Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT8916

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
Avnr 1080-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bevel gevangenneming ten onrechte verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

pkn: 05-731055-10

avnr: 001080-02

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door

{verdachte},

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende [verblijfplaats].

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 23 september 2011, houdende het bevel tot gevangenneming van verdachte.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen, in raadkamer van heden.

Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 26 september 2011.

OVERWEGINGEN:

In de onderhavige zaak heeft de Rechter-Commissaris in de rechtbank Arnhem op 17 december 2010 een bevel bewaring tegen verdachte verleend, waarbij de bewaring op dezelfde datum door de Rechter-Commissaris is geschorst. Bij beschikking van 24 augustus 2011 heeft de rechtbank Arnhem de schorsing van de bewaring opgeheven. Naar moet worden aangenomen is niet binnen de looptijd van de inmiddels weer tenuitvoergelegde bewaring niet de gevangenhouding van de verdachte gevorderd. De rechtbank heeft vervolgens op 21 september 2011 beslist dat geen rechtsgeldige titel voor vrijheidsbeneming van verdachte aanwezig was, aangezien de looptijd van het bevel bewaring was geëxpireerd op 6 september 2011. De verdachte is daarop, op 22 september 2011, in vrijheid gesteld. Nadien is, op vordering van de officier van justitie, bij beschikking van 23 september 2011 door de rechtbank de gevangenneming van verdachte bevolen.

Het hof is van oordeel dat dit bevel gevangenneming ten onrechte is verleend. Behoudens de voorziening die in artikel 66a van het Wetboek van Strafvordering is gegeven laat het stelsel van de wet geen ruimte voor het verlenen van een bevel gevangenneming ter reparatie van termijnverzuim bij de toepassing van voorlopige hechtenis, meer in het bijzonder niet van termijnverzuim bestaande uit het nalaten in aansluiting op de bewaring tijdig de gevangenhouding te vorderen. Op de bewaring mist het zo-even genoemde artikel 66a van het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk toepassing. Ten overvloede stelt het hof nog vast dat ook aan de overige in genoemd artikel genoemde voorwaarden niet is voldaan, meer in het bijzonder niet dat sprake is van een vermoedelijk begaan misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het vertrouwensbeginsel zich niet verzet tegen het (hernieuwd) bevel van voorlopige hechtenis, aangezien het, zoals de rechtbank overweegt, niet om het voor de tweede keer bevelen van de bewaring gaat, maar om de gevangenneming. Daarmee heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof een te beperkte uitleg gehanteerd van hetgeen uit beginselen van een behoorlijke procesorde voortvloeit, aangezien de wetstechnische benaming van het bevel voorlopige hechtenis bezwaarlijk als bepalend kan worden aangenomen ten aanzien van de werking van genoemde beginselen. Integendeel, als algemeen uitgangspunt dient bij de voorlopige hechtenis te gelden dat in beginsel, behoudens uit feiten en omstandigheden voorvloeiende nieuwe bezwaren, een verdachte, nadat enige vorm van voorlopige hechtenis is opgeheven of beëindigd, niet mag worden onderworpen aan hernieuwde vrijheidsbeneming in de vorm van voorlopige hechtenis ter zake van hetzelfde feit. Het bestaan van dergelijke nieuwe bezwaren kan in het onderhavige geval niet worden afgeleid uit het feit dat verdachte ter zake van andere strafbare feiten verdacht is geworden – en in verband waarmee de eerder genoemde schorsing van de bewaring is opgeheven – meer in het bepaald niet aangezien ter zake van die nieuwe feiten door de rechtbank, afzonderlijk, op 7 juli 2011 de gevangenhouding is bevolen.

De beschikking van de rechtbank dient daarom te worden vernietigd en de vordering gevangenneming van de officier van justitie zal worden afgewezen, aangezien de wet geen ruimte biedt voor toewijzing van die vordering.

Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 71 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep, wijst af de vordering tot gevangenhouding en heft op de voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Aldus gegeven op 5 oktober 2011 door mrs A.E. Harteveld, voorzitter, R.W. van Zuijlen en J.H.M. Zwinkels, raadsheren, in tegenwoordigheid van B.F. Peters, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.