Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU1394

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
TBS P10/0263
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het ontbreken van een geneeskundige verklaring voor een BOPZ-machtiging toch verlenging TBS maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS [nummer]

Beslissing d.d. 17 oktober 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [naam kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Breda van 29 april 2010, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het op 19 februari 2010 op grond van artikel 509o, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van [kliniek], strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar, alsmede de in dat artikel bedoelde aantekeningen;

- de aanvullende informatie van [kliniek] van 5 november 2010, met als bijlagen de wettelijke aantekeningen over het vierde kwartaal van 2009 en het eerste en tweede kwartaal van 2010;

- de brief van [kliniek] van 9 februari 2011 gericht aan het openbaar ministerie te Rotterdam;

- de brief van [kliniek] van 3 maart 2011 gericht aan het openbaar ministerie te Rotterdam, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over het vierde kwartaal van 2010;

- de brief van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 4 april 2011, opgemaakt door [getuige-deskundige 1], forensisch psychiater;

- de brief van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 22 juli 2011, opgemaakt door [deskundige 1], psychiater, Hoofd NIFP Rotterdam/Dordrecht;

- de processen-verbaal van de zittingen in beroep van 29 november 2010, 3 maart 2011, 16 mei 2011 en 15 augustus 2011;

- de tussenbeslissingen van het hof van 13 december 2010 en van 17 maart 2011.

Het hof heeft ter zitting van 3 oktober 2011 gehoord de raadsman van de terbeschikkinggestelde mr A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, de advocaat-generaal mr A.C.M. Welschen, de getuige-deskundige [getuige-deskundige 1] en de deskundige [deskundige 1].

Overwegingen:

Het advies van de kliniek

Uit het verlengingsadvies van 19 februari 2010 blijkt dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een waanstoornis (met name ontrouwwanen jegens zijn partner) en schizofrenie. De paranoïde waan is, ondanks de intensieve behandeling in de kliniek, met adequate toediening van medicatie, vrijwel ongewijzigd gebleven. De neiging tot achterdocht naar zijn vrouw is vrijwel onverminderd aanwezig, waardoor een kans op herhaling aanwezig is. Bovendien heeft de terbeschikkinggestelde geen enkel besef van of inzicht in zijn problematiek. De verwachting is dan ook dat levenslang extern toezicht noodzakelijk is door middel van plaatsing in een gesloten psychiatrische setting en controle van levenslange inname van medicatie. Geadviseerd wordt de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaren.

Getuige-deskundige [getuige-deskundige 2] heeft namens de kliniek ter zitting in eerste aanleg op 16 april 2010 verklaard dat het uiteindelijk de bedoeling is dat de terbeschikkinggestelde doorstroomt naar een reguliere GGZ.

In het aanvullend advies van 5 november 2010 wordt bij het verlengingsadvies gepersisteerd.

De tussenbeslissingen van het hof

Bij tussenbeslissing van 13 december 2010 heeft het hof de zaak aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een machtiging op grond van de Wet BOPZ te vorderen, onder de opschortende voorwaarde van onvoorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling. Uit het daaropvolgende onderzoek ter zitting op 3 maart 2011 is gebleken dat de voor een rechterlijke machtiging noodzakelijke geneeskundige verklaring niet bij een onafhankelijke psychiater is aangevraagd. Bij tussenbeslissing van 17 maart 2011 heeft het hof daarom de beslissing van 13 december 2010 gehandhaafd.

Bij brief van 4 april 2011 heeft forensisch psychiater [getuige-deskundige 1], verbonden aan het NIFP, verklaard niet bereid te zijn een geneeskundige verklaring af te geven. Het hof heeft daarom aanleiding gezien de zaak ter zitting van 16 mei 2011 opnieuw aan te houden en het openbaar ministerie wederom te vragen een machtiging BOPZ te vorderen. Daarbij is bepaald dat indien bij de volgende zitting van het hof mocht blijken dat wederom geen rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ zou zijn verstrekt de verantwoordelijke van het NIFP te Rotterdam als getuige-deskundige diende te worden gehoord.

Bij brief van 22 juli 2011 heeft [deskundige 1], psychiater en hoofd van het NIFP Rotterdam/Dordrecht, verklaard het hernieuwde verzoek van het openbaar ministerie voor het opmaken van een geneeskundige verklaring niet in behandeling te nemen.

Derhalve zijn zowel [getuige-deskundige 1] als [deskundige 1] opgeroepen teneinde ter zitting van het hof van 3 oktober 2011 als (getuige-) deskundigen te worden gehoord.

Het standpunt van de (getuige-) deskundigen

Blijkens zijn brief van 4 april 2011 is [getuige-deskundige 1], forensisch psychiater NIFP Rotterdam, van oordeel dat de begeleiding binnen de TBS-kliniek op dit moment optimaal lijkt en dat het door de kliniek voorgestelde gefaseerde plan prima lijkt toegesneden op de terbeschikkinggestelde. Een rechterlijke machtiging en opname in de psychiatrie zou als nadelen kennen: een plotselinge en niet gefaseerde overgang waardoor de terbeschikkinggestelde ontregeld raakt, hetgeen hij vanuit zijn paranoïdie ook weer als een politiek spelletje ervaart; een setting, waarin het personeel de terbeschikkinggestelde moet leren kennen, en men, ondanks verslaglegging uit de kliniek, zijn pathologie misschien onvoldoende herkent en waar de terbeschikkinggestelde zal trachten zijn pathologie te verbergen; een veel minder dwingend kader voor het toedienen van medicatie, immers bij de huidige toestand van de terbeschikkinggestelde zal bij weigering van de terbeschikkinggestelde binnen een BOPZ-kader de medicatie niet snel gecontinueerd worden; de geringere focus die er ligt op recidivepreventie binnen een BOPZ-kader en de grotere kans op recidive door het zich gemakkelijker kunnen onttrekken aan behandeling binnen een rechterlijke machtiging dan binnen een TBS-kader. De psychiater is daarom van mening dat een rechterlijke machtiging en opname in de psychiatrie nog te gevaarlijk is. Daarom dient de door de kliniek voorgestelde gefaseerde overgang naar de GGZ geleidelijk en nog onder de paraplu van de TBS plaats te vinden. Een geneeskundige verklaring wordt daarom niet door hem af gegeven.

Ter zitting van het hof op 3 oktober 2011 is [getuige-deskundige 1] als getuige-deskundige gehoord en heeft hij bij zijn standpunt volhard. Deskundige [deskundige 1], hoofd NIFP Rotterdam/Dordrecht, die eveneens op voornoemde zitting is gehoord, heeft het standpunt van [getuige-deskundige 1] onderschreven.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Er is door het openbaar ministerie meermalen getracht een geneeskundige verklaring te verkrijgen. Er is echter geen psychiater bereid gevonden voornoemde verklaring af te geven. Daardoor rest er niets anders dan een verlenging van de maatregel. Indachtig de expiratiedatum, 17 april 2010, dient de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar te worden verlengd.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De opdrachten die door het hof zijn gegeven, zijn genegeerd. Verzocht wordt daarom een contraire beslissing te nemen en de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af te wijzen. Een afwijzing van de vordering maakt mogelijk dat er wel een rechterlijke machtiging zal worden verleend.

Het oordeel van het hof

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het hof tot een andere beslissing komt.

De terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging werd bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 24 januari 2006 opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten: poging tot moord.

Het hof heeft de onderhavige zaak meermalen aangehouden teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen een machtiging op grond van de Wet BOPZ te vorderen en daartoe een medische verklaring te laten afgeven. Deze pogingen zijn echter vruchteloos gebleken daar de door de officier van justitie benaderde psychiater van het NIFP de vereiste geneeskundige verklaring niet heeft afgegeven. Wat er ook zij van de vraag of deze psychiater binnen het toetsingskader van de Wet BOPZ al dan niet terecht geen medische verklaring heeft afgegeven, een overgang van de terbeschikkinggestelde naar de GGZ zoals door het hof wordt voorgestaan is thans, mede gelet op de door de deskundigen [getuige-deskundige 1] en [deskundige 1] genoemde bezwaren, feitelijk niet te realiseren. Een contraire beëindiging van de terbeschikkingstelling – zoals door de raadsman bepleit – zonder dat voornoemde machtiging is verleend, acht het hof echter onverantwoord. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de stoornis van de terbeschikkinggestelde en het daarmee samenhangende recidiverisico – ondanks behandeling en medicatie – nog steeds (vrijwel) onverminderd aanwezig is. Het hof is daarom van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

Het hof is van oordeel dat in beginsel verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar is geïndiceerd. Echter, gelet op het tijdsverloop dat gemoeid is geweest met de pogingen van het hof een machtiging op grond van de Wet BOPZ te verkrijgen kan – met het oog op de formele expiratiedatum – het hof niet anders dan de maatregel verlengen met een termijn van twee jaar. Daarbij wordt opgemerkt dat het hof het van belang blijft vinden dat de terbeschikkinggestelde zo spoedig mogelijk overgaat naar een instelling binnen de reguliere geestelijke gezondheidszorg en dat de kliniek daartoe inspanningen blijft verrichten.

Over het reeds genoemde tijdsverloop overweegt het hof ambtshalve nog dat in het onderhavige geval van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep meer dan 6 maanden na het instellen van het beroep voor het eerst op zitting behandeld en komt het hof heden pas tot een beslissing. Het hof is van oordeel dat voornoemde vaststelling in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Breda van 29 april 2010 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr E. van der Herberg als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr P.H.A.J. Cremers als raadsheren,

en drs. R. Vecht-van den Bergh en drs. R. Poll als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 17 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.