Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU3522

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
24-001293-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest:

Beslissing op het preliminair verweer van de verdediging en het verzoek tot het horen van een getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/67

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

parketnummer: 24-001293-10

parketnummer eerste aanleg: 07-620476-08

Tussenarrest van 7 november 2011 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 mei 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Noord Holland Noord, Amerswiel te Heerhugowaard,

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman, mr. M.A. Hupkes, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis vrijgesproken ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en heeft haar ter zake van de onder 3 en 4 bewezen verklaarde misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2011, welk onderzoek is aangewend voor het houden van een nadere regiezitting.

Preliminair verweer van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 24 oktober 2011 een preliminair verweer gevoerd, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Hiertoe is gesteld dat door de aanwezigheid ter terechtzitting in hoger beroep van de officier van justitie in eerste aanleg, mr. M. Kamper, als plaatsvervangend advocaat-generaal, naast de advocaat-generaal Simmelink, het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden.

Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om in het kader van een door het hof te nemen maatregel ter handhaving van de orde ter zitting, meer in het bijzonder ter bewaking van een eerlijk proces, te gelasten dat mr. Kamper ter terechtzitting in hoger beroep niet zal optreden als plaatsvervangend advocaat-generaal.

Standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het verweer van de verdediging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging geen steun vindt in het recht en dat de huidige samenstelling van het openbaar ministerie ter terechtzitting in hoger beroep in deze strafzaak niet raakt aan het recht op een eerlijk proces van de verdachte. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verweer zal verwerpen.

Beoordeling

Het hof is van oordeel dat het verweer, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dient te worden verworpen, op de door de advocaat-generaal aangevoerde gronden. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

De positie van de plaatsvervangend advocaat-generaal is geregeld in artikel 138 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. In de Memorie van Toelichting, behorende bij de Wijziging van de wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek van Strafvordering, de Politiewet 1993 en andere wetten (Kamerstukken 1996-1997, 25392, nr. 3, Tweede Kamer) is met betrekking tot de totstandkoming van dit artikel, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Nieuw is het fenomeen plaatsvervangend advocaat-generaal. Tot 1 april 1994 kende de wet (art. 6a, eerste lid, onder c, Wet RO) de figuur van de waarnemend advocaat-generaal bij een hof. Als zodanig konden worden aangewezen een advocaat-generaal bij een ander hof en een officier van justitie. Sinds 1 april 1994 bestaat deze figuur niet meer. Wel bevat de wet (art. 6b, eerste lid,Wet RO) sinds die datum de mogelijkheid om een lid van het OM bij een hof of bij een arrondissementsparket te belasten met de waarneming van een ander ambt binnen het OM bij een hof of een arrondissementsparket.

(...)

Deze constructie is in het leven geroepen voor gevallen waarin een bepaalde vacature langdurig onvervuld blijft.

Omdat soms behoefte bestaat aan de mogelijkheid om officieren van justitie bevoegd te maken als advocaat-generaal, bij voorbeeld in grote zaken (...), wordt in die gevallen de betrokkene belast met de waarneming van het ambt van advocaat-generaal (...).

Dat is echter een oneigenlijk gebruik van de desbetreffende bepaling.

(...)

Een structurele oplossing is daarom nodig. Die - in het onderhavige wetsvoorstel neergelegde - oplossing is aldus, dat - naar analogie van de plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket - de figuur van plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket wordt ingevoerd.

Uit dit onderdeel van de Memorie van Toelichting blijkt dat het de uitdrukkelijke wens van de wetgever is geweest om officieren van justitie bevoegd te maken als advocaat-generaal, onder meer in grote zaken. Daarbij is kennelijk - bewust, dan wel onbewust - geen uitzondering gemaakt in het geval het de zaaks-officier van eerste aanleg betreft.

Naar het oordeel van het hof is de strafzaak van de verdachte, zowel op zichzelf beschouwd als bezien in samenhang met de strafzaken van de medeverdachten, aan te merken als een grote zaak als bedoeld in de Memorie van Toelichting.

In de Memorie van Toelichting is met betrekking tot de doelstellingen en hoofdlijnen van het wetsvoorstel, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Het uitgangspunt waarop alles valt terug te voeren is dat het OM bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden - met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde als kerntaak - zal moeten voldoen aan stringente eisen van samenhang, consistentie en kwaliteit. Die moeten terug te vinden zijn in de wijze waarop het OM is georganiseerd en daadwerkelijk opereert. Om aan die eisen te kunnen voldoen is onder andere noodzakelijk dat het OM als één organisatie wordt geconstrueerd, die ook als eenheid kan fungeren.

Op grond van het bovenstaande kan het verweer, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, geen doel treffen.

Daarnaast acht het hof dat verweer in dit stadium prematuur, nu daarin niet gemotiveerd wordt geklaagd over een concrete jegens de verdachte gemaakte inbreuk op artikel 6 EVRM, maar slechts over de verwachting van of vrees voor een dergelijke inbreuk. Omstandigheden op grond waarvan een dergelijke verwachting of vrees gerechtvaardigd zou zijn, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het verweer, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof is voorts van oordeel dat het niet tot de mogelijkheid of bevoegdheid van het hof behoort om in het kader van het nemen van een maatregel ter handhaving van de orde ter zitting te gelasten dat mr. Kamper niet als plaatsvervangend advocaat-generaal zal optreden ter terechtzitting.

Verzoek van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 24 oktober 2011 verzocht [getuige] als getuige te horen.

Standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het verzoek van de verdediging

De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het horen van [getuige] als getuige.

Beoordeling

Gelet op het stadium van de procedure in hoger beroep waarin de raadsman zijn huidige verzoek kenbaar heeft gemaakt, te weten ter terechtzitting van 24 oktober 2011, dient dit verzoek te worden getoetst aan de hand van het noodzaakcriterium.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging, strekkende tot het horen van de getuige

[getuige], toetsend aan het noodzaakcriterium, toe. Het hof acht het horen van deze getuige van belang in het kader van de waarheidsvinding in de strafzaak van de verdachte.

De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, in de rechtbank Zwolle-Lelystad, heeft naar aanleiding van de tussenarresten van het hof van 4 november 2010 in de strafzaken van de verdachte en van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] onderzocht of [getuige] in die strafzaken kon worden gehoord als getuige bij de rechter-commissaris.

Bedoelde rechter-commissaris heeft vervolgens in de toentertijd aangenomen proceshouding van bedoelde getuige, die in Suriname verblijft, niet naar Nederland wil komen en toentertijd had laten weten zich te zullen beroepen op zijn verschoningsrecht, aanleiding gezien geen aanvraag tot het instellen van een rogatoire commissie in te dienen. De rechter-commissaris heeft - op praktische gronden - het hof in overweging gegeven bedoelde getuige te horen ter terechtzitting van het hof. Dit laatste in verband met de omstandigheid dat het hof reeds bij tussenarrest van 4 november 2010 in de strafzaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gelast dat [getuige] ter terechtzitting van het hof dient te worden gehoord als getuige.

Gelet op de kennelijk gewijzigde proceshouding van deze getuige, zoals aangekondigd in de brief van diens raadsman, mr. G.I. Roos, van 20 oktober 2011, bestaat thans - anders dan voorheen werd geoordeeld door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zwolle-Lelystad - geen belemmering meer voor het horen van deze getuige door genoemde rechter-commissaris.

Het hof verwijst de zaak naar genoemde rechter-commissaris ten behoeve van het horen van de hierboven genoemde getuige.

Daarnaast overweegt het hof het volgende.

Het hof heeft bij tussenarrest van 7 november 2011 in de strafzaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] gelast dat [medeverdachte 1] als verdachte in zijn strafzaak wordt gehoord door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Dit in verband met de kennelijk gewijzigde proceshouding van de medeverdachte [medeverdachte 1], zoals aangekondigd in de brief van diens raadsman, mr. R. Malevicz, van 19 oktober 2011 en zoals bevestigd door de medeverdachte [medeverdachte 1] ter terechtzitting van het hof van 24 oktober 2011.

Het hof bepaalt dat de uit het verhoor bij bedoelde rechter-commissaris van de medeverdachte [medeverdachte 1] voortvloeiende processen-verbaal dienen te worden gevoegd in het strafdossier van de verdachte [verdachte].

Het hof stelt de verdediging en het openbaar ministerie in de gelegenheid desgewenst nadere verzoeken en/of onderzoekswensen in te dienen indien en voor zover de processen-verbaal van verhoor bij bedoelde rechter-commissaris van de getuige [getuige] en/of de medeverdachte [medeverdachte 1], zodra deze processen-verbaal ter beschikking zijn gesteld, daartoe aanleiding mochten geven.

Dit met dien verstande dat de verdediging en het openbaar ministerie binnen vier weken nadat bedoelde processen-verbaal door die rechter-commissaris ter beschikking van de verdediging respectievelijk het openbaar ministerie zijn gesteld aan het hof zal meedelen of er nog overige verzoeken en/of onderzoekswensen zijn, en zo ja welke en op welke grond(en).

Het hof is voornemens - nadat de rechter-commissaris de hierboven bedoelde verhoren heeft afgerond en het hof eventueel daaruit voortvloeiende nadere verzoeken en/of onderzoekswensen heeft ontvangen - een nadere regiezitting te houden, teneinde te bespreken of, en zo ja in hoeverre, de verklaringen die de getuige [getuige] en de medeverdachte [medeverdachte 1] tegenover de rechter-commissaris hebben afgelegd aanleiding hebben gegeven tot nadere verzoeken en/of onderzoekswensen van de verdediging en/of het openbaar ministerie in de zaak van de verdachte, alsmede in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [getuige].

Indien en voor zover mogelijk zal het hof in het kader van die nadere regiezitting eveneens overgaan tot het horen ter terechtzitting van de getuigen en/of deskundigen in de strafzaak van de verdachte en in de strafzaken van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zoals daarover is beslist in de tussenarresten in die strafzaken van 4 november 2010.

Gelet op het bovenstaande dient het onderzoek ter terechtzitting te worden aangehouden.

Gelet op de klemmende redenen dat het zittingsrooster van het hof een eerdere hervatting

van de behandeling niet toelaat, alsmede dat het te verrichten nader onderzoek naar

verwachting niet binnen één maand na heden zal zijn voltooid, zal het onderzoek niet

binnen een maand, doch uiterlijk binnen drie maanden na heden worden hervat.

De tusssenuitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, zij het maximaal voor de duur van drie maanden;

verwijst de zaak naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, in de rechtbank Zwolle-Lelystad teneinde [getuige] als getuige te horen;

bepaalt dat de uit het verhoor bij bedoelde rechter-commissaris van de medeverdachte [medeverdachte 1] voortvloeiende processen-verbaal dienen te worden gevoegd in het strafdossier van de verdachte;

bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting;

beveelt dat de deskundige D. Breuker zal worden opgeroepen tegen de datum en het tijdstip waarop de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep zal worden hervat;

beveelt dat de verdachte zal worden opgeroepen tegen de datum en het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zal worden hervat;

beveelt dat van die datum en dat tijdstip schriftelijk mededeling zal worden gedaan aan de raadsman en de benadeelde partijen.

Dit tussenarrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. S. Zwerwer en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mrs. Zwerwer en Wiarda zijn buiten staat dit tussenarrest te ondertekenen.