Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU3564

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
P11/0346
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de indexdelicten, te weten het in de woning op zolder voorhanden hebben van een vuurwapen en daarbij behorende munitie, geen misdrijven betreffen gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de maatregel een periode van vier jaren niet te boven kan gaan. Het feit van de (toenmalige) stoornis in combinatie met het wapenbezit kan, anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld, geen rol spelen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS [nummer]

Beslissing d.d. 24 oktober 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2011, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep en appelmemorie van het openbaar ministerie van 26 augustus 2011;

- de aanvullende informatie van [de kliniek] van 29 september 2011 met als bijlage de wettelijke aantekeningen van kwartaal 2, 2011.

Het hof heeft ter zitting van 10 oktober 2011 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal, mr J.W. Rijkers.

Overwegingen:

De beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2011

De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie afgewezen nu de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Een ander standpunt dan de rechtbank is denkbaar. De terbeschikkinggestelde had zich immers bewapend omdat hij zichzelf wilde beschermen tegen derden. Het vuurwapenbezit in combinatie met de stoornis van de terbeschikkinggestelde kan daarmee gericht zijn geweest tegen of gevaar veroorzaakt hebben voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Mocht het hof vinden dat sprake is van een niet-gemaximeerde terbeschikkingstelling, dan dient de maatregel met een jaar te worden verlengd.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De jurisprudentie van de penitentiaire kamer van het hof hanteert een stringente lijn wat betreft de gemaximeerde terbeschikkingstelling. Deze lijn dient in casu eveneens te worden gevolgd. De stoornis in combinatie met wapenbezit is niet leidend en onvoldoende om te kunnen spreken van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De vordering van de officier van justitie dient derhalve te worden afgewezen.

Het oordeel van het hof

Alvorens de vraag aan de orde is of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de maatregel eist, dient eerst bezien te worden of de totale duur van de maatregel de periode van vier jaar niet te boven gaat, en zo ja, of de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De terbeschikkingstelling is opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 9 februari 2005 ter zake van het misdrijf “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie”.

Met betrekking tot de oplegging van de maatregel heeft het gerechtshof ‘s-Gravenhage overwogen:

“Alles overwegende is het hof van oordeel dat, nu bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake is geweest van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en die feiten daarenboven misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van in ieder geval vier jaren is gesteld alsmede dat het naar het oordeel van het hof bepaaldelijk aanwezig te achten risico van herhaling van geweldsdelicten -en daarmee de gevaarzetting voor de onaantastbaarheid voor de lichamelijke integriteit van anderen (vide artikel 38e van het wetboek van Strafrecht) het opleggen van de maatregel eist, de verdachte terbeschikking dient te worden gesteld met verpleging van overheidswege, ook al zal zulks naar verwachting langdurige vrijheidsbeneming met zich meebrengen.”

Anders dan de officier van justitie in haar appelmemorie stelt valt uit de verwijzing naar artikel 38e Wetboek van Strafrecht en de geuite verwachting van een langdurige vrijheidsbeneming ten gevolge van oplegging van de maatregel niet zonder meer af te leiden dat het gerechtshof ‘s-Gravenhage aldus, in het licht van de motiveringsverplichting van artikel 359 lid 7 Wetboek van Strafvordering, tot uitdrukking heeft willen brengen dat de bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn die een gevaar opleveren voor of een krenking zijn van de lichamelijke integriteit van een of meer personen, in welk geval de maatregel de maximumduur van vier jaren mag overschrijden. Het hof is van oordeel dat het gerechtshof ’s-Gravenhage met de aangehaalde overweging slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat aan de in artikel 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht genoemde criteria voor oplegging van de terbeschikkingstelling was voldaan.

Nu ook anderszins uit het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage niet valt af te leiden dat sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, lid 1 Wetboek van Strafrecht komt aan de verlengingsrechter (in beroep) de bevoegdheid toe alsnog te bepalen of er sprake is van een al dan niet gemaximeerde terbeschikkingstelling.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de indexdelicten, te weten het in de woning op zolder voorhanden hebben van een vuurwapen en daarbij behorende munitie, geen misdrijven betreffen gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de maatregel een periode van vier jaren niet te boven kan gaan. Het feit van de (toenmalige) stoornis in combinatie met het wapenbezit kan, anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld, geen rol spelen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Nu derhalve sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling en de terbeschikkingstelling reeds langer dan vier jaren heeft geduurd, is er geen grond voor toewijzing van de gevorderde verlenging van de maatregel en dient de vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.

Het hof is aldus van oordeel dat de rechtbank terecht heeft beslist tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie. Daarom zal de beslissing waarvan beroep worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2011 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam].

Aldus gedaan door

mr E. van der Herberg als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr C. Caminada als raadsheren,

en M.G.E. Tervoort en drs. R. Poll als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 24 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.