Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU2900

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
31-10-2011
Zaaknummer
200.053.408/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ne bis in idem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 18 oktober 2011

Zaaknummer 200.053.408

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.H.I.M. Pierik, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.L.J.M. Kersten, kantoorhoudende te Apeldoorn.

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de inhoud van het tussenvonnis van 11 maart 2009 en de beschikking van 6 oktober 2009, beide van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, zoals bij partijen bekend.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 30 december 2009, heeft de vrouw verzocht het vonnis van 11 maart 2009 en de beschikking van 6 oktober 2009 te vernietigen, en opnieuw beslissende de man te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag ad € 9.675,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.451,25 althans een zodanig bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

Bij verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, binnengekomen bij de griffie op 23 maart 2010, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden en verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep dan wel haar grieven te verwerpen, en

II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man in eerste aanleg en in hoger beroep waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de door het hof te geven beschikking en, indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te rekenen vanaf de datum van die beschikking, althans van de veertiende dag na de datum van die beschikking tot aan de dag der algehele voldoening alsmede voor nakosten met een bedrag van € 131,- dan wel, indien betekening van die beschikking plaatsvindt, van € 199,- vermeerderd met wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van die beschikking, althans vanaf de veertiende dag na de datum van die beschikking tot aan de dag van algehele voldoening.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 3 mei 2010, heeft de vrouw het verzoek in het voorwaardelijk incidenteel beroep bestreden.

Ter zitting van 9 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw en de man en hun advocaten. Mr. Kersten heeft het woord gevoerd aan de hand van de ter zitting van het hof overgelegde pleitaantekeningen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn gehuwd geweest, uit welk huwelijk [kind 1] [in 1992] en [kind 2] [in 1996] zijn geboren.

2. Bij beschikking van 7 juni 2000, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 27 juni 2000, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3. Bij convenant, gesloten op 13 september 2000, zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2000 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw zal betalen van fl. 250,- per kind per maand.

4. Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 19 februari 2007, heeft de vrouw verzocht om de door de man te betalen kinderalimentatie te bepalen op € 130,- per kind per maand. De man heeft in die procedure geen verweer gevoerd.

5. Bij beschikking van 5 juni 2007 is op het voornoemde verzoek van de vrouw beslist en is de door de man te betalen kinderalimentatie gewijzigd en met ingang van de datum waarop het verzoekschrift bij de rechtbank is binnengekomen, te weten 19 februari 2007, bepaald op € 130,- per kind per maand. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

6. Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 27 november 2007, heeft de man verzocht om de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van

19 februari 2007 op nihil te stellen en voorts de kinderalimentatie tot aan de datum van wijziging te bepalen op hetgeen reeds door hem is voldaan.

7. In haar verweerschrift tegen het verzoek van de man heeft de vrouw verzocht om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans zijn verzoek af te wijzen. Tevens heeft de vrouw in die procedure bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht om te bepalen dat de man aan haar nog verschuldigd is een bedrag van in totaal ca. € 5.384,- als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] over de periode van februari 2005 tot en met februari 2007.

8. Bij beschikking van 22 mei 2008 is op voormelde verzoeken van de man en de vrouw beslist en is de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van

1 januari 2008 op nihil gesteld en is het zelfstandig verzoek van de vrouw afgewezen. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

9. Vervolgens heeft de vrouw bij dagvaarding van 22 december 2008 gevorderd de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 9.675,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2006 tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad. € 1.451,25, althans een zodanig bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

10. Bij het bestreden vonnis van 11 maart 2009 is beslist dat de procedure niet met een dagvaarding maar met een verzoekschrift had moeten worden ingeleid, en is - met toepassing van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.)

- zakelijk weergegeven- bepaald dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De vrouw is hiertegen in hoger beroep gekomen.

11. De vrouw heeft vervolgens bij verzoekschrift van 9 april 2009 - zakelijk weergegeven - verzocht om te bepalen dat de man is gehouden ter zake van kinderalimentatie ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] te voldoen een bedrag van € 9.675,-, zijnde de verschuldigde kinderalimentatie over de periode 16 februari 2005 tot en met 19 februari 2007, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2006 tot en met de dag van algehele voldoening.

12. Bij de bestreden beschikking van 6 oktober 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij niet nogmaals kan beslissen op dezelfde materie en heeft zij de vrouw daarom in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De vrouw is hier tegen in hoger beroep gekomen.

De ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep tegen het vonnis van

11 maart 2009

13. Op grond van artikel 69 Rv., tweede lid, beveelt de rechter, indien de procedure is ingeleid met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding of met een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift, dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure respectievelijk de verzoekschriftprocedure. De rechter verwijst zo nodig naar een andere kamer. Op grond van artikel 69 Rv., vijfde lid, staat tegen een beslissing ingevolge het eerste en tweede lid van dat artikel geen hogere voorziening open.

14. In beginsel geldt een appelverbod. De regels met betrekking tot doorbreking van het appelverbod zijn evenwel ook op artikel 69 Rv., vijfde lid, van toepassing. De vrouw stelt in haar hoger beroepschrift niet dat er sprake is van een van de gronden waarop het appelverbod doorbroken moet worden. Ook nadat het hof ter terechtzitting hierover gerichte vragen heeft gesteld, heeft de vrouw geen beroep gedaan op een van de doorbrekingsgronden.

15. Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep tegen het tussenvonnis van 11 maart 2009.

De ontvankelijkheid van de vrouw in haar inleidend verzoek

16. Het hof is van oordeel dat hetgeen de vrouw thans verzoekt dezelfde grondslag heeft als haar zelfstandig verzoek van 21 december 2007, te weten de vaststelling dat de man de over de periode van februari 2005 tot en met 19 februari 2007 verschuldigde kinderalimentatie, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan haar dient te voldoen, op welk verzoek bij beschikking van 22 mei 2008 reeds is beslist. Bij die beschikking is het verzoek van de vrouw immers afgewezen. De vrouw is niet tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen.

17. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat reeds op dit verzoek van de vrouw is beslist, zodat dit niet nogmaals aan de rechter kan worden voorgelegd.

18. Nu de vrouw geen appel heeft ingesteld tegen de beschikking van 22 mei 2008, waarbij haar verzoek is afgewezen, kan in het midden blijven of de beslissing juist was of niet. Het had op de weg van de vrouw gelegen om in hoger beroep te komen voor zover zij meende dat dat oordeel onjuist was.

19. Alhoewel het hof het inhoudelijk oordeel van de rechtbank zoals verwoord onder punt 17 onderschrijft, zal de bestreden beschikking toch worden vernietigd. Naar het oordeel van het hof is de vrouw wel ontvankelijk in haar verzoek doch dient dit te worden afgewezen.

20. Het hof ziet in het door de man met betrekking tot de proceskosten gestelde geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Derhalve zullen, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in beide instanties worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het tussenvonnis van 11 maart 2009;

vernietigt de beschikking waarvan beroep van 6 oktober 2009;

en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de vrouw af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in beide instanties draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, H. de Hek en

H. van Lokven-van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 oktober 2011 in bijzijn van de griffier.