Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU3096

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
AVNR 1184-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Kosten raadsman politieman. Vergoeding door politiebond of politiekorps; artikel 69a Besluit Algemene Rechtspositie Politie.

Naar het oordeel van het hof is feitelijk sprake van een situatie waarin de kosten van rechtsbijstand via de NBP (Nederlandse Politie

Bond) door de werkgever van appellant worden gedragen en door middel van artikel 69a BARP, de daarop gebaseerde uitvoeringregeling (en de voorwaarden van juridische dienstverlening van de NPB) ten behoeve van die werkgever (en de NPB) is beoogd veilig te stellen dat, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, wordt gepoogd (een deel van) die kosten te verhalen op de Staat der Nederlanden.

Nu de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van appellant komen (en er ook geen sprake is van een met een rechtsbijstandverzekering vergelijkbare situatie), heeft verzoeker geen kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering gemaakt.

Het hof zal evenmin een vergoeding toekennen in de kosten van de indiening en de behandeling van het verzoek in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof komt daarom wat betreft deze kosten tot hetzelfde oordeel als wat betreft de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, namelijk dat de kosten van de indiening en de behandeling van het verzoek op grond van 69a BARP ook door de werkgever gedragen dienen te worden. Appellant heeft in feite ten behoeve van zijn werkgever (en de NPB) het verzoek ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zitting houdende te Arnhem

Avnr: 1184-10

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door:

[naam appellant],

geboren [geboorteplaats en datum],

domicilie kiezende te [adres raadsvrouw],

ten kantore van zijn raadsvrouw,

hierna te noemen appellant.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Utrecht van 19 oktober 2010 houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 13 januari 2011 en 26 mei 2011 de advocaat-generaal en namens appellant, [naam raadsman], kantoorgenoot van [raadsvrouw] voornoemd. Appellant is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift, ingediend namens appellant op 18 februari 2010 ter griffie van de rechtbank te Utrecht door [naam raadsvrouw] voornoemd, advocaat te [plaats];

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank op 1 juni 2010;

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank op 14 september 2010;

- voormelde beschikking van de rechtbank;

- de akte rechtsmiddel van 2 november 2010, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Utrecht, waarbij door appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;

- het proces-verbaal van de behandeling van het hoger beroep door dit hof op

13 januari 2011;

- een tussenbeslissing op het verzoek van dit hof gedateerd 10 februari 2011;

- het faxbericht van [naam raadsman] voornoemd, ingekomen bij dit hof op

11 januari 2011, met negentien bijlagen, inhoudende jurisprudentie van onderscheidenlijk het gerechtshof ’s-Gravenhage, Amsterdam, Arnhem en

’s-Hertogenbosch;

- de faxbrief van [naam raadsman] voornoemd, ingekomen bij dit hof op 24 mei 2011, inhoudende gegevens omtrent de samenloop van artikel 69a Besluit Algemene Rechtspositie Politie en de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 11 maart 2009 tijdens de uitoefening van zijn functie als opsporingsambtenaar van de regiopolitie Utrecht samen met andere opsporingsambtenaren betrokken geweest bij een incident waarbij door appellant en een collega met hun dienstwapen op een man is geschoten die ter plaatse aan de opgelopen verwondingen is overleden. Tegen appellant is een gerechtelijk vooronderzoek geopend. Dit is op 8 oktober 2009 gesloten. De officier van justitie heeft op 10 december 2009 een kennisgeving niet verdere vervolging doen betekenen. Een beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering tegen deze beslissing is op 30 augustus 2010 ingetrokken. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het inleidend verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding in de kosten van de raadsvrouw ter hoogte van € 9.043,56, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

3. Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellant kan in zoverre daarin worden ontvangen.

4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand afgewezen omdat – kort samengevat - de rechtbank heeft vastgesteld dat deze kosten door de Nederlandse Politie Bond (NPB) zijn voldaan, dat verzoeker geen schade heeft geleden en dat zich hier niet de situatie voordoet van de beschikking van de Hoge Raad van 1 mei 1973,NJ 1973, 355. De rechtbank heeft op dezelfde gronden ook het verzoek tot het toekennen van een vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift afgewezen.

5. Appellant heeft als grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend, dat de beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd en de kosten van rechtsbijstand verleend alsnog dienen te worden toegewezen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat appellant als lid van de NPB, toen hij als verdachte werd aangemerkt, zich bij die NPB heeft gemeld met het verzoek om hem op grond van zijn vakbondslidmaatschap van rechtsbijstand te voorzien, De NPB heeft vervolgens [naam raadsvrouw] verzocht appellant als raadsvrouw in de strafzaak bij te staan. Appellant heeft op 15 maart 2009 getekend voor door de NPB gestelde voorwaarden waaronder die rechtsbijstand aan hem zou worden verleend. De raadsman stelt zich op het standpunt dat dit een geoorloofde constructie is die niet in de weg staat aan toekenning van een vergoeding in de kosten van de raadsman op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Hij heeft daarbij gewezen op een beschikking van het gerechtshof te Den Haag van 8 september 2010, een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 22 september 2010, een beschikking van het gerechtshof te Den Bosch van 30 augustus 2010 en een beschikking van dit hof van 18 mei 2009. Voor het overige heeft de raadsman volhard bij hetgeen in het inleidend verzoekschrift is aangevoerd en verzocht.

6. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep, nu de kosten voor rechtsbijstand niet ten laste van appellant zijn gekomen.

7. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

8. Artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

1. Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

2. Indien de ambtenaar schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk is.

3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de rechtskundige hulp aan de ambtenaar is verleend, op grond van zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, met dien verstande dat de tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp rechtstreeks wordt betaald aan voornoemde centrale of vereniging.

4. Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien

a. de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of

b. indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.

5. (…)

6. Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

9. Artikel 5, derde lid, van de mede op artikel 69a BARP gebaseerde Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie, Stcrt. 4 december 2008, nr. 1324, luidt als volgt: .

In een strafrechtelijke procedure draagt de ambtenaar zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en draagt er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag.

10. De regeling juridische dienstverlening van de NPB luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit de kosten van advocaten, griffierechten, getuigen, deskundigen en tolken, alsmede de kosten verbonden aan het inwinnen van inlichtingen, kosten van door het advocatenkantoor ingeschakelde derden, kosten van het betekenen van gerechtelijke stukken, proceskostenveroordelingen en deurwaarderskosten, dient u aan het advocatenkantoor te vergoeden, indien u die kosten op de tegenpartij of een derde kunt verhalen. Als u een zaak verliest, blijven de kosten van rechtsbijstand voor rekening van het advocatenkantoor..

11. [naam raadsvrouw] heeft ter zake van haar werkzaamheden voor appellant aan de NPB declaraties gezonden tot een bedrag van € 9.043,56. De NPB heeft deze declaraties voldaan. Het inleidende verzoekschrift strekt tot vergoeding van deze kosten aan appellant.

12. De raadsman heeft ter zitting 13 januari 2011, op een daartoe strekkende vraag van het hof, meegedeeld dat voor het deel van de kosten van rechtsbijstand waarvoor door het hof geen vergoeding wordt toegekend, op grond van artikel 69a BARP vergoeding zal worden gevraagd aan de regiopolitie Utrecht.

13. Het hof heeft daarop in zijn tussenbeslissing van 10 februari 2011 de behandeling van het verzoek heropend teneinde door appellant nader geïnformeerd te worden over de wijze waarop appellant c.q. de NPB gebruikt maakt van de regeling in artikel 69a BARP.

14. De raadsman heeft per brief van 24 mei 2011 een toelichting gegeven op de wijze waarop door de NPB wordt gehandeld met betrekking tot artikel 69a BARP. Het hof begrijpt die uitleg als volgt. Zodra een lid van de NPB zich meldt bij de NPB, verwijst de NPB hem naar een raadsman en dient de NPB een verzoek ex artikel 69a BARP in bij het bevoegde gezag van het politiekorps waaraan het lid is verbonden, omdat het korps de kosten van rechtsbijstand dient te betalen, behoudens in de regeling genoemde uitzonderingen. Als de korpsbeheerder besluit tot toekenning dan wordt daarbij gewezen op het hier voor weergegeven artikel 5, derde lid, van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie en daarnaast wordt erop gewezen dat de betrokken ambtenaar een eventueel op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe te wijzen vergoeding aan het Korps dient af te dragen. Als een strafzaak is afgerond en een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering is mogelijk dan wacht de NPB eerst de uitkomst van die procedure af alvorens de kosten van rechtsbijstand bij de het korps te declareren. Als geen verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan worden ingediend of in het geval zo’n verzoek wordt afgewezen, worden de kosten van rechtsbijstand, indien de korpsbeheerder eerder tot toekenning heeft besloten, bij het korps gedeclareerd. Indien een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering wordt afgewezen en de korpsbeheerder een toekenning weigert dan zal de NPB de weigering van de korpsbeheerder aanvechten.

15. De raadsman heeft ter zitting 26 mei 2011 meegedeeld dat op grond van artikel 69a BARP tussen de NPB en de regiopolitie Utrecht is afgesproken dat de regiopolitie het deel van de kosten van rechtsbijstand waarvoor door het hof geen vergoeding wordt toegekend, aan de NPB zal worden vergoed.

16. De Hoge Raad heeft zich in zijn beschikking van 1 mei 1973, NJ 1973, 355, uitgesproken over de kosten van rechtsbijstand indien de gewezen verdachte op grond van een verzekeringsovereenkomst een aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand door een verzekeringmaatschappij. Een verzekering voor rechtsbijstand ziet op een onzekere toekomstige gebeurtenis. Indien aan het lidmaatschap van een vakbond een aanspraak op (vergoeding van de kosten van) rechtsbijstand is verbonden, is dat lidmaatschap op dat punt met zo’n verzekering te vergelijken omdat ook die aanspraak pleegt te zien op een onzekere toekomstige gebeurtenis. Gelet op het bepaalde in artikel 69a, derde lid, BARP, de uitleg in de brief van de raadsman van 24 mei 2011 en de door de raadsman ter zitting van 26 mei 2011 gedane mededeling is naar het oordeel van het hof de constructie tussen de NPB en appellant voor de financiering van de rechtsbijstand niet vergelijkbaar of gelijk te stellen met die bij een verzekering voor rechtsbijstand. De NPB is immers in casu geen drager van een risico, maar in ieder geval wat betreft de kosten van rechtsbijstand een soort intermediair, nu voor zover geen vergoeding op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering wordt verkregen, de door de NPB betaalde kosten van rechtsbijstand aan de NPB zullen worden vergoed door het politiekorps waaraan appellant is verbonden.

17. Naar het oordeel van het hof is feitelijk sprake van een situatie waarin de kosten van rechtsbijstand via de NBP door de werkgever van appellant worden gedragen en door middel van artikel 69a BARP, de daarop gebaseerde uitvoeringregeling (en de voorwaarden van juridische dienstverlening van de NPB) ten behoeve van die werkgever (en de NPB) is beoogd veilig te stellen dat, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, wordt gepoogd (een deel van) die kosten te verhalen op de Staat der Nederlanden.

18. Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot toekenning van een vergoeding in de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering is dat die kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover deze daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen of zijn gekomen. Vaststaat dat de declaraties van mr. Hoffman zijn gericht aan de NPB en door deze zijn betaald. Ook staat vast dat voor zover in de kosten van rechtsbijstand geen vergoeding wordt toegekend op grond van de onderhavige procedure, deze kosten op grond van artikel 69a BARP aan de NPB zullen worden vergoed door de werkgever van appellant. Dat betekent dat deze kosten hoe dan ook niet ten laste van appellant komen.

19. Nu de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van appellant komen (en er ook geen sprake is van een met een rechtsbijstandverzekering vergelijkbare situatie), heeft verzoeker geen kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering gemaakt. Het hof ziet daarom, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen gronden van billijkheid om aan appellant ter zake van de kosten van rechtsbijstand enige vergoeding toe te kennen.

20. Het hof zal evenmin een vergoeding toekennen in de kosten van de indiening en de behandeling van het verzoek in eerste aanleg en in hoger beroep. Onder “de kosten van een raadsman” waarvoor een vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid van art. 591a Sv vallen ook de kosten van de raadsman ter zake van advisering, opstelling en behandeling van een verzoekschrift strekkende tot toepassing van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten zijn weliswaar ontstaan na beëindiging van de strafzaak tegen de gewezen verdachte doch hangen met die zaak rechtstreeks samen (vgl. HR 20 mei 1986, NJ 1987, 28). Het hof komt daarom wat betreft deze kosten tot hetzelfde oordeel als wat betreft de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, namelijk dat de kosten van de indiening en de behandeling van het verzoek op grond van 69a BARP ook door de werkgever gedragen dienen te worden. Appellant heeft in feite ten behoeve van zijn werkgever (en de NPB) het verzoek ingediend.

21. Overigens merkt het hof op dat de kosten van rechtsbijstand als gevolg van een beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering niet in aanmerking komen voor vergoeding in het kader van een verzoek ex artikel 591a van dat wetboek.

22. Het hof zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de beschikking waarvan beroep bevestigen.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- bevestigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs. E.A.K.G Ruys, voorzitter,

R.W. van Zuijlen en J.H.M. Zwinkels, raadsheren, in tegenwoordigheid van

mr. E.S. van Soest, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juni 2011.