Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU4042

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
11-00473
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ.

Proceskostenvergoeding voor taxatierapport. Uurtarief van € 80 is redelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011/2670 met annotatie van Fase
FutD 2011-2738 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2011/2790
Belastingblad 2012/7
V-N 2012/6.22.11

Uitspraak

uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00473

Uitspraakdatum: 1 november 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de Ambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2011, nummer AWB 10/3170, in het geding tussen de Ambtenaar

en

de erven X te Z (hierna: belanghebbenden)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Ambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, per waardepeildatum 1 januari 2009 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2010 vastgesteld op € 321.000.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbenden heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 24 mei 2011 gegrond verklaard, de uitspraak van de Ambtenaar vernietigd, de beschikking verminderd tot € 289.000 en de Ambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 1.165,50 alsmede gelast dat de gemeente Nijmegen het griffierecht aan belanghebbenden betaalt.

1.4. De Ambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord A, als de gemachtigde van belanghebbenden, bijgestaan door B (hierna: B), alsmede de Ambtenaar.

1.7. Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbenden zijn eigenaar van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak). Zij hebben zelf bezwaar aangetekend tegen de beschikking waarbij op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak door de Ambtenaar is vastgesteld (hierna: de WOZ-beschikking).

2.2. Belanghebbenden hebben A van C gemachtigd namens hen de beroepsprocedure te voeren bij de Rechtbank en het Hof.

2.3. B van D C.V. heeft een taxatie opgesteld, waarbij hij de waarde van de onroerende zaak heeft getaxeerd op € 289.000. Hij heeft van de taxatie een rapport opgesteld, waarin hij naast een beschrijving van de onroerende zaak ook een taxatiekaart heeft opgenomen. In deze taxatiekaart heeft B de verkoopprijs van drie panden geanalyseerd die rond de peildatum zijn verkocht. Aan de hand van die analyse heeft hij de waarde van de onroerende zaak onderbouwd.

2.4. De Ambtenaar heeft de door B getaxeerde waarde gevolgd en bij de Rechtbank geconcludeerd tot vermindering van de vastgestelde waarde tot op een bedrag van € 289.000.

2.5. Op 2 februari 2010 heeft B namens D C.V. een factuur gestuurd aan C voor het opstellen van een waarderapport. Hiervoor werden 3 uren berekend tegen een uurtarief van € 80 exclusief omzetbelasting, alsmede de kosten van de kadastrale kaart (€ 2,95) en een uittreksel kadastraal bericht eigendom (€ 2,95).

2.6. C heeft op 13 september 2010 een factuur aan belanghebbenden gestuurd waarin naast de onder 2.5. genoemde kosten van de taxatie de kosten voor het voeren van de beroepsprocedure bij de Rechtbank zijn opgenomen. De factuur behoeven belanghebbenden eerst te voldoen, indien zij een toewijzende uitspraak van de gemeente Nijmegen hebben ontvangen.

2.7. De Ambtenaar heeft een overzicht van de internetsite www.taxatietarieven.com overgelegd, waarin de prijzen voor het opmaken van een standaard taxatie staan vermeld door de twintig goedkoopste taxateurs die in de regio Z een woning van ongeveer € 300.000 moeten waarderen (hierna: de taxatietarieven-site). De prijzen variëren tussen € 146 en € 239,12 exclusief omzetbelasting per taxatie. Er geldt een hoger tarief voor een taxatie die door het Nederlands Woning Waarde Instituut is gevalideerd of die vereist is voor het verkrijgen van de Nationale hypotheekgarantie.

2.8. Belanghebbenden hebben gegevens overgelegd van de uurtarieven die diverse gemeenten betalen voor het inschakelen van taxateurs voor het bepalen van de waarde ingevolge de Wet WOZ. Deze uurtarieven variëren tussen € 59 (gemeente Arnhem) en € 112 (gemeente Lisse) exclusief omzetbelasting.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding en meer in het bijzonder de hoogte van de vergoeding voor het taxatierapport.

3.2. De Ambtenaar stelt dat de kosten van het taxatierapport op geen hoger bedrag kan worden gesteld, dan het door hem toegezegde bedrag van € 214,20, vermeerderd met € 5,90 aan kadastrale kosten. Bij de berekening stelt hij zich op het standpunt dat ten hoogste 2 uur aan de taxatie besteed hoeft te worden en dat daarbij een uurtarief van € 60 passend is. Laatstgenoemd bedrag is ook in overeenstemming met de strekking van artikel 6 van het krachtens de Wet tarieven in strafzaken (hierna: Wts) genomen Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: Bts).

3.3. Belanghebbenden verzoeken om een volledige vergoeding van de kosten van het taxatierapport.

3.4. Elk van de partijen heeft voorts voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.5. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.6. De Ambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding en vermindering van de proceskostenvergoeding.

3.7. Belanghebbenden concluderen tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

4.1. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 27j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is het Hof bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de woorden “redelijkerwijs heeft moeten maken” wordt tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 154).

4.2. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

4.3. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb, uitsluitend betrekking hebben op: “b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.”

4.4. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld: “b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken;”.

4.5. Ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is de partij die een getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, aan deze een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wts bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

4.6. Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wts worden bij algemene maatregel van bestuur de tarieven vastgesteld voor vergoedingen voor: “a. werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid.”

4.7. Op grond van artikel 6 van het Bts geldt voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wts, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur, met dien verstande dat het tarief voor vergoedingen van verrichtingen van medische aard het door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde tarief bedraagt en het tarief voor vergoedingen van verpleging in een zorginstelling het voor deze vergoedingen geldende tarief in de laagste klasse bedraagt.

4.8. In de Nota van Toelichting bij het Bts wordt over artikel 6, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Het artikel stelt het maximum uurtarief vast voor vergoedingen voor werkzaamheden waarvoor elders in het besluit geen speciaal tarief is bepaald. De vraag of voor deze werkzaamheden het maximum uurtarief of een lager tarief geldt, is afhankelijk van de mate van wetenschappelijke of bijzondere aard van de werkzaamheden. Door een maximumtarief op te nemen is er ruimte voor marktwerking; om deze reden is eveneens afgezien van het opnemen van een minimumtarief.” (NvT, Stb. 2003, 330, p. 11).

4.9. Op grond van artikel 9 van het Bts geldt voor de vaststelling van de uurvergoeding als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 8, een gedeelte van een uur gelijk aan een half uur of korter, als een half uur, en een gedeelte langer dan een half uur als een heel uur.

4.10. Op grond van artikel 15 van het Bts worden de bedragen, genoemd in dit besluit, verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.

Beschouwing

4.11. Tussen partijen is niet in geschil, dat belanghebbenden in redelijkheid hebben gekozen voor het inroepen van een deskundige. De Ambtenaar bestrijdt dat de hoogte van de kosten redelijk zijn. Hij verwijst daarvoor onder andere naar de taxatietarieven-site en naar de bij zijn hogerberoepschrift gevoegde taxatierapporten waarvan de taxatiekosten lager waren dan de taxatiekosten van B. Daarnaast stelt hij dat twee uren voldoende zijn voor het opstellen van een taxatie.

4.12. Belanghebbenden verwijzen ter onderbouwing van hun stelling dat de kosten van de taxatie markconform zijn onder andere naar de uurtarieven die gemeenten aan taxateurs betalen voor WOZ-taxaties. Daarnaast dient, zo stellen belanghebbenden, de taxateur voor een WOZ-waardering middels een rekenkundige onderbouwing inzicht te geven in de wijze waarop hij aan de hand van de vergelijkingspanden tot de waarde van het onderhavige pand is gekomen. B heeft dit inzicht geboden middels het opmaken van een taxatiekaart. Bij de taxaties die geoffreerd worden op de taxatietarieven-site ontbreekt een dergelijke rekenkundige onderbouwing. B hanteert het uurtarief ook bij cliënten die op declaratiebasis, en dus niet op “no cure no pay”-basis, werken. B heeft marktonderzoek verricht, kadastrale informatie opgevraagd, een taxatiekaart opgesteld en een rapport opgesteld en verzonden. Met deze werkzaamheden zijn in ieder geval drie uur gemoeid geweest.

4.13. Naar het oordeel van het Hof maken belanghebbenden met al hetgeen zij hebben aangedragen aannemelijk, dat de door hen gemaakt taxatiekosten redelijk zijn. De op de internetsite genoemde taxatietarieven zijn onvoldoende bruikbaar, omdat dit taxaties betreffen waarin, zoals belanghebbenden onweersproken hebben gesteld, geen rekenkundige onderbouwing van de waarde is opgenomen. Ook in de door de Ambtenaar overgelegde taxaties ontbreekt een dergelijke rekenkundige onderbouwing. Het is redelijk dat belanghebbenden in een procedure over de Wet WOZ een taxatie laten opmaken waarin inzicht wordt gegeven in de wijze waarop de getaxeerde waarde tot stand komt, ook als deze taxatie niet de goedkoopste is. Daarnaast valt het door B gehanteerde uurtarief tussen de hoogste en laagste uurtarieven die door verschillende gemeenten aan WOZ-taxateurs worden betaald. Met de toelichting maken belanghebbenden tevens aannemelijk, dat het aantal aan de taxatie bestede uren redelijk is.

4.14. De Ambtenaar verdedigt voorts dat de vergoeding per uur, uitgaande van het maximumtarief, de mate van wetenschappelijke of bijzondere aard van de werkzaamheden, moet weerspiegelen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. Het Hof heeft bepaald dat het uurtarief van de taxateur in het onderhavige geval redelijk is. Dit uurtarief overstijgt niet het in artikel 6 van het Bts genoemde maximumtarief. Naar het oordeel van het Hof, anders dan dit Hof heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 maart 2011, nummer 10/00323, LJN BQ0621, is de in artikel 6 van het Bts geformuleerde toets gelijk aan de toets van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, te weten dat de kosten zelf redelijk moeten zijn. Bij deze redelijkheidstoets speelt de mate waarin de werkzaamheden van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een rol. Het Hof vindt voor zijn standpunt dat het Bts geen, van een redelijk uurtarief afwijkend tarief voorschrijft, bevestiging in de Nota van Toelichting op het Bts. Daarin wordt gesproken over marktwerking, waaruit het Hof opmaakt dat voor de te vergoeden tarieven aansluiting wordt gezocht bij de in de markt tot stand gekomen uurtarieven. Daarnaast sluit artikel 6 van het Bts voor verrichtingen van medische aard aan bij de door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde tarieven. Het Hof wijst het standpunt van de Ambtenaar, dat impliceert dat enkel bij de hoogst wetenschappelijk dan wel de meest bijzondere werkzaamheden het maximum tarief kan worden toegepast, af.

4.15. De Rechtbank heeft daarom terecht een vergoeding van drie uren tegen een uurtarief van € 80 exclusief omzetbelasting toegekend. Nu de overige elementen van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding niet in geschil zijn, zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank in stand laten.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het hoger beroep hebben moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 874 (= 2 punten voor verweer en het verschijnen ter zitting * wegingsfactor 1 * € 437) voor de kosten in hoger beroep.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 874, en

- bepaalt dat van de Staat op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 454.

Aldus gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M.C.M. de Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. ten Broek.

De beslissing is op 1 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.