroep echter niet en kan om die reden niet leiden tot een vernietiging van die beschikking.

14. Wel constateert het hof dat de vrouw haar verzoek in hoger beroep op deze indexering heeft aangepast. Zij verzoekt immers, naar het hof begrijpt onder wijziging van de beschikking van 28 augustus 2002, thans een hogere bijdrage vast te stellen, namelijk een bedrag van € 472,22 per maand ten behoeve van [kind] en een bedrag van € 1.260,32 per maand ten behoeve van de vrouw. Deze bedragen komen overeen met de bijdragen van destijds met indexatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:402a BW.

15. Nu de man, zoals hiervoor overwogen, op basis van de beschikking van 28 augus¬tus 2002 de destijds vastgestelde bedragen van € 408,40 per maand ten behoeve van [kind] en € 1.090,- per maand ten behoeve van de vrouw verschuldigd is, komt het huidige verzoek van vrouw neer op verhoging van deze destijds vastgestelde onderhouds¬bijdragen. Een dergelijke wijziging is, daar waar de man verlaging van de destijds vastgestelde onderhoudsbijdragen heeft verzocht, een zelfstandig verzoek.

16. Artikel 362 Rv verklaart in hoger beroep een aantal artikelen betreffende de behandeling in eerste aanleg van overeenkomstige toepassing. De wetgever heeft in dat artikel echter uitdrukkelijk bepaald dat - anders dan in eerste aanleg- in hoger beroep geen zelfstandig verzoek kan worden gedaan. Mitsdien kan de vrouw niet worden ontvangen in haar verzoek tot verhoging als hiervoor vermeld.

17. Het hof merkt hierbij volledigheidshalve op dat het antwoord op de vraag of de man al dan niet voldoende draagkracht heeft om de (geïndexeerde) onderhouds¬bijdragen te voldoen -anders dan de vrouw kennelijk ingang wil doen vinden- niet relevant is voor de vraag of de indexering al dan niet van toepassing is en evenmin voor de vraag of zij op dit moment in de procedure nog een daartoe strekkend verzoek kan doen.

18. Gezien het door ieder van partijen ingestelde hoger beroep en de daarbij opgeworpen grieven dient het hof uitsluitend het inleidend verzoek van de man, kort gezegd, strekkende tot nihilstelling dan wel verlaging van de kinder- en partneralimentatie met ingang van 1 oktober 2008 in hoger beroep, opnieuw te beoordelen.

De ontvankelijkheid van de man in zijn inleidend verzoek

19. In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich na de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan.

20. Het hof stelt in deze voorop dat de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht de echtscheidings¬beschikking van 28 augustus 2002 is, en niet de beschikking van 25 januari 2007 zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Het hof zal het verzoek van de man tot wijziging als zodanig verstaan. Bij het huidige verzoek tot wijziging van de beschikking van 28 augustus 2002 moet wel in aanmerking worden genomen dat bij beschikking van 25 januari 2007 is komen vast te staan dat het ontslag van de man per 1 april 2006, mede als gevolg van de daarbij ontvangen ontbin¬dingsvergoeding, niet als wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW kan worden aangemerkt.

21. De man heeft aan zijn huidige verzoek tot wijziging ten grondslag gelegd dat hij, naar aanleiding van de eerdere afwijzende beslissing van de rechtbank van 25 januari 2007, heeft laten berekenen welk deel van de destijds in 2006 ontvangen ontbindingsvergoeding was bedoeld voor pensioen en welk deel hem ter beschikking heeft gestaan voor de aankoop van een direct ingaande lijfrente uitkering, bedoeld als aanvulling op zijn ww-uitkering. Dit heeft geleid tot veranderingen in zijn inkomenspositie ten opzichte van de situatie die destijds bij de beschikking van 28 augustus 2002 tot uitgangs¬punt is genomen.

22. Gezien de gestelde wijzigingen is de man -anders dan de vrouw betoogt- door de rechtbank terecht en op goede gronden ontvangen in zijn inleidend verzoek. Indien een verzoeker namelijk in rechte aanvoert dat zich sedert de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging in omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW heeft voor¬gedaan die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt, is de verzoeker met het stellen van die wijziging ontvankelijk in zijn verzoek.

23. De constatering dat er een wijziging is gesteld, dient te worden gevolgd door de beoordeling van de vraag of de gestelde wijziging zich ook feitelijk heeft voor¬gedaan, of deze een inhoudelijke herbeoordeling van de draagkracht (en de behoefte) rechtvaardigt en of deze herbeoordeling ook leidt tot het door de verzoeker gewenste resultaat, te weten de verlaging van de onderhoudsbijdrage. Indien en voor zover het hof een van deze vragen hierna negatief mocht beant¬woorden, dient evenwel afwijzing van het verzoek te volgen en niet (alsnog) een niet-ontvankelijkheid zoals de vrouw kennelijk voorstaat.

De ingangsdatum

24. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402 lid 1 BW is de rechter voor wat betreft de vaststelling van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatie in beginsel vrij. In zaken waarin wijziging wordt verzocht van een vastgestelde alimentatie¬bijdra¬ge is het echter gebruikelijk dat deze wijziging eerst ingaat op de datum waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend. Vanaf die datum kan de onderhoudsgerechtigde immers redelijkerwijs rekening houden met een mogelijk wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdragen.

25. In de onderhavige zaak is het inleidend verzoek ingediend op 2 maart 2009.

26. De man heeft zijn inleidend verzoek echter gebaseerd op een wijziging van omstandig¬heden die zich, naar de man stelt, heeft voorgedaan in de maand oktober 2008 en pleit om die reden voor 1 oktober 2008 als ingangsdatum voor de herbeoordeling van zijn draagkracht. In de loop van de procedure in eerste aanleg heeft de man ook het wegvallen van zijn ww-uitkering per 1 april 2010 en het terugvallen op een uitkering op bijstands¬niveau als wijziging aangedragen.

27. Het hof acht onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig om, in afwijking van voor¬omschreven uitgangspunt, de ingangsdatum van de eventueel (gewijzigde) betalingsverplichting te bepalen op een eerdere datum dan datum indie¬ning, 2 maart 2009. De omstandigheid dat de eerste gestelde wijziging zich eerder heeft voorgedaan -per oktober 2008- maakt dit niet anders aangezien deze wijziging en de gestelde financiële gevolgen daarvan in de (risico)sfeer van de man ligt en de vrouw hiervan eerst door het inleidend verzoek op de hoogte is gesteld.

28. Het hof zal daarom uitgaan van 2 maart 2009 als eerst mogelijke ingangsdatum van de wijziging van de destijds vastgestelde onderhoudsbijdragen voor de vrouw en [kind].

De geschilpunten

29. De kern van het geschil in hoger beroep betreft de vraag van welk inkomen van de man moet worden uitgegaan bij de berekening van zijn draagkracht, een en ander in het licht van de door hem gestelde -en door de vrouw betwiste- wijziging(en) van omstandigheden op dat punt. In het kader van de draagkracht van de man zijn verder nog een aantal andere lasten aan de orde gekomen.

30. Tot slot heeft de man ook in hoger beroep de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de zijde van de man alsmede de behoefte van [kind], aan de orde gesteld.

Het inkomen

31. Bij beschikking van 23 december 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereen¬komst tussen de man en zijn toenmalige werkgever ontbonden per 1 april 2006 onder toekenning van een vergoeding aan de man ten laste van de werkgever. Deze vergoeding wordt niet afzonderlijk genoemd in de ontbindingsbeschikking. Tussen partijen is echter niet in geschil dat deze bruto vergoeding € 155.870,- heeft bedra¬gen en bedoeld was ter compensatie c.q. aanvulling van een uitkering dan wel een elders te verdienen lager salaris en de daardoor mis te lopen (verdere) pensioenopbouw.

32. Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft de rechtbank een eerder verzoek van de man tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie in verband met zijn ontslag en het wegvallen van zijn inkomen uit arbeid dientengevolge, afgewezen. De recht¬bank heeft daarbij overwogen dat de ontbindingsvergoeding als inkomens¬bestand¬deel dient te worden aangemerkt en dat de keuze van de man om deze vergoeding aan te wenden voor een lijfrentevoorziening zoals hij heeft gedaan, niet ten koste mag gaan van zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw en [kind].

33. De man heeft in de onderhavige procedure gesteld dat hij naar aanleiding van deze beschikking zijn oude lijfrenteverzekering alsnog heeft gesplitst, in die zin dat aan de eerdere polis een bedrag van € 82.241,- is onttrok¬ken en is gebruikt voor de aankoop van een direct ingaande lijfrente onder polisnummer 11-3966792 als aanvulling op de ww-uitkering die hij per 2 april 2006 ontvangt. Hij heeft aangegeven dat hij uit deze verzekering een jaarlijkse rente ontvangt van € 5.975,- ingaande op 7 december 2008 tot het moment van zijn overlijden.

34. Tussen partijen is in deze procedure in geschil of en zo ja in hoeverre de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht een nieuwe dienstbetrekking met een eenzelfde beloning als zijn oude baan te vinden dan wel in staat is om de tot 1 april 2010 ontvangen ww-uitkering, respectievelijk de vanaf die datum ont¬vangen IOAW-uitkering, te houden op zijn eerdere inkomensniveau door deze uitkering(en) aan te vullen uit zijn vermogen in het bijzonder uit de door hem ontvangen ontbindings¬vergoeding, dan wel zijn aandeel uit de boedel.

* de mogelijkheden van de man om een nieuwe dienstbetrekking te vinden

35. Anders dan de vrouw acht het hof aannemelijk dat de man, ondanks adequate inspanningen daartoe, er tot op heden niet in is geslaagd om een nieuwe dienst¬betrek¬king te vinden en dat er geen reden is om uit te gaan van een (fictieve) verdiencapaciteit die de man had behoren te verzilveren.

36. In het licht van de verdere feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, heeft het hof geen doorslag-gevende betekenis toegekend aan het ontbreken van sollicitatie¬brieven in het dossier. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat de man in de periode vanaf 1 april 2006 tot 1 april 2010 onafgebroken een volledige WW-uitkering heeft ontvangen en dat hij vanaf 1 april 2010 een volledige IOAW-uitkering ontvangt. Aan beide uitkeringen is de verplichting verbonden om zich in te spannen een nieuwe baan te vinden -onder andere door het verrichten van voldoende sollicitaties en door mee te werken aan opleiding en (om)scholing en zonodig aan het opstellen van een re-integratieplan- en om passende arbeid te aanvaarden. Beide uitkerende instanties, het UWV Werkbedrijf respectievelijk de Gemeente Hoogeveen, controleren hierop en aannemelijk is dat deze instanties geen althans geen volledige uitkering zouden hebben toegekend indien de man niet zou hebben voldaan aan de op hem rustende (sollici¬tatie)verplichtingen. In het kader van zijn verplichtingen heeft de man verder een inschrijfbewijs UWV Hooge¬veen van 12 november 2009, geldig tot 27 januari 2010, in het geding gebracht alsmede een brief van het UWV Werkbedrijf van 23 november 2010 over de afspraken die zijn gemaakt voor een traject voor oudere werkzoekenden met begeleiding van een re-integratiebureau en de eerste pagina van het in dat kader opgestelde re-integratieplan.

37. Gelet op het vorenstaande en mede gelet op de inmiddels langere duur van werkloosheid en de voortschrijdende leeftijd van de man die ruim zeventien jaar werkzaam is geweest bij zijn voormalige werkgever, is het hof van oordeel dat de man niet in staat is geweest om op enig moment vanaf 1 april 2006 zijn oude inkomen opnieuw te verdienen en dat dit redelijkerwijs ook niet van hem gevergd kon worden. Mede bezien in het licht van de algemene ervaringsregel dat langdurig werklozen en oudere werknemers minder aantrekkelijk zijn voor werkgevers, is het hof van oordeel dat deze situatie nog immer aan de orde is.

* het vermogen: de ontbindingsvergoeding

38. De man heeft bij gelegenheid van de ontbinding van de arbeidsovereen¬komst tussen de man en zijn toenmalige werkgever een ontbindingsvergoeding ontvangen van bruto € 155.870,-. Een dergelijke aan een onderhoudsplichtige toegekende ontbindingsvergoeding dient in beginsel als suppletie van lagere inkomsten die een werknemer na de ontbinding van de arbeids¬overeenkomst zal ver¬krijgen uit hoofde van een ww-uitkering dan wel uit hoofde van een nieuwe dienstbetrekking.

39. Gelet op het debat tussen partijen in hoger beroep zijn partijen het er over eens dat de man een deel van deze ontvangen ontbindingsvergoeding heeft mogen reserveren voor pensioenopbouw. Tussen partijen is echter in geschil of de man ook daad¬werkelijk in 2006 door middel van een lijfrenteverzekering een pensioenvoorziening heeft getroffen en of de man in 2008 ook daadwerkelijk deze lijfrenteverzekering heeft gesplitst door een deel daarvan als pensioenvoorziening te handhaven en een deel daarvan voor direct inkomenssuppletie beschikbaar te krijgen.

40. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de man zijn ontbindingsvergoeding destijds in 2006 volledig heeft aangewend voor de aankoop van een lijfrente kapitaalverzekering. Bij het verweerschrift in eerste aanleg heeft de vrouw (bij productie 2) onder meer een brief van 16 april 2008 aan de deurwaarder over¬gelegd met als bijlage een polis lijfrente¬ver¬zekering, polisnummer 11-3499258, op naam van de man bij de Amersfoortse Levensverzekeringsmaatschappij (hierna: de Amersfoortse) waarbij een lijfrentekapitaal is verzekerd van € 179.837,-, uit te keren bij in leven zijn van de man op 1 april 2011, de lijfrente-ingangsdatum. Uit deze polis kan worden afgeleid dat de overeenkomst is aangegaan per 1 april 2006 en dat de man daarvoor een koopsom van € 155.870,- verschuldigd is geweest. De datum van aangaan van de overeen¬komst komt overeen met de datum van de ontbinding van de arbeids¬overeenkomst en de koopsom komt overeen met het bedrag van de ontbindings¬vergoeding en is rechtstreeks voldaan aan de Amerfoortse door de voormalige werkgever van de man. Daarmee staat vast dat de man destijds de ontvangen ontbindingsvergoeding heeft aangewend voor de aankoop van een lijfrente¬voorziening.

41. Ook de door de man gestelde splitsing van de oorspronkelijke lijfrentepolis acht het hof voldoende aannemelijk geworden. De man heeft in eerste aanleg bij brief 30 september 2009 een vervolgblad d.d. 18 november 2008 bij de hiervoor genoemde polis in het geding gebracht. Uit dit vervolgblad blijkt dat de oorspronkelijke polis onder nummer 11-3499258 met ingang van 1 oktober 2008 is gewijzigd, doordat aan de waarde daarvan een bedrag van € 82.241,- is onttrokken dat vervolgens is aangewend voor een direct ingaande lijfrente onder polisnummer 11-3966792. Ook heeft de man in hoger beroep bij zijn verweer¬schrift tevens incidenteel beroepschrift een afschrift van deze nieuwe polis zelf in het geding gebracht waarin de genoemde koopsom van € 82.241,- wordt bevestigd. In deze polis wordt voorts vermeld dat de man op basis daarvan met ingang van 7 december 2008 een bedrag van € 5.975,- per jaar zal ontvangen. Hoewel de man heeft verzuimd eveneens een exemplaar van de gewijzigde polis onder nummer 11-3499258 in het geding te brengen -de man stelt dat hem een dergelijke polis niet is verstrekt, omdat die verzekering verder ongewijzigd is gebleven- acht het hof op grond van het vervolgblad en de nieuwe polis, mede in het licht van de oorspronkelijke polis die wel in het geding is gebracht, voldoende aannemelijk dat de man inderdaad met ingang van 1 oktober 2008 is overgegaan tot splitsing van de oorspronkelijke lijfrentepolis op de wijze als door hem is gesteld.

42. Partijen verschillen met betrekking tot de ontbindingsvergoeding voorts van mening over de omvang van het deel dat de man in redelijkheid heeft mogen bestemmen voor pensioenopbouw en van het deel dat hij in redelijkheid heeft behoren aan te wenden voor aanvulling op zijn inkomen. De man geeft aan dat hij zijn pensioengat heeft laten berekenen en stelt, overeenkomstig die bereke¬ning, een bedrag van € 76.227,- ten behoeve van zijn pensioenvoorziening te hebben behouden en een bedrag van € 82.241,- te hebben aangewend voor een direct ingaande lijfrente als aanvulling van zijn inkomen. De vrouw heeft op haar beurt berekend welk deel van de ontslagvergoeding nodig is geweest om de tijdens het dienst¬verband opgebouwde pensioenvoorziening dienovereenkomstig voort te zetten tot de pensioengerechtigde leeftijd van de man. Zij komt dan tot de conclusie dat een bedrag van € 54.854,30 daarvoor toereikend zou zijn geweest, zodat een bedrag van ruim € 103.600,- beschikbaar is geweest als voorziening voor de directe aanvulling op zijn inkomen.

43. Uit de toelichtingen die ieder van partijen heeft gegeven op de berekening van het bedrag voor de pensioenaanvulling heeft het hof begrepen dat de man kennelijk is uitgegaan van een voorziening die zijn volledige pensioengat afdekt, ook voor zover dat is ontstaan in de periode voordat hij is gaan werken bij zijn voormalige werkgever. De vrouw is daarentegen kennelijk uitgegaan van het pensioen¬gat dat is ontstaan door het wegvallen van het dienstverband bij zijn voormalige werkgever.

44. Het hof sluit zich in deze aan bij de visie van de vrouw aangezien daarmee het meeste recht wordt gedaan aan de redenen van toekenning van de ontslag¬ver¬goe¬ding, zoals hiervoor weergegeven, en aan de deels tegengestelde belangen van ieder van partijen. De vrouw en [kind] hebben er belang bij om een zo groot mogelijk deel van de vergoeding voor directe inkomensaanvulling beschik¬baar te krijgen en de man heeft belang bij een voldoende mogelijkheid van voortzetting van een pensioenopbouw als ware hij bij zijn laatste voormalige werkgever in dienst gebleven tot zijn pensioengerechtigde leeftijd.

45. Dit betekent ook dat, ervan uitgaande dat de man een bedrag van € 54.854,30 heeft mogen besteden aan een aanvullende pensioenvoorziening, per 1 april 2006 aan hem een resterend bruto bedrag van ruim € 101.000,- (€ 155.870 minus € 54.854,20) beschikbaar zou hebben gestaan voor de aanvulling van zijn lagere inkomen uit uitkering dan wel uit een nieuwe dienstbetrekking. De vraag is vervolgens hoe lang de man met dit bedrag zijn inkomsten vanaf 1 april 2006 heeft kunnen aanvullen tot het niveau van zijn inkomen ten tijde van de vast¬stelling van de onderhoudsbijdragen voor de vrouw en [kind] (zijnde het inkomen waaruit hij deze bijdragen moet kunnen blijven voldoen). Anders dan de vrouw tot uitgangspunt lijkt te nemen, gaat het niet om het antwoord op de vraag hoelang de man de onder¬houdsbijdragen rechtstreeks uit deze vergoeding zou kunnen voldoen of hoelang hij zijn inkomen -mede gezien zijn lasten- zou kunnen aanvullen tot het inkomensniveau dat net voldoende zou zijn om, naast de eigen lasten, deze onder¬houds¬bijdragen te kunnen betalen.

46. Het hof zal voor de berekening niet uitgaan van de aankoop van een direct ingaande lijfrentevoorziening, zoals de man naderhand feitelijk heeft gedaan en zoals de vrouw ook als uitgangspunt lijkt te nemen, maar van een interen op het geldbedrag (als vermogen) dat de man bij uitbetaling van een bruto ontslag¬vergoeding van € 101.0000,- in 2006 netto beschikbaar zou hebben gekregen. Daarbij merkt het hof op dat gezien de omvang van het uitkerings¬bedrag en het bedrag waarmee moet worden ingeteerd om de uitkering op het inkomensniveau van 2006 te houden (een en ander wordt hierna uitgebreid aan de orde gesteld) de aankoop van een lijfrente uitkering in 2006, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, niet tot een substantieel langere periode van aanvulling zou hebben geleid.

47. Een bruto ontbindingsvergoeding van € 101.000,- komt netto neer op een bedrag van bijna € 50.000,- indien de man in 2006 zou hebben gekozen voor uitbeta¬ling van dat deel en dientengevolge daarover inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn geweest (waarbij het hof rekening houdt met het feit dat de man ook belasting verschuldigd is over zijn salaris over de eerste drie maanden van het jaar en de ww-uitkering na het einde van zijn arbeidsovereenkomst). Het hof gaat dan ook (fictief) uit van een intering op een netto bedrag van bijna € 50.000,- aan vermogen.

48. Bij de vaststelling van de onderhoudsbijdragen ten behoeve van [kind] en de vrouw is bij de echtscheidingsbeschikking van 28 augustus 2002, gezien de over¬wegingen van die beschikking, uitgegaan van een netto inkomen van de man van € 3.173,44 per maand, gebaseerd op de salarisspecificaties over maart 2002 en met een aantal correcties. Aan de hand van dit salaris en het werkelijke inkomen van de man -de ww-uitkering tot 1 april 2010 en de IOAW-uitkering met ingang van 1 april 2010- zal het hof beoordelen met welk bedrag de man uit zijn (bruto) ontbindings¬vergoe¬ding van € 101.000,- zijn inkomsten heeft moeten aanvullen tot het niveau van het hiervoor genoemde netto salaris van de man in 2002 en hoelang hij dit heeft kunnen doen. Volledigheids¬halve merkt het hof op dat er geen reden is voor indexering van het inkomen vanaf 2002 nu uitdrukkelijk is bepaald dat de onderhouds¬bijdragen voor de vrouw en [kind] niet geïndexeerd zullen worden. Een inkomen van afgerond € 3.175,- netto per maand moet dan ook na 2002 toereikend zijn om deze, niet geïndexeerde, bijdragen te kunnen blijven betalen.

49. De man heeft tot 3 april 2010 een ww-uitkering ontvangen. Op grond van de door de man overgelegde aangiften inkomstenbelasting over die betreffende jaren heeft de ww-uitkering over 2007 € 32.630,- en over 2008 € 36.447,- bedragen, neerkomende op respectievelijk € 1.874,- netto per maand over 2007 en € 2.059,- netto per maand over 2008. Gecorrigeerd met de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet heeft de man een netto inkomen tot zijn beschikking gehad van € 1.708,- per maand in 2007 en € 1.872,- per maand in 2008. Gemiddeld komt dat neer op ongeveer € 1.800,- netto per maand. Het hof acht dit gemiddelde inkomen reëel voor de gehele periode van 1 april 2006 tot 1 april 2010.

50. Met ingang van 3 april 2010 ontvangt de man een IOAW-uitkering van € 1.156,76 bruto per maand, inclusief vakantiegeld, zoals dit blijkt uit de beschikking van de gemeente Hoogeveen van 20 april 2010 die de man bij brief van 3 augustus 2010 in het geding heeft gebracht. Op basis van de uitkeringsspecificatie over juni 2010 (productie 5 van het verweerschrift tevens incidenteel appel) berekent het hof deze uitkering op een netto bedrag van afgerond € 900,- per maand, reeds gecorri¬geerd met de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, en alsnog met bijtelling van het vakantiegeld van 5 % over afgerond € 855,- netto per maand.

51. Uitgaande van een inkomen van gemiddeld € 1.800,- netto per maand in de periode van 1 april 2006 tot 1 april 2010 dient de man een bedrag van (€ 3.175,- minus € 1.800,-) € 1.375,- netto per maand bij te dragen uit zijn vermogen om een inkomen vergelijkbaar met dat over 2002 beschikbaar te krijgen. Uitgaande van een inkomen van € 900,- netto per maand vanaf 1 april 2010 heeft de man een bedrag van (€ 3.175,- minus € 900,-) € 2.275,- netto per maand uit zijn vermogen nodig om zijn inkomen naar het niveau van 2002 te brengen.

* het verdere vermogen van de man: de boedeluitkering

52. Tussen partijen is verder in geschil of aan de man, naast de ontbindings¬vergoe¬ding die hiervoor aan de orde is geweest, nog ander vermogen beschikbaar heeft gestaan c.q. staat om vanaf 1 april 2006 zijn ww-uitkering (en nadien zijn IAOW-uitkering) aan te vullen.

53. Tussen partijen is niet in geschil dat de man bij de scheiding en deling in 2002 een vermogen van ongeveer € 130.000,- beschikbaar heeft gekregen. De vrouw heeft daarnaast gewezen op verdere spaargelden en een effecten¬portefeuille bij de man op grond waarvan zij zijn totaal vermogen inclusief genoemde € 130.000,- schat op ongeveer € 450.000,- en waarvan zij meent dat dit de man nog immer ter beschikking zou moeten staan. De man heeft gesteld dat hij sinds 2007 geen vermogen meer heeft. Hij heeft gesteld dat hij geen ander vermogen heeft (gehad) dan genoemde € 130.000,- en dat hij gedurende de jaren op deze gelden heeft ingeteerd, onder meer voor verhuis- en herinrichtingskosten en voor kosten van levens¬onderhoud.

54. In reactie op de stelling van de vrouw dat hem nog vermogen ter beschikking heeft gestaan c.q. heeft moeten staan, heeft de man in eerste aanleg bij brief van 26 november 2009 afschriften van de (op papier gedane) IB aangiften over 2007 en 2008 in geding gebracht (producties 19 en 20). Het hof constateert dat tot deze aangiften geen pagina's behoren die betrekking hebben op de vermogens¬bestand¬delen box 3 en het daaruit te verkrijgen inkomen. Dit rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat de aangiften onvolledig zijn overgelegd, omdat op basis van de belasting¬regelgeving alleen de ingevulde en daarmee de relevante pagina's tot de aangifte behoren. Bij afwezigheid van vermogens¬bestand¬delen in box 3 behoeven de pagina's die daarop betrekking hebben namelijk niet te worden ingevuld en ingediend. De man heeft in hoger beroep bij zijn verweerschrift wel de IB aanslagen betreffende 2007, gedateerd 26 februari 2010, en betreffende 2008, gedateerd 20 maart 2010, overgelegd (producties 2 en 3) en deze bevestigen dat in de jaren 2007 en 2008 geen sprake is van een relevant box 3 inkomen.

55. Mede in aanmerking nemende dat de vrouw haar stellingen omtrent het bestaan van vermogen aan de zijde van de man, in het bijzonder voor wat betreft de spaar¬gelden en een effecten¬portefeuille, niet nader heeft geconcretiseerd en onder¬bouwd, is het hof van oordeel dat met de overgelegde aangiften en daarmee corresponderende aanslagen IB over 2007 en 2008 voldoende aannemelijk is geworden dat de man vanaf 2007 geen substantieel vermogen meer ter beschik¬king heeft gestaan.

56. De man heeft echter geen informatie verstrekt over zijn vermogen in 2006 terwijl uit zijn opmerkingen ter zitting in eerste aanleg kan worden afgeleid dat hij over 2005 nog belasting over zijn inkomen in box 3 heeft betaald. Op basis van de beschikbare gegevens kan dan ook niet worden uitgesloten dat de man in 2006 nog vermogen ter beschikking heeft gestaan voor een aanvulling op zijn uitkering op dat moment. Het heeft op de weg van de man gelegen om hierover voldoende duidelijkheid te verstrekken, zodat de bestaande onduidelijkheid hierover voor zijn rekening en risico dient te komen.

* de aanvulling van het inkomen uit het vermogen

57. Indachtig rechtsoverweging 56 hiervoor, gaat het hof ervan uit dat de man tot 1 januari 2007 zijn inkomen uit hoofde van de ww-uitkering van afgerond € 1.800,- netto per maand tot zijn inkomensniveau van 2002 heeft kunnen aanvullen uit (het restant van) het vermogen dat hij in 2002 heeft ontvangen uit de scheiding en deling. Daardoor heeft hij in 2006 de onderhoudsbijdragen voor de vrouw en [kind] kunnen voldoen, zoals deze in 2002 bij de echtscheidings¬beschikking zijn vastgesteld. Het hof onderkent dat de man, mede ten behoeve van de alimen¬tatie voor de vrouw en zijn dochter, heeft moeten interen op zijn vermogen maar gesteld noch gebleken is dat een dergelijke intering in redelijk¬heid niet van de man gevergd mocht worden.

58. Dat betekent ook dat eerst met ingang van 1 januari 2007 de aanvulling van de ww-uitkering van de man middels de ontbin¬dingsvergoeding van € 52.000,- netto aan de orde is. Deze vergoeding acht het hof, rekening houdend met enig rendement op telkens het (resterende) vermogen, toereikend om de ww-uitkering van € 1.800,- netto per maand tot 1 april 2010 aan te vullen tot zijn oorspronke¬lijke inkomen van € 3.175,- netto per maand dat in 2002 uitgangspunt is geweest voor de onder¬houds¬bijdragen ten behoeve van de vrouw en [kind] zoals deze bij de echtscheidingsbeschikking zijn vastgesteld.

59. Met ingang van 1 april 2010 resteert bij de man geen vermo¬gen meer, niet uit hoofde van de ontbindingsvergoeding en niet uit hoofde van zijn aandeel in de scheiding en deling in 2002. Met ingang van die datum heeft de man dan nog slechts de beschikking over zijn IOAW-uitkering als hiervoor berekend, zijnde een bedrag van € 900,- netto per maand. Dit inkomen ligt op bijstandsniveau en is niet meer toereikend voor enige bijdrage aan de vrouw en [kind].

* de lijfrente uitkering per 1 april 2011

60. Met ingang van 1 april 2011 zal de man echter, naar het hof aannemelijk acht, naast zijn IOAW-uitkering een aanvullende pensioenuitkering van de Amersfoortse ontvangen op grond van de oude lijfrenteverzekering onder nummer 11-3499258 die na de splitsing met ingang van 1 oktober 2008 nog slechts een lijfrentekapitaal van € 88.725,- verzekert en een uitkering zal geven voor bij in leven zijn van de man op 1 april 2011, de oorspronkelijke lijfrente-ingangsdatum.

61. De man stelt in dat verband wel dat bij gelegenheid van de splitsing de ingangs¬datum van deze uitkering is opgeschoven naar 1 april 2015, de maand waarin hij 65 jaar zal worden, maar hij heeft deze stelling niet nader onderbouwd. De polis waaruit de splitsing naar voren komt geeft inzicht in de (wijze van) splitsing en de bedragen daarvan, maar meldt verder dat de oude lijfrenteverzekering voor het overige ongewijzigd is gebleven, waaronder naar mag worden aangenomen ook de ingangsdatum nu daarover niets is opgenomen. Zoals eerder gezegd, heeft de man niet de polis van de gewijzigde lijfrente voor de oudedagsvoorziening in de procedure gebracht. Hij heeft op dat punt gesteld dat hem geen nieuwe polis is toegezonden, omdat er enkel een nieuw polis wordt toegezonden in geval van wijziging(en). Uitgaande van de juistheid van deze stelling is dat eerder een aanwijzing voor een ongewijzigde ingangs¬datum dan een wel gewijzigde ingangsdatum in welk geval er, ook om die reden, aanleiding zou zijn geweest voor het verstrekken van een nieuwe polis. Het hof gaat dan ook uit van 1 april 2011 als ingangsdatum.

62. De man heeft geen inzicht gegeven in de omvang van de uitkering die de man met ingang van 1 april 2011 uit de gewijzigde polis zal ontvangen. Uit de informatie die omtrent de splitsing is verstrekt blijkt echter wel dat per 1 oktober 2008 een bedrag van € 88.725,- aan lijfrentekapitaal is verzekerd. Op basis van dit kapitaal en uitgaande van een levenslange uitkering aan de man, geboren 12 april 1950, met ingang van 1 april 2011 raamt het hof de uitkering op € 4.308,- ofwel € 359,- per maand.

63. Hoewel het inkomen uit deze lijfrenteuitkering wordt gezien als inkomen voor de inkomstenbelasting, acht het hof aannemelijk dat ook deze inkomsten door de gemeente Hoogeveen worden vrijgelaten en niet worden verrekend met de IOAW-uitkering van de man. Het hof verwijst hiervoor naar de beschikking van de gemeente van 20 april 2010 waar een dergelijke mededeling wordt gedaan ten aanzien van de -feitelijk door de man ontvangen- inkomsten uit de lijfrente¬verzekering van oktober 2008. Beide uitkeringen komen immers voort uit dezelfde bron, de eenmalige ontslagvergoeding van de man die is gebruikt voor aankoop van een lijfrente als hiervoor bedoeld.

* de conclusies ten aanzien van de door de man gestelde wijzigingen

voor de periode tot 1 april 2010

64. Gezien de conclusies in de rechtsoverwegingen 57 en 58 oordeelt het hof dat de man tot 1 april 2010 in staat is geweest om zijn inkomen te handhaven op het niveau van het inkomen dat in 2002 ten grond¬slag heeft gelegen aan de vastgestelde onderhoudsbijdragen voor de vrouw en [kind]. Van een wijziging van omstandigheden in deze periode is voor wat betreft het inkomen van de man geen sprake. In zoverre dient het verzoek van de man tot wijziging dan ook te worden afgewezen.

65. Volledigheidshalve merkt het hof op dat de man in hoger beroep nog heeft gewezen op een verhoging van zijn woonlasten, onder verwijzing naar de (tijde¬lijke, voor de periode van 1 oktober 2008 tot 30 april 2009 geldende) huur¬overeenkomst betreffende de woning te [adres] en de daarvoor verschuldigde huurprijs van € 600,- per maand. Mogelijk is de huurprijs van deze woning hoger dan de woonlasten die de man heeft gehad in de daaraan voorafgaande periode. Er is echter geen sprake van een verhoging van de woonlasten ten opzichte van de woonlasten die in de echtscheidings¬beschikking in 2002 zijn meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man met het oog op de vaststelling van de door hem aan de vrouw en [kind] te betalen onderhoudsbijdragen. Bij die beschikking heeft de rechtbank, gezien de over¬wegingen, namelijk een woonlast van € 680,- per maand in aanmerking genomen.

65. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat er voor wat betreft de draagkracht van de man voor periode tot 1 april 2010 geen aanleiding is voor een herbeoordeling van de onderhoudsbijdragen voor de vrouw en [kind].

voor de periode van 1 april 2010 tot 1 april 2011

66. Voor de periode van 1 april 2010 tot 1 april 2011 heeft de man enkel een IOAW-uitkering ontvangen van ongeveer € 900,- netto per maand. Er is sprake van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling rechtvaardigt. Een daad¬werkelijke berekening van de draagkracht kan evenwel achterwege blijven gezien de hoogte van het inkomen. Het inkomen ligt immers op bijstandsniveau en reeds om die reden acht het hof aannemelijk dat de man geen ruimte heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de kosten van verzorging en opvoeding dan wel met ingang van 11 februari 2011 de kosten van studie en levens¬onderhoud van de dochter.

voor de periode vanaf 1 april 2011

67. Voor de periode vanaf 1 april 2011 heeft de man naast de IOAW-uitkering van € 1.156,76 bruto per maand inclusief vakantiegeld, een pensioenuitkering van € 359,- bruto per maand. Rekening houdend met de belasting die de man hierover verschuldigd -gerekend naar de eerste schijf ad 33 %- komt deze uitkering neer op een bedrag van afgerond € 235,- netto per maand.

68. Met ingang van 1 april 2011 kan het inkomen van de man dan worden gesteld op € 900,- netto per maand aan IOAW-uitkering en € 235,- netto per maand aan pensioenuitkering, zijnde totaal € 1.135,- netto per maand. Voor deze periode zal het hof aan de hand van de zogeheten netto methode de draagkracht van de man opnieuw berekenen.

69. Aan de lastenzijde zal het hof uitgaan van de navolgende posten:

- een alimentatievrije voet naar de norm van een alleenstaande van € 714,- per maand (naar de tarieven van juli 2011);

- de lasten verbonden aan de huurwoning te [adres] van € 520,- per maand aan huur en € 41,- per maand aan servicekosten, zoals deze blijken uit de huur¬over¬een¬komst die de man in eerste aanleg in de procedure heeft gebracht, met dien verstande dat het hof hierop in mindering brengt een bedrag van € 192,- per maand dat de man aan huurtoeslag zal kunnen ontvangen;

- de premie basisverzekering en de premie voor de aanvullende ziektekosten- en tandartskostenverzekering van totaal € 152,31 per maand zoals deze blijkt uit het bank¬afschrift dat de man in hoger beroep heeft overgelegd, met dien verstande dat het hof hierop in mindering zal brengen het deel van de premie van € 45,- per maand dat reeds is begrepen in de alimentatievrije voet die hiervoor wordt meegenomen en een bedrag van € 70,- per maand dat de man als zorgtoeslag zal kunnen ontvangen.

70. De berekening van de draagkracht luidt dan als volgt:

totaal netto inkomen (900 en 235) 1.135

alimentatievrije voet 714

woonlasten (561 minus 192) 369

ziektekosten (152 minus 45 en 70) 37

draagkrachtloos inkomen 1.120 -

draagkrachtruimte 15

71. Van de draagkrachtruimte is 70 % derhalve een bedrag van € 11,- per maand beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind]. De man heeft geen ruimte om een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

De behoefte van de vrouw

72. Tussen partijen is in geschil of de vrouw redelijkerwijs in staat moet worden geacht om door middel van eigen inkomsten volledig in de kosten van eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft in dat kader gesteld dat de vrouw in de loop van de jaren na de echtscheiding in staat moet zijn geweest haar werkzaamheden uit te breiden dan wel een andere fulltime betrekking te vinden.

73. Voor de beantwoording van die vraag zal het hof eerst de omvang van de behoefte van de vrouw, gerelateerd aan de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk, vaststellen. Het hof zal daarbij uitgaan van de hoogte van het gezinsinkomen bestaande uit het inkomen van de man en dat van de vrouw- en zich daarbij baseren op bedragen die worden genoemd in de echtscheidingsbeschikking van 28 augustus 2002 nu geen van partijen de juistheid daarvan ter discussie heeft gesteld. Volgens deze beschikking heeft het inkomen van de man € 3.173,44 netto per maand en het inkomen van de vrouw € 1.283,57 netto per maand bedragen, neerkomende op een gezinsinkomen van € 4.457,01 netto per maand.

74. Op basis van dat gezinsinkomen heeft de rechtbank destijds de behoefte van [kind] bepaald op € 795,- per maand. Van het gezinsinkomen van € 4.457,- heeft dan een bedrag van (4.457 minus 795) € 3.662,- netto per maand aan partijen ter beschik¬king gestaan. Op basis van de gebruikelijke 60 % norm kan de behoefte van de vrouw dan worden gesteld op € 2.197,- netto per maand, met indexering naar 2010 een bedrag van € 2.639,- netto per maand.

75. Hoewel de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gesteld dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij meer uren werkt dan twintig uren per week en dat zij om die reden nog immer behoefte heeft aan een bijdrage van de zijde van de man, is in hoger beroep gebleken dat de vrouw op enig moment haar werkzaamheden heeft uitgebreid en fulltime is gaan werken bij haar werkgever, naar zij in haar beroepschrift stelt, omdat de rechtbank de onderhoudsbijdrage bij beschikking van 8 april 2010 op nihil heeft gesteld en de man de verschuldigde bijdrage niet of niet regelmatig betaalde.

76. Gesteld noch gebleken is dat deze uitbreiding een tijdelijk karakter heeft en binnen afzienbare termijn weer zal eindigen op initiatief van de werkgever. Het hof acht ook niet aannemelijk geworden dat de vrouw haar werk¬zaamheden, gezien haar leeftijd, de zorg voor [kind] en haar gezondheids¬beperkingen, redelijkerwijs niet voor langere duur zal kunnen voortzetten. [kind] is inmiddels jong-meerderjarig en heeft wellicht nog de steun van haar moeder nodig bij het opbouwen van haar eigen leven, maar van verzorging en opvoeding zal daarbij geen sprake meer zijn. De man heeft verder de door de vrouw gestelde medische behandeling voor hoge bloeddruk niet weersproken, maar dit is op zichzelf een algemeen voorkomende aandoening en de vrouw heeft de door haar gestelde gezondheids¬beperkingen en/of de belastende aard van haar werkzaam¬heden binnen het onderwijs in dat kader, niet nader onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de vrouw deze werkzaamheden ten tijde van de zitting in hoger beroep ten minste -uitgaande van de datum van de beschikking van de rechtbank waarin de bijdrage op nihil is gesteld- tien maanden heeft verricht en daarbij kennelijk geen noemenswaardige problemen heeft ondervonden. Het hof ziet, anders dan de vrouw, geen redenen die rechtvaardigen dat zij haar werkzaamheden en daarmee haar inkomsten zou terugbrengen tot op het niveau van twintig uur per week, de omvang van haar dienstbetrekking tijdens en na het huwelijk.

77. De vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt vanaf welk moment zij haar parttime werkzaam¬heden heeft uitgebreid naar een fulltime dienstverband. Mede gezien de aard van de werkzaamheden van de vrouw -zij is leerkracht- en het ontbreken van inkomensgegevens over de periode na medio 2009, acht het hof het redelijk om er van uit te gaan dat de vrouw met ingang van 1 september 2009, het begin van het (nieuwe) schooljaar 2009/2010, fulltime is gaan werken althans acht het hof aannemelijk dat zij daar redelijker¬wijs toe in staat is geweest. Anders dan de man betoogt, is het hof van oordeel dat niet van de vrouw gevergd mocht worden dat zij al (veel) eerder -per 1 oktober 2008 of per 2 maart 2009- haar werkzaamheden heeft kunnen uitbreiden teneinde -in meerdere mate dan met haar dienstverband met twintig uur per week- in de kosten van eigen levens¬onder¬houd te voorzien. Het huwelijk van partijen heeft bijna veertien jaar geduurd en de vrouw heeft zowel tijdens als na het huwelijk zorg gedragen voor de verzorging en opvoeding van [kind] (en tot haar overlijden, ook voor [kind 2]), die in februari 2009 zestien jaar oud is geworden. Verder heeft de vrouw al enige tijd een dienst¬betrekking in het onderwijs op grond waarvan zij twintig uur per week werkzaam is en die het zoeken en vinden van een (tweede) baan elders om praktische redenen zal hebben belemmerd. Alles in ogenschouw nemende acht het hof niet reëel om de vrouw reeds voor 1 september 2009 enige extra (fictieve) verdien¬capaciteit toe te kennen die zij in redelijkheid had behoren te verzilveren.

78. Het hof zal uitgaan van een fulltime dienstverband van de vrouw met ingang van 1 september 2009. De inkomensgegevens die de vrouw in het geding heeft gebracht betreffen zonder uitzondering de situatie dat zij 20 uur per week werkt. Niettemin kan op basis van de alge¬mene gegevens opgenomen in de specificatie over juli 2009 een inschat¬ting worden gemaakt van het salaris van de vrouw bij een fulltime betrekking. In die specificatie wordt namelijk een bedrag van € 46.004,- genoemd als jaarinko¬men ABP uitgaande van een fulltime betrekking. Een dergelijk inkomen komt, wanneer rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeids¬korting, neer op ongeveer € 2.640,- netto per maand. Hierop dient dan nog in mindering dient te komen een bedrag van € 194,- aan inkomensafhankelijke premie ziektekosten. Het hof raamt het eigen inkomen van de vrouw dan ook op een bedrag van € 2.446,- netto per maand.

79. Uitgaande van een (naar 2010) geïndexeerde behoefte van de vrouw van € 2.639,- netto per maand en eigen inkomsten van € 2.446,- netto per maand, constateert het hof dat de vrouw nog slechts behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man van € 193,- netto per maand, indien en voor zover zij niet zou behoeven bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind].

80. Uit de hierna volgende overwegingen van het hof betreffende de behoefte van [kind] zal echter blijken dat de vrouw uit haar eigen inkomsten een bedrag van (€ 547,- minus € 78,-) € 469,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk van levensonderhoud en studie van [kind] teneinde te bereiken dat volledig wordt voorzien in de behoefte van [kind].

91. Dit betekent dat de vrouw van haar eigen inkomen ad € 2.446,- netto per maand een bedrag van € 469,- per maand dient te voldoen ten behoeve van [kind] en dat een bedrag van € 1.977,- netto per maand resteert om in haar eigen behoefte te voorzien. De vrouw heeft dan behoefte een aanvullende bijdrage van de man van € 662,- netto per maand, oftewel € 1.143,- bruto per maand.

92. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de vrouw naast haar eigen inkomsten uit arbeid nog steeds behoefte heeft (gehouden) aan een bijdrage van de man van € 1.090,- per maand zoals deze destijds door de rechtbank is vastgesteld.

De behoefte van [kind]

93. Het hof stelt voorop dat de rechtbank bij haar echtscheidingsbeschikking in 2002 de behoefte van [kind], aan de hand van het destijds aanwezige gezins¬inko¬men, heeft vastgesteld op € 795,- per maand. Geïndexeerd naar 2010 bedraagt de behoefte van [kind] € 955,- per maand.

94. Het hof zal de behoefte van de [kind] eveneens op dit bedrag stellen. Haar behoefte aan een bijdrage van de zijde van de man is door partijen slechts zijdelings, met een aantal algemene opmerkingen aan de orde gesteld. Geen van partijen heeft een nadere onderbouwing gegeven van zijn of haar stellingen. In het bijzonder heeft de man niet concreet gemaakt dat [kind] meer dan geringe inkomsten heeft ontvangen uit een (bij)baantje waardoor haar behoefte aan een bijdrage op een lager bedrag kan worden gesteld terwijl de vrouw evenmin concreet gemaakt dat de behoefte van [kind] aan een bijdrage is gestegen omdat zij in Utrecht is gaan studeren.

95. [kind] heeft dan ook nog immer behoefte aan een bijdrage van de man van € 408,40 per maand, zoals destijds afgesproken.

96. Het hof merkt in verband op dat de door de man te betalen bijdrage geen correctie behoeft in verband met de bijdrage die van de zijde van de vrouw wordt voldaan. Uitgaande van een behoefte van [kind] van € 955,- per maand in 2010 heeft de man daarin bijgedragen met een bedrag van € 408,40 per maand. De resterende behoefte, een bedrag van afgerond € 547,- per maand, zal dan voor rekening zijn gekomen van de vrouw. Slechts een deel daarvan heeft de vrouw kunnen voldoen uit de alleenstaande ouderkorting van € 931,- per jaar die de vrouw, gezien de leeftijd van [kind] en de hoogte van haar verzamelinkomen, heeft ontvangen. Het grootste deel, een bedrag van (€ 547,- minus € 78,-) € 469,- per maand, heeft de vrouw uit eigen inkomsten dienen te betalen om volledig te voorzien in de behoefte van [kind].

De slotsom

97. Het vorenstaande brengt het hof tot de conclusie dat de man tot 1 april 2010 voldoende ruimte heeft gehad om de destijds door de rechtbank vastgestelde bijdragen van € 408,40 per maand ten behoeve van [kind] en € 1.090,- per maand ten behoeve van de vrouw heeft kunnen voldoen en dat [kind] en de vrouw ook behoefte hebben gehad aan deze bijdrage. Vanaf 1 april 2010 tot 1 april 2011 heeft de man geen ruimte meer voor enige bijdrage.

98. Met ingang van 1 april 2011 heeft de man nog slechts een beperkte draag¬kracht¬ruimte en is hij in staat een geringe bijdrage te leveren in alsdan de kosten van levensonderhoud en studie van [kind] van afgerond € 11,- per maand. [kind] heeft in ieder geval behoefte aan een dergelijke bijdrage.

99. Het hof zal om redenen van doelmatigheid, mede gelet op overweging 20, de beschikking waarvan beroep geheel vernietigen en opnieuw beslissen als na te melden.

100. Het hof zal de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, een en ander in overeenstemming met het uitgangs¬punt bij procedures tussen gewezen echtgenoten. Het hof heeft geen redenen gezien om af te wijken van dit uitgangspunt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep:

en opnieuw beslissende:

bepaalt, onder wijziging van de bij de echtscheidings¬beschikking van 28 augustus 2002 ten behoeve van de vrouw vastgestelde onderhoudsbijdrage, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levens¬onderhoud met ingang van 1 april 2010 op nihil;

bepaalt, onder wijziging van de bij de echtscheidings¬beschikking van 28 augustus 2002 ten behoeve van [kind] vastgestelde onderhoudsbijdrage, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], geboren [in 1993], met ingang van 1 april 2010 op nihil;

bepaalt de door de man aan de hiervoor genoemde [kind] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 april 2011 op € 11,- per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet reeds zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan [kind] dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen (voorzitter), M.P. den Hollander en R. Feunekes, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 november 2011 in bijzijn van de griffier.