Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU2909

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
31-10-2011
Zaaknummer
200.080.332/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ernstige strijd tussen de ouders. Omgangsregeling tijdelijk geschorst.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 247
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2012/4 met annotatie van M.M. Schouten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 18 oktober 2011

Zaaknummer 200.080.332

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. T.H. Dijkstra, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H.E.J.M. van Stiphout, kantoorhoudende te Helmond,

Belanghebbende:

Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 13 oktober 2010 heeft -onder meer en voor zover hier van belang- de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 2002], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 2007], vastgesteld.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 13 januari 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 13 oktober 2010 te vernietigen voor zover het de zorgregeling betreft en opnieuw beslissende, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de omgang af te wijzen, en subsidiair een deskundige aan te wijzen, waarbij wordt bepaald dat de kosten voor rekening van de Staat komen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 21 april 2011, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht het hoger beroep ongegrond te verklaren en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 22 april 2011, heeft BJZ het verzoek van de moeder bestreden en verzocht het hoger beroep te verwerpen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 9 maart 2011 met bijlagen en een brief van 10 augustus 2011 met bijlagen (nogmaals binnengekomen bij brief van 19 augustus 2011) van mr. Dijkstra. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van een brief van 18 juli 2011 (inhoudende een verzoek tot aanhouding van de zaak) en 28 juli 2011 van mr. Van Stiphout en een brief van 26 juli 2011 van mr. Dijkstra.

Ter zitting van 25 augustus 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door mr. J.J.T. van Stiphout. Namens BJZ zijn mevrouw Van der Hoef (de gezinsvoogd) en mevrouw Stuit, en namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is de heer H. van 't Hof verschenen. BJZ heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. De ouders zijn op 23 november 2006 met elkaar gehuwd. Uit de voorhuwelijkse relatie is [kind 1] geboren. [kind 2] is tijdens het huwelijk geboren.

2. De moeder heeft in haar inleidend verzoek de rechtbank verzocht om de echtscheiding uit te spreken, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen en een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen. Zij heeft later nog een aanvullend verzoek ingediend. De vader heeft verweer gevoerd.

3. Bij beschikking van de rechtbank van 10 maart 2010 is de echtscheiding uitgesproken tussen partijen. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4. De rechtbank heeft haar beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling aangehouden in verband met een raadsonderzoek. De rechtbank heeft in haar beschikking van 13 oktober 2010 de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald en een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen. Het hoger beroep van de moeder richt zich uitsluitend tegen de vastgestelde zorgregeling.

5. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Voorts is nog van belang dat de kinderen sinds 12 juli 2010 onder toezicht van BJZ zijn gesteld.

De standpunten

6. De moeder is het -zakelijk weergegeven- niet eens met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de kinderen. Volgens haar diende BJZ dit te regelen. Bovendien is zij van mening dat BJZ het verloop van de contacten tussen de vader en de kinderen ten onrechte niet heeft geëvalueerd. De moeder vindt dat het vastleggen van een zorgregeling niet in het belang van de kinderen is, omdat de contacten te belastend zijn voor de kinderen.

7. De vader is van mening dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden. Hij verwijst voorts naar het vonnis van 7 maart 2011 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector civiel recht, locatie Zwolle, waarin zijn verzoek, om ter nakoming van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling een dwangsom aan de moeder op te leggen, is toegewezen.

8. BJZ heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat de raad een gedegen onderzoek heeft verricht naar de contacten tussen de vader en de kinderen en dat daaruit geen belemmeringen naar voren zijn gekomen. Volgens BJZ is het de moeder die de contacten afhoudt en niet bereid is om mee te werken. BJZ heeft verder naar voren gebracht dat er zorgen zijn over de kinderen, omdat zij door de aanhoudende strijd tussen de ouders last hebben van loyaliteitsgevoelens. Volgens BJZ is de reden dat er geen evaluatie van de contacten tussen de vader en de kinderen heeft plaatsgevonden dat de moeder vóór het vonnis in kort geding van 7 maart 2011 voornamelijk aan het strijden was om de zorgregeling geen doorgang te laten vinden. Voor BJZ is het nog onduidelijk gebleven wat de gevoelens zijn van de kinderen in het contact met hun vader en in hoeverre deze gevoelens zijn ingegeven door de conflicten tussen de ouders.

De overwegingen van het hof

9. Gelet op de stukken en de behandeling ter zitting overweegt het hof het volgende.

10. De rechtbank heeft haar beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling aangehouden om door middel van een raadsonderzoek meer duidelijkheid te krijgen. In het raadsrapport van 9 februari 2010 staat dat het erg belangrijk is dat de vader en de moeder tot goede afspraken komen over een rustige en goed lopende zorgregeling. Geconstateerd is dat, naarmate het gedrag van [kind 1] en [kind 2] gedurende de moeizaam lopende zorgregeling steeds dramatischer vormen begon aan te nemen, de ouders elkaar bleven aanwijzen als oorzaak. Daarnaast heeft de raad geconstateerd dat het vertrouwen van de kinderen en van de moeder is geschaad doordat de vader tweemaal aan het eind van een omgangsweekend de kinderen weigerde terug te brengen naar de moeder. Daarna heeft de moeder geweigerd de kinderen aan de vader mee te geven, waarna de vader de politie heeft ingeschakeld. Uiteindelijk bleek het voor de raad niet mogelijk om tot een afronding van het onderzoek te komen doordat beide ouders telkens hun eigen voorwaarden stellen en het op dat moment niet lukte om contact met de moeder te krijgen.

11. Uit het raadsrapport van 16 juni 2010 blijkt dat een raadsonderzoeker en een gedragsdeskundige een gesprek hebben gevoerd met beide ouders (in bijzijn van hun advocaten) om te bespreken dat het in het belang van de kinderen is om na een scheiding contact te houden met beide ouders. Tevens is uitleg gegeven over een loyaliteitsconflict waarin kinderen terecht kunnen komen in geval van een conflictueuze echtscheiding, waardoor kinderen onder grote emotionele spanning kunnen komen te staan. De ouders begrepen dat dit in hun situatie het geval is. Ook tijdens dit gesprek raakten beide ouders meerdere malen in een twistgesprek. De raad heeft in een later stadium twee begeleide proefcontacten georganiseerd. Deze contacten tussen de vader en de kinderen zijn heel goed verlopen. Beide kinderen reageerden heel natuurlijk op hun vader, afgezien van een zekere geremdheid bij [kind 1]. De raad heeft in zijn rapport geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder te bepalen en heeft het wenselijk geacht om gefaseerd toe te werken naar een onbegeleide zorgregeling tussen de vader en de kinderen. Ook tijdens dit raadsonderzoek is gebleken dat de ouders de kinderen niet kunnen vrijwaren van de ernstige loyaliteitsproblemen waar zij mee worstelen. De ouders beschuldigen elkaar van agressief gedrag en het zijn van een ongeschikte opvoeder. De kinderen worden volgens de raad ernstig bedreigd in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderen zijn in 2009 met hun moeder verhuisd van Brabant naar Overijssel. Hun vader is vervolgens grotendeels uit hun leven verdwenen en de daarna opgestarte zorgregeling heeft voor zeer veel ruzies en problemen gezorgd. De ouders zijn onmachtig om deze bedreiging weg te nemen doordat zij te zeer bezig zijn met hun eigen problemen en conflicten. Hulpverlening komt door eisen, standpunten en weigering van de ouders onvoldoende tot stand. Ondanks dat de rechtbank had bepaald dat de ouders zich dienden te houden aan de aanwijzingen van de raad, heeft de moeder geweigerd mee te werken aan onbegeleid contact. De raad achtte het gelet op de starre houding van de ouders niet aannemelijk dat een door de rechtbank opgelegde zorgregeling goed zal verlopen. De raad heeft naast een verder uit te breiden zorgregeling tussen de vader en de kinderen, hulpverlening in de vorm van een ondertoezichtstelling geadviseerd om de bedreiging van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] weg te nemen, althans te verminderen.

12. Gebeken is dat BJZ in het kader van de ondertoezichtstelling onvoldoende zicht en grip heeft gekregen op de thuissituatie in het gezin van de moeder en op de ontwikkeling van de kinderen. Ter zitting heeft BJZ aangegeven dat de moeder sinds het vonnis in kort geding wel haar medewerking verleent aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling en tevens aan de zorgregeling tussen de vader en de kinderen. Echter de strijd tussen de ouders is juist verergerd in plaats van verbeterd. Het lijkt erop dat [kind 1] en [kind 2] niet meer naar de vader toe willen omdat ze bang zijn dan niet meer bij de moeder terug te komen. Het lukt BJZ niet om de strijd te keren. Over en weer worden er door de ouders aangiftes gedaan en dienen er rechtszaken. Voorts belasten de ouders de kinderen met hun eigen beleving van de contactmomenten. Daarnaast hebben zich in de afgelopen periode meerdere ernstige incidenten voorgedaan. De moeder heeft de kinderen (op advies) bij de vader laten ophalen in een politiebusje en een andere keer hebben schermutselingen en bedreigingen plaatsgevonden tijdens een overdrachtmoment. Tevens worden door de ouders en hun partners tijdens overdrachtmomenten film- en geluidsopnamen gemaakt. De kinderen lopen door de immense strijd tussen de ouders ernstige schade op in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. In het kader van de verlengingszitting van de ondertoezichtstelling heeft de rechtbank opnieuw een raadsonderzoek gelast om te kijken naar de effectiviteit van de ondertoezichtstelling. Tevens zullen ook -in het belang van de kinderen- andere opties worden onderzocht. BJZ is van mening dat de zorgregeling tussen de vader en de kinderen -in afwachting van de uitkomsten van het raadsrapport- wel dient plaats te vinden, maar dan op neutraal terrein en begeleid.

13. Duidelijk is geworden dat beide ouders op verschillende momenten de hakken in het zand zetten, waardoor zij het elkaar onmogelijk maken om tot een normale communicatie te komen. Het is zeer schrijnend dat zij hierbij de belangen van de kinderen uit het oog verliezen. Ter zitting is gebleken is dat de vader niet mee wilde werken aan psychologische hulp voor de kinderen (wat de reden daar ook van zij) en dat de moeder een procedure tot het verkrijgen van vervangende toestemming heeft moeten opstarten, terwijl de kinderen door de voortdurende strijd tussen hun ouders dringend hulp nodig hebben.

14. Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen en hun veiligheid ernstig in het gedrang is gekomen door de verergerde strijd tussen de ouders en alle daaruit voortvloeiende escalaties, en acht daarom schorsing van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen voor de duur van het raadsonderzoek noodzakelijk. Ter zitting is dit reeds medegedeeld. Het hof acht de zorgregeling onder de huidige omstandigheden te belastend voor de kinderen. Zij lijden zeer onder de aanhoudende conflicten tussen de ouders, waardoor zij ernstig klem zijn komen te zitten. Het hof gaat er van uit dat er door het nieuwe raadsonderzoek meer duidelijkheid over de belangen van de kinderen en de rol van de ouders zal komen. Ter zitting heeft de raad nog aangegeven dat er sprake is van een groot dilemma in de onderhavige zaak, omdat het probleem bij de ouders ligt en zij aan de slag moeten gaan om dit probleem op te lossen. Het hof sluit zich hier volledig bij aan. Teneinde een goed beeld te kunnen verkrijgen in het kader van het raadsonderzoek zal het hof de mogelijkheid aan de raad en BJZ laten om in het kader van dit brede onderzoek begeleide contacten tussen de vader en de kinderen te organiseren en dit contact op een neutrale plek te laten plaatsvinden.

15. Mede gelet op de steeds wisselende houding van beide ouders en het lopende raadsonderzoek heeft het hof mediation of een ouderschapsonderzoek onder de huidige omstandigheden niet in het belang van de kinderen geacht.

Slotsom

16. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat het recht van de vader op contact met de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2002], en [kind 2], geboren [in 2007], tijdelijk wordt geschorst;

bepaalt dat, in afwijking van het voorgaande, aan de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg wordt overgelaten of het in het kader van het brede raadsonderzoek wenselijk is om een aantal begeleide contacten tussen de vader en de kinderen op een neutrale plaats te organiseren;

draagt de Raad voor de Kinderbescherming op het hof zo spoedig mogelijk te adviseren na afronding van het lopende raadsonderzoek, doch uiterlijk vóór 1 april 2012;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de zaak opnieuw zal worden behandeld op een nader vast te stellen zitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

De beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en H. van Lokven-van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 oktober 2011 in bijzijn van de griffier.