Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BU1373

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
21.003437-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeregeldheden Culemborg

Veroordeling wegens poging doodslag op [C]. Vrijspraak poging doodslag/poging zware mishandeling (met voorbedachten rade) op [A] en/of [B].

Het kan niet anders zijn dan dat verdachte door toen en daar zo met een auto en met die snelheid op [C] in te rijden wetens en willens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat zou leiden tot een voor [C] dodelijke aanrijding.

Het kan goed zijn dat doordat er (na het inrijden op [C]) met stenen naar de auto werd gegooid en doordat de auto ook werd geraakt door die stenen, dat de voorruit in aanzienlijke mate werd beschadigd en het zicht behoorlijk werd belemmerd, in de auto een panieksituatie is ontstaan. Dat zal dan van grote, in dit opzicht relevante, invloed zijn geweest op de geestesgesteldheid van verdachte en de mogelijkheden van verdachte om die auto verder nog naar behoren te besturen. Hiervan uitgaande kan niet worden bewezen dat van enige vorm van opzet op het doden dan wel zwaar verwonden van [A] en [B] sprake is.

Verwerping beroep op noodweer(exces) en overmacht

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003437-10

Uitspraak d.d.: 25 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

28 september 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 april 2011, 17 augustus 2011 en 11 oktober 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr A.S. van der Biezen, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep van verdachte

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat voor de verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaren.

Nu het openbaar ministerie (eveneens) -onbeperkt- in hoger beroep is gekomen, is het onder 2 tenlastegelegde wel aan de orde in hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

Primair

hij op of omstreeks 1 januari 2010 in de gemeente Culemborg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [A] en/of [B]en/of [C] en/of een of meer ander(en) van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, als bestuurder van zijn, verdachtes, auto, meerdere malen, althans eenmaal, vol gas, althans met (hoge) snelheid op die [A] en/of die [B] en/of die [C] en/of die andere perso(o)n(en) is ingereden, althans in de richting van die [A] en/of die [B] en/of die [C] en/of die andere perso(o)n(en) is gereden, waardoor die [A] en/of die [B] werden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 januari 2010 in de gemeente Culemborg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [A] en/of [B] en/of [C] en/of een of meer ander(en) van het leven te beroven, opzettelijk als bestuurder van zijn, verdachtes, auto, meerdere malen, althans eenmaal, vol gas, althans met (hoge) snelheid op die [A] en/of die [B] en/of die [C] en/of die andere perso(o)n(en) is ingereden, althans in de richting van die [A] en/of die [B] en/of die [C] en/of die andere perso(o)n(en) is gereden, waardoor die [A] en/of die [B] werden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 1 januari 2010 te Culemborg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [A] en/of [B] en/of [C] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk als bestuurder van zijn, verdachtes, auto, meerdere malen, althans eenmaal, vol gas, althans met (hoge) snelheid op die [A] en/of [B] en/of [C] is ingereden, althans in de richting van die [A] en/of [B] en/of [C] is gereden, waarbij/waardoor die [A] en/of [B] werden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op of omstreeks 1 januari 2010 te Culemborg een busje traangas (CS Gas, merk Defenol), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1

Voor het primair tenlastegelegde, poging moord, is met betrekking tot alle drie in de tenlastelegging genoemde personen geen bewijs. Dat leidt tot vrijspraak daarvan. Dat is ook de conclusie van het Openbaar Ministerie en de verdediging. Er is geen bewijs voor een "(kort) tevoren genomen besluit" om deze mensen te doden.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van poging tot doodslag met betrekking tot alle drie in de tenlastelegging vermelde personen.

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het doden van, in tijdsvolgorde, eerst [C] en vervolgens [A] en [B] of een van hen.

Subsidiair is door de verdediging een beroep gedaan op noodweer c.q. noodweerexces, nu verdachte handelde als gevolg van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging gerechtvaardigd was en niet aannemelijk is dat verdachte in de gelegenheid was om op een andere manier te vluchten.

Meer subsidiair is door de verdediging een beroep gedaan op overmacht. Het rijgedrag van verdachte waarop dat verwijt zou zijn terug te voeren is steeds, in alle drie gevallen, -kort gezegd- veroorzaakt doordat hij in paniek raakte en de macht over zijn voertuig verloor.

Overweging vooraf

In de nacht van oud- op nieuw 2010 kwam het tot grote ongeregeldheden in Culemborg. Daarbij waren twee kampen te onderscheiden, enerzijds mensen met een Molukse en anderzijds mensen met een Marokkaanse achtergrond. Verdachte heeft een Marokkaanse achtergrond; [A], [B] en [C] bevonden zich in een straat met veel bewoners met een Molukse achtergrond. Veel van de getuigen die voor verdachte belastend hebben verklaard behoren tot deze groep. Verdachte woonde en woont elders in Culemborg.

[C]

De navolgende bewijsmiddelen, die elkaar in onderling verband versterken, zijn in dit verband van belang:

a. [C] heeft verklaard dat de auto van verdachte aan het begin van de [straat 1] even stilstond en dat de snelheid van de auto ongeveer drie meter voor de verkeersdrempel omhoog ging en dat de auto toen recht op hem af kwam. Hij stond op dat moment op de stoep op de kruising van de [straat 2] met de [straat 1]. Hij moest opzij springen om niet aangereden te worden. Hij viel en brak daarbij zijn middenhandsbeentje. De auto stopte pas nadat hij opzij was gesprongen.

b. Volgens [A] is het zo dat de auto, die met ongeveer 50 tot 60 kilometer per uur de richting van de Molukkers uitreed, even remde en vervolgens optrok richting [C]. Als deze niet opzij was gesprongen, was hij aangereden.

c. Volgens [B] reed de auto met piepende banden de straat in en met vol gas in op [C] en remde de auto pas nadat deze voorbij [C] was.

d. Het Verkeersongevallenrapport van 12 januari 2010 bevat een tekening met een remblokkeerspoor. Het hof leidt hieruit af dat de auto reeds in de richting van [C] reed voordat geremd werd en - in combinatie met de verklaringen over de plaats waar [C] stond - dat de auto tot stilstand is gekomen voorbij de plaats waar [C] had gestaan.

e. Volgens [getuige 1] stond hij buiten op straat. Hij zag een auto de [straat 1] in rijden. De auto gaf gas en reed op [C] af, die net op tijd weg kon springen.

f. [getuige 2] zag een auto rijden die eerst midden op straat reed en toen naar rechts stuurde naar de plek waar [C] stond, die opzij moest springen om niet geraakt te worden.

g. [getuige 3] heeft verklaard dat zij die nacht [C] aan de overkant van de straat zag staan. Ze hoorde achter haar een auto rijden. De auto gaf veel gas en reed een beetje slingerend. In de buurt van [C] reed de auto ineens recht op hem af. [C] sprong opzij, anders was hij onder de wielen van de auto gekomen.

Het hof bereikt de (tussen-) conclusies dat:

- [C] voor de auto die verdachte bestuurde moest wegspringen en

daarbij ten val is gekomen;

- [C] zich vóór dat wegspringen bevond rechts voor de auto (bezien vanuit de

rijrichting van die auto) en buiten de koers die de auto zou hebben gevolgd bij een normale voortzetting van de rit;

- verdachte al in de richting van [C] reed vóórdat hij remde.

Voor de koerswijziging van de auto in de richting van [C], zonder dat daarbij werd geremd, terwijl de snelheid van de auto niet aangepast was aan de situatie ter plaatse (een woonstraat, de nacht van oud op nieuw, op verschillende plekken mensen op straat) ontbreekt een aannemelijke en redelijke verklaring. Dat het inrijden op [C] het gevolg is geweest van paniek omdat er (toen al) stenen in de richting van de auto werden of waren gegooid, is niet aannemelijk geworden. Dit is zelfs in tegenspraak met hetgeen verdachte zelf heeft verklaard, te weten dat hij (pas) is gaan remmen op het moment dat hij een baksteen op de voorruit kreeg. Het remblokkeerspoor (zie hiervoor onder d) laat zien dat de dreiging die van het rijgedrag van verdachte voor [C] uitging toen al een feit was.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van poging doodslag op [C]. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte door toen en daar zo met een auto en met die snelheid op de laatste in te rijden wetens en willens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat zou leiden tot een voor [C] dodelijke aanrijding. Zo'n gevolg is onder die omstandigheden in het algemeen al te voorzien. Dat zulks voor verdachte anders zou liggen is niet aannemelijk geworden. Bij een en ander neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat verdachte als bestuurder van de auto waarin vijf personen zaten, met - onder de desbetreffende omstandigheden - hoge snelheid, na een plotselinge snelheidsvermeerdering en koersverandering op korte afstand van [C] die als voetganger op de hoek van de straat/stoep stond op deze is ingereden, terwijl op dat moment het zicht van verdachte niet (wezenlijk) werd belemmerd.

Van de hiervoor besproken bewijsmiddelen is het onder letter d vermelde rapport cruciaal. Daarop sluiten de hiervoor gereleveerde verklaringen van [C], [A], [B], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die in samenhang met elkaar in zoverre een consistent beeld geven, aan. Het verweer is dat op de verklaringen van deze getuigen niet mag worden afgegaan omdat zij onbetrouwbaar zouden zijn. In de verklaringen afkomstig van de groep van Molukse personen komt her en der voor dat er bij de rit die de auto maakte niet met stenen naar die auto zou zijn gegooid, terwijl het anders is geweest. Dat laatste, op zichzelf juist, heeft het hof gebracht tot grote behoedzaamheid bij de waardering van die verklaringen. Maar het raakt bedoelde verklaringen niet voor zover het gaat om het inrijden op [C] om de redenen die in het voorgaande besloten liggen.

[B] en [A]

Onder meer uit eerdergenoemd Verkeersongevalanalyse-rapport en uit de verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat verdachte vervolgens (na het inrijden op [C]) achteruit de [straat 2] is ingereden, daarna schuin vooruit tegen het tuinhek van [straat 1] [huisnummer] is aangereden, dat zich aan de linkerzijde van die straat bevindt bezien vanuit zijn oorspronkelijke rijrichting, vervolgens weer achteruit is gereden en wederom vooruit de tuin van [straat 1] [huisnummer] in en daar tot stilstand is gekomen op korte afstand van de voorgevel van dat huis. Net daarvoor heeft hij met zijn auto [A] en [B] geraakt.

Voor de vraag of verdachte met recht en reden kan worden verweten dat hij het opzet (de vorm van dat opzet kan vooralsnog in het midden blijven) heeft gehad om deze laatsten te doden dan wel zwaar te verwonden, is opnieuw van belang het verweer van verdachte dat hij in paniek is geraakt omdat er met stenen werd gegooid naar zijn auto. Verdachte zou hebben willen doorrijden, wegrijden, weg uit de [straat 1], maar dat was volgens hem niet mogelijk omdat er mensen op straat stonden.

Dat er met stenen is gegooid naar de auto van verdachte blijkt (ook) uit het Verkeersongevallenanalyserapport van 12 januari 2010, waaruit blijkt dat er een deuk in het rechtervoorportier van de auto zat, welke veroorzaakt is door een steen, dat zich op de vloer voor de passagiersstoel een klinker bevond en tussen de beide voorstoelen een deel van een trottoirtegel, alsmede dat van de beschadigingen aan de voorruit van de auto er twee steengruis/zand bevatten.

Het kan goed zijn dat daardoor, doordat er (op dat moment of kort daarvoor, maar na het inrijden op [C]) wél met stenen naar de auto werd gegooid en doordat de auto ook werd geraakt door die stenen, dat de voorruit in aanzienlijke mate werd beschadigd en het zicht behoorlijk werd belemmerd, in de auto inderdaad een panieksituatie is ontstaan. Dat zal dan van grote, in dit opzicht relevante, invloed zijn geweest op de geestesgesteldheid van verdachte en de mogelijkheden van verdachte om die auto verder nog naar behoren te besturen. Hiervan uitgaande kan niet worden bewezen dat van enige vorm van opzet op het doden dan wel zwaar verwonden van [A] en [B] sprake is. Voor deze bewijsvraag is niet van belang dat verdachtes rijgedrag kort daarvoor zo niet de oorzaak van dan toch een belangrijke factor is geweest bij de bedreiging die uitging van het feit dat er met (forse) stenen naar verdachtes auto werd gegooid en evenmin dat de sfeer in Culemborg op dat moment zo grimmig was dat verdachte moest weten dat hij, met zijn achtergrond, in de [straat 1] allesbehalve welkom zou zijn. Deze punten hebben immers niet van doen met bewuste gerichtheid van verdachtes gedragingen op de betreffende personen.

Het hof komt tot de slotsom dat het onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde voor zover dit ziet op [A] en [B] niet bewezen kan worden en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

Subsidiair

hij op 1 januari 2010 in de gemeente Culemborg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [C] van het leven te beroven, opzettelijk als bestuurder van zijn, verdachtes, auto, met (hoge) snelheid in de richting van die [C] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof verwerpt het beroep op noodweer(exces) en overmacht. Het hof verwijst daarbij naar hetgeen het hierboven heeft vastgesteld. Feiten die duiden op een ogenblikkelijke of onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding van verdachte vóór het moment waarop hij op [C] is ingereden zijn niet aannemelijk geworden. Ook feiten die duiden op een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand gevergd kon worden zijn niet aannemelijk geworden.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

De ernst van het bewezenverklaarde en de wijze waarop de poging tot doodslag is uitgevoerd, hebben of hadden een voor de rechtsorde schokkend karakter, zeker in de context van de spanningen die op dat moment in Culemborg bestonden tussen de Molukse en Marokkaanse gemeenschap waarbij er die avond al een reeks van ernstige incidenten was geweest. Ook los daarvan brengt gedrag zoals bewezen is verklaard in de samenleving in het algemeen, en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft ten voordele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat na dit gebeuren verdachte ter plekke ten prooi is gevallen aan grof geweld.

Ondanks het feit dat het hof verdachte heeft vrijgesproken van poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling (met voorbedachten rade) jegens [A] en [B], is het hof van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet kan worden volstaan met oplegging van een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd. Het hof rekent verdachte de poging tot doodslag ten opzichte van [C] daarmee zwaarder aan dan de rechtbank kennelijk heeft gedaan.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Hoewel zulks niet is gevorderd door het openbaar ministerie is het hof gelet op de ernst van het bewezenverklaarde van oordeel dat daarnaast ter bescherming van de verkeersveiligheid een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is. Het hof zal echter gelet op het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat verdachte zijn baan zou verliezen indien hij zijn rijbewijs kwijt zou raken, bepalen dat deze ontzegging voorwaardelijk wordt opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Het is niet opportuun om verdachte zo ingrijpend in zijn huidige maatschappelijk functioneren te treffen als met een, op zichzelf gerechtvaardigde, onvoorwaardelijke ontzegging het geval zou zijn.

Beslag

Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de veroordeelde toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 subsidiair begane feit aangetroffen. Het zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Of een busje waarom het gaat ook werkelijk traangas of een ander weerloos maken gas bevat is, zoals de rechtbank overwoog, dan misschien wel ongewis, maar het voorwerp is door zijn voorkomen geschikt voor bedreiging of afdreiging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een auto ([merk], [kenteken]).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een busje traangas Defenol CS.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr J.H.M. Zwinkels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 25 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr J.H.M. Zwinkels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.