Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU2989

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
107.002.457/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brand in woning die gebruikt werd voor de hennepteelt. Het beschikbaar stellen van de woning aan derden ten behoeve van de hennepteelt door de huurder in onrechtmatig jegens de eigenaar (die i.c. niet de verhuurder is) van de woning.

Causaal verband tussen onrechtmatige daad en brand. Omkeringsregel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 265
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 213
Burgerlijk Wetboek Boek 7 214
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2012/20 met annotatie van Cor Goudriaan/Jeroen Groenewoud

Uitspraak

Arrest d.d. 1 november 2011

Zaaknummer 107.002.457/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: dr. mr. H.H. van Steijn, kantoorhoudende te Apeldoorn,

tegen

[geïntimeerde],

gewoond hebbende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, kantoorhoudende te Arnhem.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 1 februari 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft een akte genomen, waarbij hij het strafdossier tegen hem heeft overgelegd. [geïntimeerde] heeft een akte genomen.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. De grieven II en III in het principaal appel hangen met elkaar samen en stellen de vraag aan de orde of [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld.

2. Aan zijn vordering dat [appellant] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld legt [geïntimeerde] ten grondslag dat [geïntimeerde] (samen met zijn collega [X] en de eigenaar van een growshop, [Y]) betrokken is geweest bij de hennepteelt in de woning van hem, [geïntimeerde], althans dat [geïntimeerde] de hennepteelt in de woning niet heeft voorkomen, ofschoon hij daar op grond van zijn verantwoordelijkheid als huurder voor de woning wel toe gehouden was. [appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij betrokken is geweest bij de hennepteelt in de woning. Hij heeft bovendien betwist dat hij, gelet op alle relevante omstandigheden van het geval, als huurder verantwoordelijk was voor de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning. In dat verband heeft hij opgemerkt dat een eventuele schending van een op hem rustende zorgplicht uit de huurovereenkomst hem niet door [geïntimeerde] kan worden tegengeworpen, nu niet [geïntimeerde] maar diens zoon de woning verhuurde. Van een contractuele relatie tussen hem en [geïntimeerde] is dan ook geen sprake, aldus [appellant], die ook betoogt dat de zoon van [geïntimeerde] hem toestemming heeft gegeven de woning onder te verhuren.

3. Het hof zal nagaan of in het proces-verbaal van opsporing steun is te vinden voor de stellingen van [geïntimeerde] over de betrokkenheid van [appellant] bij de hennepteelt in de woning. Het proces-verbaal bevat op dit punt de volgende relevante informatie

3.1. [appellant] heeft op 28 mei 2004 een andere elektriciteitsmeter, een zogenaamde 3 fasenmeter die meer ampère kan verdragen, in de door hem gehuurde woning laten plaatsen. Een dergelijke elektriciteitsmeter maakt de elektrische installatie in een woning geschikt(er) voor het hoge stroomverbruik dat inherent is aan de hennepteelt. [appellant] heeft bij de politie verklaard dat hij dat heeft gedaan omdat hij in de toekomst een “afwasmachine en/of dergelijke apparatuur wilde plaatsen” (p.v. blz. 151), maar het hof acht deze verklaring weinig aannemelijk, nu gesteld noch gebleken is dat hij deze apparaten bij de bestaande meter niet kon plaatsen en [appellant], volgens zijn eigen verklaringen, al enkele weken na 28 mei 2004 uit de woning is vertrokken.

3.2. [appellant] heeft (uiteindelijk) verklaard dat hij de woning verhuurd heeft aan de heer [Y] (hierna: [Y]). Voor de huur ontving hij een bedrag van

€ 1.000,00 per maand van [Y]. Ook [X] (hierna: [X]) was volgens [appellant] bij de transactie met [Y] betrokken, in die zin dat [X] de elektriciteitsrekeningen betaalde en daar (naar [appellant] aannam) geld voor kreeg van [Y]. Het plaatsen van de nieuwe meter zou een gezamenlijke actie van [appellant] en [X] zijn, aldus [appellant]. Het was [appellant] bekend dat [Y] een growshop in Apeldoorn exploiteerde. [appellant] is enkele malen in die growshop geweest.

3.3. [appellant] heeft een huurcontract opgesteld, waarop de (onder)huurder niet als [Y], maar als [Z] wordt aangeduid. [appellant] heeft verklaard dat dit contract door hem al in 2004 is opgesteld. Het contract vermeldt dat de huurovereenkomst ingaat op “01-07-2004”. Op het contract is het jaartal 2004 aangegeven in drukletters, waarbij de 5 handgeschreven vervangen is door een 4. De cijfers “01-07” zijn handgeschreven. Bij [X] thuis is door de politie een gedeeltelijk ingevulde en op spellingfouten gecorrigeerde versie van het door [appellant] ingevulde contract aangetroffen. In die versie is bij de ingangsdatum alleen het jaartal “2005” ingevuld. Tevens is bij [geïntimeerde] een voorbeeld-huurcontract aangetroffen. Het gedeeltelijk ingevulde contract lijkt aan het voorbeeld-contract te zijn ontleend. Het contract is op 23 februari 2005 door [X] gedownload van de site van Huurdersvereniging Woonbelang. [X] heeft verklaard dat hij het gedeeltelijk ingevulde exemplaar heeft opgesteld ten behoeve van [appellant] (p.v. blz. 257). Het hof acht gelet op deze feiten bewezen dat het door [appellant] volledig ingevulde exemplaar van het huurcontract ontleend is aan het door [X] op 23 februari 2005 gedownloade exemplaar. Temeer nu het hof de stelling van [appellant] dat hij het contract heeft gedownload in een niet meer bestaand internetcafé bepaald ongeloofwaardig acht.

3.4. [appellant] heeft verklaard dat hij in augustus en september 2004 TL-armaturen voor [Y] heeft gekocht. Hij heeft tevens verklaard dat ook [X] TL-armaturen heeft gekocht voor [Y].

3.5. Volgens [appellant] zit [X] er “net zover in als ik” (p.v. blz. 161). Op de vraag of hij wist dat er een hennepplantage in de woning zat, heeft [appellant] geantwoord (p.v. blz. 161):

“Ik heb het er met [X] ([X], toevoeging hof) wel eens over gehad. Ik wist dit niet echter niet zeker. Ik ben nooit meer in de woning aan de [adres] geweest. Ik heb daar nooit hennep of iets dergelijks zien staan. Ik had er wel een vermoeden van.”

3.6. Tijdens een telefoongesprek tussen [appellant] en [X] op 1 maart 2005, dat door de politie is afgetapt, is onder mee het volgende gezegd (p.v. blz. 110):

“[appellant] ([appellant], toevoeging hof): nou ja, daarom ga ik ook zeggen dat ik het aan iemand anders heb verhuurd…

[X]: Dat jij het aan iemand anders hebt verhuurd?

[appellant]: Ja, ik zeg gewoon dat ik naar de buurman ben gegaan en met hem ben overeengekomen dat iemand anders het huurde.”

3.7. Tijdens een telefoongesprek tussen [appellant] en [X] op 2 maart 2005, dat door de politie is afgetapt overleggen zij wat zij tegen de politie zullen verklaren over de (onder)verhuur aan het pand en aan wie het is onderverhuurd. Diverse mogelijkheden passeren de revue: iemand die [appellant] ontmoet heeft op de golfclub, bij de bar van de voetbalclub of in een café. In dat verband zegt [X] onder meer tegen [appellant] (p.v. blz. 118):

“Je moet niet zover van de werkelijkheid af gaan zitten. Je moet niet allemaal dingen d’r bij gaan verzinnen.”

3.8. Nadat [appellant] op 2 maart 2005 door de politie is gehoord, hebben hij en [appellant] die dag opnieuw telefonisch contact. Blijkens het p.v. van het afgetapte telefoongesprek is onder meer het volgende gezegd (p.v. blz. 128):

“[appellant] vertelt over het getuigenverhoor. [appellant] vertelt dat hij door de politie stevig aan de tand werd gevoeld. [appellant] vertelt dat de politie begon over elektriciteitsrekeningen. [appellant] zegt dat hij daar niet aan gedacht heeft. Dat het nog op zijn naam kon staan.

[X]: hadden we toch moeten doen. Ik zei toen ook al dat we het op een andere naam moeten zetten. Maar dat is nooit doorgezet.”

3.9. De politie heeft ook twee telefoongesprekken tussen [appellant] en zijn vriendin [de vriendin] afgetapt. Tijdens deze op 28 februari 2005 gevoerde telefoongesprekken is onder meer het volgende gezegd (p.v. blz. 102 en 103):

“[de vriendin] zegt: ik denk niet dat ik dat aan kan. Ik wil het niet. [appellant] zegt: ik had dit script ook niet bedacht. [de vriendin] zegt: niemand had dit gedacht. [appellant] zegt: ik heb ook niet het gevoel dat ik iets misdaan heb. Ik voel mij ook niet schuldig. Ik was er niet eens. Sorry, ik kan niets doen. Ik heb er niets mee te maken. [de vriendin] zegt: ja eigenlijk had jij er al een hele tijd geleden uit moeten stappen. [appellant] zegt: ja, ja zeker. [de vriendin] zegt: toen die kleine geboren werd.”

(…)

[appellant] belt uit met [de vriendin]. [appellant] zegt: [X] heeft gebeld. Er is brand geweest. [de vriendin] zegt: o wat erg. [Y] heeft jullie dus genaaid. [appellant] zegt: ja dat weten we niet. [de vriendin] zegt: dus [Y] heeft jullie genaaid. [appellant] zegt: ja daar zijn we dan ook over de piss van.”

3.10. [Y] heeft bij de politie verklaard dat de hennepkwekerij door [appellant] en [X] is opgezet en geëxploiteerd en dat hij daarbij heeft geholpen door de benodigde materialen te leveren en te installeren. Het hof zal deze verklaring buiten beschouwing laten, gelet op het feit dat [Y], anders dan [appellant] en [X], wel strafrechtelijk veroordeeld is voor hennepteelt in de woning en niet uitgesloten kan worden dat [Y] met deze verklaring geprobeerd heeft zichzelf ten koste van [appellant] en [X] vrij te pleiten.

4. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] de hennepkwekerij zelf heeft opgezet en/of heeft geëxploiteerd, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd betwist. Het proces-verbaal biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de juistheid van die stelling. Bovendien is [appellant] in hoger beroep vrijgesproken. De bewijslast van deze stelling rust op [geïntimeerde]. Het hof stelt vast dat een op deze stelling toegespitst bewijsaanbod ontbreekt, zodat bewijslevering niet aan de orde is.

5. Naar het oordeel van het hof biedt het proces-verbaal wel een aantal concrete aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] betrokken is geweest bij de hennepteelt in de woning, in die zin dat indien [appellant] de hennepkwekerij niet zelf heeft opgezet en geëxploiteerd

- zoals [Y] bij de politie heeft verklaard - hij [Y] in elk geval welbewust de gelegenheid heeft geboden om de woning te gebruiken ten behoeve van het opzetten van een hennepkwekerij. Allereerst heeft [appellant] de woning door het (laten) aanbrengen van een nieuwe elektriciteitsmeter geschikt gemaakt voor de hennepteelt. De door [appellant] gegeven (alternatieve) verklaring voor het aanbrengen van de meter is, zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, ongeloofwaardig. Vervolgens heeft [appellant] de woning in gebruik gegeven aan [Y], iemand van wie [appellant] bekend was dat hij uit hoofde van zijn activiteiten in een growshop een bijzondere deskundigheid had ontwikkeld op het gebied van de hennepteelt. Voorts is gebleken dat [appellant] een groot aantal TL-armaturen, hulpmiddelen bij de hennepkweek, heeft gekocht. Verder staat vast dat [appellant] het vermoeden had dat in de woning hennep werd gekweekt en volgt uit het telefoongesprek met zijn vriendin dat [appellant] van oordeel was dat hij bij die teelt betrokken was. Tenslotte heeft hij nadat de brand was ontstaan, geprobeerd een vals beeld te creëren van zijn betrokkenheid bij de woning door de bij de politie af te leggen verklaringen af te stemmen met [X] en door een geantedateerd huurcontract op naam van een ander dan [Y] te vervaardigen.

6. In het licht van de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerde] over deze (actieve) betrokkenheid van [appellant], heeft [appellant] zijn betwisting van deze stellingen onvoldoende gemotiveerd. Het hof zal er dan ook vanuit gaan dat [appellant] in elk geval in zoverre bij de hennepteelt in de woning betrokken was dat hij [Y] welbewust de gelegenheid heeft geboden om een hennepkwekerij in de woning op te zetten en te exploiteren.

7. Voor zover [appellant] nog heeft willen betogen dat ook de zoon van [geïntimeerde] betrokken was bij de hennepteelt, althans daarvan op de hoogte was en er (tegen betaling) mee heeft ingestemd, heeft hij dit betoog onvoldoende onderbouwd. In het proces-verbaal biedt alleen de verklaring van [Y] steun voor dit betoog. Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat en waarom het deze verklaring buiten beschouwing zal laten.

8. Het hof komt nu toe aan de vraag of [appellant] door zijn betrokkenheid bij de hennepteelt in de woning onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde]. Het hof stelt bij het antwoord op deze vraag voorop dat, naar tussen partijen niet ter discussie staat, de huurovereenkomst tussen [appellant] en de zoon van [geïntimeerde] het telen van hennep verbiedt (artikel 13.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden) en een gebod bevat om zich te houden aan de voorschriften van de nutsbedrijven (artikel 15 van de algemene voorwaarden). Naar het oordeel van het hof staat niet alleen vast dat in de woning wel (en op grote schaal) hennep is geteeld, maar ook dat de elektriciteitsaansluiting in de woning, in strijd met de voorschriften van de nutsbedrijven, is gewijzigd. Het proces-verbaal bevat een verklaring van [een medewerker van Essent] van Essent Netwerk B.V. (blz. 211), waaruit volgt dat de verzegeling van de huisaansluitkast was verbroken, twee hoofdbeveiligingen waren vervangen en elektriciteitsdraden rechtstreeks waren aangesloten om de kwekerij buiten de meter om van stroom te voorzien. [appellant] is dan ook jegens de zoon van [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Dat is ook het geval wanneer [appellant] niet zelf de hennepkwekerij heeft ingericht en geëxploiteerd en niet zelf de elektriciteitsmeter heeft gemanipuleerd. In de contractuele verhouding tot zijn verhuurder is een huurder op grond van het bepaalde in artikel 7:219 BW aansprakelijk voor gedragingen van degenen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken, zelfs indien hij onwetend is van hun activiteiten (vgl. Hoge Raad 29 mei 2009, LJN: BH2952, NJ 2009, 244). In dit geval was [appellant] niet onwetend van de op de hennepteelt gerichte activiteiten in de woning.

9. Dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst met de zoon van [geïntimeerde] betekent echter nog niet zonder meer, dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] als de eigenaar van de woning. In de contractuele verhouding tussen [appellant] en de zoon van [geïntimeerde] was [geïntimeerde] immers een derde. Wanneer de belangen van een derde echter zo nauw betrokken zijn bij de behoorlijke uitvoering van een overeenkomst dat de derde schade of ander nadeel kan lijden als een partij bij die overeenkomst in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van wat in het maatschappelijk verkeer betaamt echter meebrengen dat die partij ook deze belangen dient te ontzien en dat schending van zijn verplichtingen uit de overeenkomst door deze partij ook onzorgvuldig is jegens de derde (vgl. Hoge Raad 24 september 2004, LJN: AO9069, NJ 2008, 587). Naar het oordeel van het hof is daarvan in dit geval sprake. De door [appellant] geschonden contractuele bepalingen stellen regels over het gebruik van de woning en strekken ertoe dat de woning niet (nodeloos) aan gevaar van beschadiging wordt blootgesteld. Om die reden heeft niet alleen de verhuurder, maar ook de eigenaar rechtstreeks belang bij de nakoming van deze contractuele verplichtingen. Voor de huurder is dat belang van de eigenaar niet bezwaarlijk. Hij is jegens de verhuurder al gehouden zijn contractuele verplichtingen na te komen en de inhoud van die verplichtingen wijzigt niet doordat ook de eigenaar belang heeft bij de nakoming ervan. Ook de omvang van de door de huurder verschuldigde schadevergoeding bij een niet toerekenbare tekortkoming in deze verplichting wijzigt niet. De huurder is immers bij beschadiging van het gehuurde niet gehouden de schade aan de woning zowel aan de verhuurder als aan de eigenaar te vergoeden.

10. De slotsom is dat [appellant] door de schending van de in artikel 13.3 en 15 van de algemene voorwaarden niet alleen toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens de zoon van [geïntimeerde], als verhuurder van de woning, maar ook jegens [geïntimeerde], als eigenaar van de woning.

11. In eerste aanleg heeft [appellant] betoogd dat [Y] het huurcontract van hem heeft overgenomen. In hoger beroep heeft hij dat betoog in zoverre gewijzigd dat hij heeft aangevoerd dat hij de woning met instemming van de zoon van [geïntimeerde] heeft onderverhuurd aan [Y]. [geïntimeerde] heeft betwist dat van bevoegde onderverhuur sprake is. Volgens hem is geen toestemming gevraagd en is deze toestemming ook niet verkregen. Of sprake is van bevoegde onderverhuur kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. Gesteld noch gebleken is dat de zoon van [geïntimeerde] toen hij zou hebben ingestemd met de onderverhuur aan [Y] wist dat de woning gebruikt zou gaan worden voor de hennepteelt. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [appellant] dat wél wist. Ook indien de zoon van [geïntimeerde] toestemming heeft gegeven voor de onderverhuur aan [Y] - wat, gelet op de minst genomen merkwaardiger gang van zaken rond het contract van onderverhuur en de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde], voorshands weinig aannemelijk is -, doet dat niet af aan de verantwoordelijkheid van [appellant], als de (in dat geval) met de beoogde hennepteelt bekende onderverhuurder van de woning.

12. De grieven II en III in het principaal appel falen.

13. De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden aangenomen dat de brand in de woning een andere oorzaak heeft dan de hennepkwekerij en de in dat verband gemaakte illegale aansluiting op het elektriciteitsnetwerk. Het is volgens de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat het exploiteren van een hennepkwekerij met een omvang als deze en met het illegaal manipuleren van de elektriciteitsvoorziening resulteert in een verhoogd brandgevaar. Nu in de woning brand is ontstaan, moet worden aangenomen dat de brand rechtstreeks in verband staat met de naar haar aard gevaarzettende hennepkwekerij, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd waarom de brand in de woning een andere oorzaak kan hebben dan de hennepkwekerij en de in dat verband aangebrachte illegale aansluiting op het elektriciteitsnetwerk.

14. Met grief IV in het principaal appel komt [appellant] op tegen dit oordeel van de rechtbank. [appellant] bestrijdt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het in stand houden van een hennepkwekerij (met manipuleren van de elektrische installatie) leidt tot verhoogd brandgevaar. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] in het midden gelaten wat de oorzaak van de brand is. [appellant] meent dat de brand door brandstichting is ontstaan. Brandstichting is, stelt hij, niet een logisch en noodzakelijkerwijs te verwachten gevolg van het verhuren van de woning aan De [Y]. [geïntimeerde] heeft zich in hoger beroep aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank over het causaal verband. Volgens hem is de motivering van de rechtbank “toereikend”. [geïntimeerde] heeft ook geen andere dan door de rechtbank in aanmerking genomen feiten en argumenten aangevoerd ter onderbouwing van het bestaan van causaal verband.

15. Het hof stelt voorop dat stelplicht en bewijslast betreffende het bestaan van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [appellant] en de door [geïntimeerde] geleden schade in beginsel op [geïntimeerde] rusten. Wanneer echter door het onrechtmatig handelen van [appellant] een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan [appellant] om te stellen en te bewijzen - waarbij aannemelijk maken volstaat - dat de schade ook zonder zijn onrechtmatige handelen zou zijn ontstaan.

16. Het hof stelt vast dat de rechtbank de in rechtsoverweging 15 geformuleerde (omkerings)regel over stelplicht en bewijslast ook heeft toegepast. Dat het (enkele) exploiteren van een hennepkwekerij leidt tot een verhoogd risico op brandstichting, heeft de rechtbank niet overwogen. Het is door [geïntimeerde] ook niet aangevoerd, noch in eerste aanleg noch in hoger beroep. De grief berust in zoverre op een verkeerde lezing van het vonnis. De rechtbank heeft het verhoogd risico op brandgevaar verbonden aan de vanwege de hennepkwekerij aangebrachte illegale aansluiting op het elektriciteitsnetwerk. Het hof is, met de rechtbank en met [geïntimeerde], van oordeel dat het exploiteren van een hennepkwekerij van deze omvang met manipulatie van de elektriciteitsaansluiting leidt tot een verhoogd risico op brandgevaar juist vanwege het manipuleren van de elektriciteitsaansluiting. [appellant] heeft dat in zijn toelichting op de grief overigens ook niet gemotiveerd weersproken. Dit oordeel vindt ook ondersteuning in een verklaring van [een medewerker van Essent] van Essent in het proces-verbaal (blz. 211) dat het manipuleren van de installatie leidt tot een verhoogd risico op brandgevaar:

“Manipulatie aan de installatie of het clandestien verzwaren van de hoofdbeveiliging betekent, dat er bij overbelasting of kortsluiting een te trage of zelfs geen veilige afschakeling plaatsvindt. Dat levert verhoogd brandgevaar op en elektrocutie bij directe of indirecte aanraking, zoals bij bluswerkzaamheden.”

17. Nu vaststaat dat de elektriciteitsinstallatie in de woning is gemanipuleerd en brand is ontstaan in de woning, is het causaal verband tussen het manipuleren van de elektriciteitsaansluiting in een woning die voor de hennepteelt wordt gebruikt naar het oordeel van het hof gegeven. [appellant] dient dan ook te bewijzen

- in de zin van aannemelijk te maken - dat de brand ook zou zijn ontstaan wanneer geen sprake was geweest van een hennepkwekerij met (bijbehorende) gemanipuleerde elektriciteitsmeter. Dat betekent dus dat vastgesteld moet worden of de brand verband hield met het manipuleren van de elektriciteitsinstallatie.

18. [appellant] heeft aangevoerd dat de brand niet veroorzaakt is door een defect aan of door kortsluiting in de elektrische installatie maar door brandstichting. Dat betoog vindt naar het oordeel van het hof steun in het technisch onderzoek dat deel uitmaakt van het door [appellant] overgelegde proces-verbaal. De conclusies van dat technisch onderzoek luiden als volgt (pag. 90-91):

“Uit het door ons ingestelde onderzoek concluderen wij:

- dat voor de brand geen hang- en sluitwerk is geforceerd;

- dat een technische oorzaak van de brand is uit te sluiten;

- dat er een aardolieproduct zoals diesel is aangetroffen op een bank in de hal;

- dat er een aardolieproduct zoals petroleum of diesel is aangetroffen op de trap;

- dat er een aardolieproduct is aangetroffen zoals diesel, op de vloer van de linker kamer

op de 1e verdieping;

- dat er sprake is geweest van brandstichting waarbij gebruik is gemaakt van

brandversnellende middelen;

- dat nagenoeg de gehele woning als hennepplantage was ingericht;

- dat ten behoeve van deze hennepplantage stroom voor de kilowattuurmeter werd afgetapt;

- dat er nagenoeg geen kostbare apparatuur zoals voorschakel apparaten, slakkenhuis-

ventilatoren en assimilatielampen in de woning aanwezig waren.”

[geïntimeerde] heeft dit betoog van [appellant] niet inhoudelijk weersproken. Bovendien heeft de zoon van [geïntimeerde] blijkens het proces-verbaal (blz. 133) aangifte gedaan van opzettelijke brandstichting. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] bewezen, in de zin van aannemelijk gemaakt, dat de brand niet is ontstaan door het gemanipuleer met de elektriciteitsinstallatie en dient te worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [appellant] dat de brand door brandstichting is veroorzaakt.

19. [geïntimeerde] heeft niet - ook niet naar aanleiding van het door [appellant] alsnog in het geding gebrachte proces-verbaal - gesteld dat de brand is gesticht door [Y] of door iemand anders die betrokken is geweest bij de hennepteelt in de woning. Indien [geïntimeerde] al heeft willen aanvoeren dat ook wanneer de brand is veroorzaakt door brandstichting, er toch sprake is van causaal verband tussen de brand en het ter beschikking van de woning door [appellant] aan [Y] voor de hennepteelt

- de summiere stellingen van [geïntimeerde] wijzen overigens niet in die richting - heeft hij deze stelling volstrekt onvoldoende onderbouwd.

20. De slotsom is dat het bestaan van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [appellant] en de brand in de woning niet vaststaat. Dat betekent niet alleen dat grief IV slaagt, maar ook dat de vorderingen van [geïntimeerde] op [appellant] niet toewijsbaar zijn.

21. Bij deze uitkomst kunnen de grieven V tot en met VII in het principaal appel en de grieven in het incidenteel appel, die alle betrekking hebben op de omvang van de schade, onbesproken blijven. Grief VIII in het principaal appel, die zich keert tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten faalt.

Slotsom

22. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter d.d. 28 juni 2007 bekrachtigen, het eindvonnis van de rechtbank vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de aan de zijde van [appellant] gevallen proceskosten in eerste aanleg (geliquideerd salaris van de advocaat in 2 punten, tarief III ) en in hoger beroep (1 punt, tarief III, voor het principaal appel en 1 punt, tarief III, voor het incidenteel appel). Het hof tekent hierbij aan dat het geen rekening houdt met de door [geïntimeerde] genomen akte na tussenarrest van 9 februari 2010, nu deze akte het gevolg is van de onachtzaamheid van (de advocaat van) [geïntimeerde], de antwoordakte van 2 november 2010, nu het hof het daarin verwoorde processuele standpunt van [appellant] heeft verworpen en de antwoordakte van 12 april 2011, nu bij deze akte stukken in het geding zijn gebracht die [appellant] ten onrechte niet eerder in het geding heeft gebracht).

23. De vordering van [appellant] tot veroordeling van [geïntimeerde] in de nakosten is toewijsbaar als in het dictum omschreven.

24. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen hij op grond van het vernietigde vonnis heeft betaald, is eveneens toewijsbaar. De wettelijke rente is, nu [geïntimeerde] vanaf het moment van betaling aan hem in verzuim verkeert (vgl. Hoge Raad 19 mei 2000. LJN: AA5863, NJ 2000, 603), verschuldigd vanaf de datum van de betaling door [appellant] aan [geïntimeerde].

De beslissing:

Het gerechtshof:

- bekrachtigt het vonnis van rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer d.d. 28 juni 2007;

- vernietigt het vonnis van de rechtbank van 31 oktober 2007,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen, voor de procedure in eerste aanleg op nihil aan verschotten en op € 1.158,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat en voor de procedure in hoger beroep op € 630,44 aan verschotten, op

€ 2.316,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat en op € 131,00 voor nasalaris van de advocaat, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na de dag van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening en met € 68,00 voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen 14 dagen na deze uitspraak aan de uitspraak is voldaan en betekening heeft plaatsgevonden;

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen hetgeen [appellant] aan [geïntimeerde] heeft betaald op grond van het vernietigde vonnis van 31 oktober 2007, vermeerderd met de wettelijke rente over hetgeen betaald is vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, J.H. Kuiper en H. de Hek, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 november 2011 in bijzijn van de griffier.