Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT8871

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
11/00260 t/m 11/00264
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskosten.

Oplegging belastingaanslagen zeer onzorgvuldig. Hof kent vergoeding toe van de werkelijke proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2585
V-N 2011/66.27.12
FutD 2011-2543
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 11/00260 t/m 11/00264

uitspraakdatum: 11 oktober 2011

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 17 februari 2011, nummers AWB 09/1691 t/m 09/1695 in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn over de jaren 2005 tot en met 2008 vijf belastingaanslagen opgelegd. Daarbij is voorts heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De belastingaanslagen en beschikkingen heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken op bezwaar verminderd.

1.3. Hangende het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep hebben partijen met betrekking tot de belastingaanslagen en de beschikkingen heffingsrente een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierdoor is de rechtsstrijd van partijen in de procedure voor de Rechtbank beperkt gebleven tot het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de werkelijk door hem gemaakte proceskosten. De Rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende gedeeltelijk toegewezen en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van € 10.000.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op de onderhavige zaken betrekking hebben.

1.6. Partijen zijn bij aangetekend verzonden brieven van 18 augustus 2011 uitgenodigd voor een zitting op 29 september 2011.

1.7. Partijen hebben – belanghebbende bij faxbericht van 21 september 2011 – het Hof toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten. In verband hiermee heeft het Hof op 22 september 2011 het onderzoek op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

1.8. Op 23 september 2011 is nog een nader stuk van belanghebbende ingekomen bij het Hof. In aanmerking genomen dat dit stuk niet is ingediend overeenkomstig het bepaalde in – het aanvankelijk van toepassing zijnde – artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht en voorts is ingekomen nadat het Hof het onderzoek op de voet van artikel 8:57, derde lid, van die wet heeft gesloten, zal het Hof geen acht slaan op het desbetreffende stuk. Het geschrift geeft geen aanleiding tot heropening van het onderzoek.

2. Feiten

2.1. Voor de feiten verwijst het Hof naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.33 van de uitspraak van de Rechtbank. In die onderdelen heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij voor ‘eiser’ dient te worden gelezen belanghebbende en voor ‘verweerder’ de Inspecteur).

“2.1 Eiser is ondernemer voor de OB. Hij heeft sinds 1 november 2001 een eenmanszaak genaamd A. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de in- en verkoop van (gebruikte) personenauto’s.

2.2 Voor de jaren 2006, 2007 en 2008 heeft verweerder zogenoemde systeemaanslagen OB aan eiser opgelegd, in verband met het ontbreken van jaaraangiften. Voor de jaren 2005 en 2006 zijn aan eiser ambtshalve aanslagen IB/PVV 2005 en 2006 opgelegd, eveneens vanwege het ontbreken van aangiften.

2.3 In het kader van de landelijke actie ‘Toezicht auto’ van de Belastingdienst/FIOD-ECD is medio december 2008 een renseignement bij verweerder binnengekomen. Volgens dit renseignement is op naam van eiser in februari 2008 vanuit Duitsland een auto ingevoerd ter waarde van € 31.932.

2.4 Bij brief van 23 december 2008 is aan eiser aangekondigd dat er een boekenonderzoek zal plaatsvinden. Het doel van dit onderzoek is de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften OB over de jaren 2005 tot en met 2007. Tevens is in deze brief vermeld dat het om het onderzoek te bespoedigen nodig is dat de volledige administratie van de jaren 2005 tot en met 2007 op het controleadres aanwezig is.

2.5 De belastingadviseur van eiser heeft naar aanleiding van die aankondiging verzocht om eiser in staat te stellen de achterstand ten aanzien van de digitale verwerking van de administratie in te lopen, welk verzoek is gehonoreerd.

2.6 In het kader van het uit te voeren boekenonderzoek heeft de Belastingdienst een query opgevraagd bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW). Daaruit kwam naar voren dat over de periode 2005 tot 2008 in totaal 642 auto’s op eisers naam hebben gestaan. Verder heeft de Belastingdienst op 4 februari 2009 en 13 februari 2009 de internetsite van eiser geraadpleegd.

2.7 Op 2 maart 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser, zijn belastingadviseur B (verbonden aan het kantoor C) en D en E, controleambtenaren bij de Belastingdienst. Van dit gesprek is een ambtsedige verklaring opgemaakt. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

‘(…) Er is door mij (D) aangegeven dat op basis van een binnengekomen renseignement met betrekking tot de invoer van een auto uit Duitsland in 2008 een onderzoek is aangevangen naar de activiteiten van belastingplichtige. Ik heb medegedeeld, dat ik een query heb laten draaien om te kijken hoeveel auto’s belastingplichtige op naam heeft staan (gehad). Hieruit kwam vast te staan dat er over de periode 2005-2008 in totaal 642 zijn geweest. (…) Daarop heb ik aangegeven dat het niet was terug te zien in de aangiftes omzetbelasting en inkomstenbelasting. (…) waaraan de adviseur toevoegde dat de echtgenote van belastingplichtige de afgelopen maanden bezig is geweest om de gegevens van alle jaren in te kloppen. (…) Vervolgens is door mij (…) de cautie gesteld (…) aan belastingplichtige en hem medegedeeld dat hij verdacht wordt van een strafbaar feit te weten: het opzettelijk niet doen van aangiftes omzetbelasting c.q het opzettelijk onjuist doen van aangiftes omzetbelasting en inkomstenbelasting. Hierbij is door mij aangegeven dat hij niet meer tot antwoorden verplicht is.

(…)

Belastingplichtige gaf op dat moment echter aan te willen praten en stelde direct dat de auto’s niet zijn eigendom waren. Daarnaast stelde hij met de adviseur te willen overleggen. Ik (…) heb belastingplichtige direct aangegeven dat ik niet meer in contact wilde treden en dat de deurwaarder hem de aanslagbiljetten zal uitreiken nadat wij waren vertrokken. Hij (B) deelde ons vervolgens mede dat hij het teleurstellend vond dat wij niet eerder informatie hadden gegeven over de aard van ons bezoek. Ik (…) heb vervolgens aangegeven dat er vanwege mogelijk verhaal (vrees voor verduistering) gekozen is voor terstond en tot het volle bedrag invorderbare aanslagen. Hierop hebben wij de bespreking beëindigd, hebben het pand verlaten en de deurwaarder, die buiten stond te wachten opdracht gegeven de aanslagen omzetbelasting en inkomstenbelasting uit te reiken aan belastingplichtige die op dat moment nog bij zijn adviseur verbleef.’ (…)

2.8 Vervolgens zijn de onder 1. genoemde belastingaanslagen, gedagtekend 2 maart 2009, door de deurwaarder aan eiser uitgereikt.

2.9 Volgens de tot de gedingstukken behorende berekeningsgrondslagen is bij het opleggen van de onder 1. genoemde belastingaanslagen tot uitgangspunt genomen de op de website van eiser aanwezige auto’s op 4 februari 2009 (bijlage 19 bij het verweerschrift). De totale verkoopwaarde daarvan was ongeveer € 1.000.000. Als brutowinstpercentage is door de controleambtenaar 10% gehanteerd, dit omdat het een niet conforme markt betreft waarvoor geldt ‘het is maar wat de gek ervoor geeft’. Het aantal auto’s dat op de website met foto is afgebeeld is vervolgens gedeeld door de totale verkoopwaarde waardoor op een gemiddelde verkoopwaarde per auto is gekomen. Dit bedrag is afgerond. Op basis van de RDW gegevens over de periode 2005-2008 is vervolgens het aantal auto’s wat volgens de query per jaar op naam van eiser heeft gestaan als uitgangspunt voor dat betreffende jaar genomen. Omdat voor 2005 bij de Belastingdienst geen middelen bekend zijn die de inkoop verklaren is er in 2005 naast de winst een bedrag aan inbreng/andere omzet gecorrigeerd.

2.10 Op 3 maart 2009 is door de gemachtigde van eiser tegen deze belastingaanslagen bezwaar gemaakt, welke bezwaarschriften op dezelfde dag zijn afgegeven aan de balie van de Belastingdienst.

2.11 Op 13 maart 2009 heeft eiser de (papieren) administratie met betrekking tot de tijdvakken 2005 tot en met 2008 afgegeven bij het kantoor van de Belastingdienst. Dit omdat de digitale administratie, waarom verweerder had verzocht, nog niet klaar was.

2.12 Bij brief van 23 maart 2009 heeft eiser, middels zijn huidige gemachtigde, de Belastingdienst verzocht in verband met de zwaarwegende belangen in deze zaak op korte termijn een datum voor inzage in de stukken en een hoorzitting te plannen.

2.13 Omdat op deze brief niet werd gereageerd is op 8 april 2009 door de gemachtigde telefonisch contact gezocht met de Belastingdienst. Doel van dit telefoongesprek was om te achterhalen wie de behandeld ambtenaar was. Tijdens dit telefoongesprek is de naam van de behandelend ambtenaar bekend gemaakt. Aangezien de betreffende ambtenaar ten tijde van dit telefoongesprek niet aanwezig was, heeft de gemachtigde verzocht om op een later tijdstip, doch zo spoedig mogelijk, contact op te nemen om te overleggen over de voortgang en verdere behandeling van de bezwaarschriften van eiser.

2.14 Op 9 april 2009 heeft de gemachtigde de behandelend ambtenaar per brief verzocht zo spoedig mogelijk contact op te nemen om een datum voor inzage en een hoorzitting in te plannen. Tevens is verzocht een kopie van de in beslag genomen administratie te maken en het origineel aan eiser te retourneren, opdat de accountant de jaarstukken kan voltooien.

2.15 Wegens het uitblijven van een reactie van de Belastingdienst heeft de gemachtigde op 22 april 2009 namens eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van de uitspraken op bezwaar.

2.16 Bij brief van 27 april 2009 heeft de gemachtigde de behandelend ambtenaar nogmaals verzocht de administratie te retourneren. Dit verzoek is herhaald in de brief van 11 mei 2009.

2.17 Bij brief van 6 mei 2009 heeft verweerder de rechtbank verzocht om uitstel voor het indienen van de verweerschriften. De stukken van eiser zijn vanwege een kort geding in gebruik bij de ontvanger en ook andere omstandigheden die samenhangen met de invorderingmaatregelen hebben tot vertraging geleid, aldus verweerder.

2.18 De rechtbank heeft verweerder bij brief van 19 mei 2009 bericht dat dit verzoek is gehonoreerd en de termijn voor het indienen van de verweerschriften is verlengd tot 1 juni 2009.

2.19 Eind mei 2009 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met gemachtigde van eiser, waarbij is gezegd dat een kopie van de administratie zou worden gemaakt en dat vervolgens een afspraak zou kunnen worden ingepland voor het ophalen van de administratie.

2.20 Bij brief van 26 mei 2009 verzoekt verweerder de rechtbank te reageren op het verzoek om uitstel voor het indienen van stukken van 6 mei 2009, omdat verweerder hierop nog geen reactie heeft ontvangen. Tevens is in deze brief aangegeven dat er geen sprake is van onwil om stukken in te dienen, maar dat daar andere oorzaken aan ten grondslag liggen.

2.21 Bij brief van 3 juni 2009 heeft de rechtbank, op verzoek van verweerder, de termijn voor het indienen van de verweerschriften nogmaals verlengd (met 4 weken).

2.22 Gemachtigde verzoekt de rechtbank een aantal keren om in het belang van eiser, de zaak met voortvarendheid te behandelen.

2.23 Op 6 juli 2009 heeft verweerder vervolgens uitspraken op bezwaar gedaan. Hierin is vermeld dat de administratie niet aan de eisen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voldoet. Verder is in de uitspraken op bezwaar vermeld dat uit de administratie en de gesprekken met eiser is gebleken dat de berekenmethode die ten grondslag is gelegd aan de belastingaanslagen, niet van toepassing is voor de jaren 2005 en 2006 en een gedeelte van 2007. In deze periode heeft eiser zich niet beziggehouden met de in- en verkoop van auto’s in het duurdere segment, waar de belastingaanslagen op zijn gebaseerd, maar met de in- en verkoop van auto’s uit het goedkopere segment. Verder is in de uitspraken op bezwaar vermeld dat, ondanks dat de administratie niet voldoet aan de gestelde eisen der wet, deze administratie voor de jaren 2005, 2006 en een gedeelte 2007 is verwerkt in een excelbestand om te zien of de belastingaanslagen tot een redelijk bedrag zijn opgelegd. Uit deze nadere berekening heeft de behandelend ambtenaar geconcludeerd dat enkele belastingaanslagen te hoog zijn vastgesteld en besluit hij gedeeltelijk aan de bezwaren van eiser tegemoet te komen.

2.24 Op 8 juli 2009 zijn de verweerschriften en de op het geding betrekking hebbende stukken door de rechtbank ontvangen.

2.25 Bij brief van 4 augustus 2009 verzoekt de gemachtigde van eiser om uitstel voor het aanvullen van de gronden van beroep met 8 weken. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd en de termijn verlengd tot 1 oktober 2009.

2.26 Op 26 augustus 2009 heeft de accountant van eiser de jaarstukken over 2005 tot en met 2008 opgesteld, alsmede de aangiften IB/PVV en omzetbelasting over die jaren. Deze aangiften zijn bij verweerder ingediend.

2.27 Bij brief van 23 september 2009 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser meegedeeld dat de naheffingsaanslag OB ambtshalve zal worden verminderd. Als reden voor deze vermindering is vermeld dat uit een nader derdenonderzoek is gebleken dat eiser in de jaren 2005 tot en met 2008 heeft gehandeld in margegoederen. Tevens is in deze brief vermeld dat dit derdenonderzoek nog liep op het moment dat uitspraak op bezwaar is gedaan, maar dat door het beroep van eiser tegen het uitblijven van uitspraken op bezwaar, de behandelend ambtenaar geen tijd en ruimte zag de uitkomst daarvan af te wachten.

2.28 Bij brief van 30 september 2009 verzoekt de gemachtigde van eiser, in verband met de beslissing van verweerder van 23 september 2009, om nader uitstel voor de aanvulling van de gronden. Vervolgens verleent de rechtbank bij brief van 7 oktober 2009 nader uitstel tot 6 weken na de datum van deze brief.

2.29 Op 18 november 2009 ontvangt de rechtbank vervolgens de aanvulling van de gronden van het beroepschrift.

2.30 Op 30 juni 2010 stuurt de gemachtigde een brief naar verweerder in verband met het feit dat de Rijksadvocaat geconcludeerd heeft dat de beslaglegging aan de a-straat 1 te Q (alwaar de eenmanszaak van eiser is gevestigd) onterecht was en dat overeengekomen is de zaak te royeren. Gemachtigde geeft aan dat de Rijksadvocaat heeft ingezien dat niet eiser maar F BV eigenaar was van de beslagen voertuigen en dat de rol van eiser slechts daaruit bestond dat hij die voertuigen verkocht en dat ze vervolgens deelden in de winst. Gelet hierop verzoekt de gemachtigde aan verweerder één en ander in heroverweging te nemen. Bij brief van 1 juli 2010 herinnert de gemachtigde verweerder aan de brief van 30 juni 2010.

2.31 Verweerder neemt op 26 augustus 2010 telefonisch contact op met de gemachtigde.

2.32 Op 16 september 2010 heeft een gesprek plaats tussen verweerder en de gemachtigde. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt.

2.33 Partijen hebben medio november 2010 een VSO gesloten onder meer inhoudende dat: - de navorderingsaanslagen IB/PVV 2005 en 2006 zullen worden vernietigd; - voor de jaren 2007 en 2008 de ingediende aangiften IB/PVV zullen worden gevolgd; - de naheffingsaanslag OB over de jaren 2005 tot en met 2008 zal worden vernietigd en de ingediende aangiften zullen worden gevolgd. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de kostenvergoeding.”

2.2. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe. In de procedure voor de Rechtbank heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de werkelijk door hem ter zake van het bezwaar en beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van in totaal € 33.277,16. De Rechtbank heeft in haar uitspraak belanghebbende een – van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) afwijkende – vergoeding toegekend van € 10.000.

2.3. Hiertegen heeft belanghebbende hoger beroep aangetekend.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten ten bedrage van € 33.277,16. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. De Inspecteur verenigt zich met de beslissing van de Rechtbank, te weten een proceskostenvergoeding van € 10.000.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank en tot inwilliging van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 33.277,16.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil stelt het Hof voorop dat voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit grond is indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, nr. 41235, LJN: BA2802, BNB 2007/260). Deze regel sluit echter niet uit dat ook in andere gevallen – bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan verregaand onzorgvuldig handelt – aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, LJN: BP2975, BNB 2011/103).

4.2. De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.4 van haar uitspraak als volgt geoordeeld.

“4.4 Uit de gedingstukken volgt dat de administratie van eiser niet (geheel) op orde was, dat hij gedurende de periode 2005 tot 2008 in totaal 642 auto’s op naam heeft gehad en dat hij in die jaren niet alle aangiften IB/PVV en OB heeft ingediend. Ook blijkt uit de gedingstukken dat verweerder een renseignement heeft ontvangen dat op naam van eiser in februari 2008 vanuit Duitsland een auto is ingevoerd ter waarde van € 31.932. Verder staan op het moment dat verweerder de website van eiser bezoekt, te weten 4 februari 2009, er voor een verkoopwaarde van ongeveerd € 1.000.000 aan auto’s op deze site vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is al deze informatie voldoende om het opleggen van de hiervoor onder 1. genoemde belastingaanslagen door verweerder te rechtvaardigen. Ook rechtvaardigt deze informatie de door verweerder gehanteerde berekeningsgrondslagen zoals hiervoor vermeld onder 2.9.”

4.3. Op grond van de zo-even vermelde, door de Rechtbank, genoemde omstandigheden – die door belanghebbende in hoger beroep niet zijn weersproken – is naar het oordeel van het Hof de conclusie gerechtvaardigd dat niet kan worden gezegd dat de Inspecteur het verwijt treft dat bij het opleggen van de onderhavige belastingaanslagen (en bij het verminderen daarvan in bezwaar) reeds duidelijk was dat die belastingaanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. De omstandigheid dat de belastingaanslagen uiteindelijk, in het kader van een vaststellingsovereenkomst zijn vernietigd, doet hieraan niet af. In zoverre bestaat geen grond voor een van de forfaitaire bedragen afwijkende proceskostenvergoeding.

4.4. In hoger beroep heeft de Inspecteur erkend dat hij – kort gezegd en gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld – niet zorgvuldig heeft gehandeld. Op grond hiervan bestaat volgens de Inspecteur aanleiding belanghebbende op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit een van de forfaitaire bedragen afwijkende proceskostenvergoeding voor de bezwaar-en beroepsfase toe te kennen. Partijen verschillen in hoger beroep nog slechts van mening over de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van de integrale door hem ter zake van de bezwaar- en beroepsfase gemaakte proceskosten van € 33.217,16, terwijl de Inspecteur toekenning van een vergoeding van € 10.000 bepleit.

4.5. Het Hof is, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend en in afwijking van de beslissing van de Rechtbank, van oordeel dat de Inspecteur te dezen dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat het hierin aanleiding ziet de Inspecteur op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit te veroordelen tot vergoeding van de integrale door belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte proceskosten ten bedrage van – naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld – € 33.217,16 (inclusief omzetbelasting). Nu belanghebbende – onweersproken en rechtens juist – als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 is aangemerkt komt de in de kosten begrepen omzetbelasting niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien hij deze in aftrek kan brengen op de door hem verschuldigde omzetbelasting (vgl. HR 15 april 2011, nr. 10/04313, LJN BQ1222, BNB 2011/184). Dit betekent dat de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten een bedrag beloopt van 100/119 * € 33.217,16 is € 27.914.

Het Hof heeft bij het toekennen van dit bedrag in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

(i) de naar zeer substantiële bedragen opgelegde belastingaanslagen (in totaal ongeveer drie miljoen euro inclusief heffingsrente) zijn op 2 maart 2009 rauwelijks – zonder dat het aangekondigde boekenonderzoek is uitgevoerd en zonder dat het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in acht is genomen – aan belanghebbende opgelegd;

(ii) het besluit tot het opleggen van de belastingaanslagen was reeds vóór 2 maart 2009, derhalve vóór dat met belanghebbende was gesproken en vóór dat uitvoering was gegeven aan het aangekondigde boekenonderzoek, door de Inspecteur genomen;

(iii) daarbij is – naar is gebleken – ten onrechte beslag gelegd op de bij belanghebbende op het adres a-straat 1 te Q aanwezige auto’s;

(iv) een deugdelijke motivering van de door de Inspecteur berekende bedragen aan verschuldigde belasting is op dat moment niet aan belanghebbende gegeven;

(v) er bestond geen duidelijk aanwijsbare reden voor een versnelde aanslagoplegging (verstrijking van de aanslagtermijnen was niet aan de orde);

(vi) een deugdelijke rechtvaardiging voor het terstond tot de volle bedragen invorderbaar verklaren van de belastingaanslagen is niet gegeven (de enkele niet gemotiveerde stelling dat sprake is van ‘vrees voor verduistering’ is daartoe niet voldoende);

(vii) belanghebbende en zijn adviseur hebben tijdens het gesprek op 2 maart 2009 nadrukkelijk aangegeven te willen praten, de controleambtenaren hebben evenwel iedere mogelijkheid daartoe uitgesloten;

(viii) in de bezwaarfase heeft de Inspecteur meermalen niet adequaat gereageerd op verzoeken van belanghebbende om inzage van de op de zaak betrekking hebbende stukken, om een hoorzitting te plannen en om de administratie aan belanghebbende terug te geven;

(ix) de Inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan zonder belanghebbende – zoals door hem verzocht – te horen. Voorts heeft hij de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar niet in acht genomen;

(x) de Inspecteur heeft geen onderzoek verricht naar de stelling van belanghebbende dat de desbetreffende auto’s niet zijn eigendom waren.

Deze omstandigheden tezamen genomen rechtvaardigen de conclusie dat de handelwijze van de Inspecteur (en in diens spoor de Ontvanger) in vergaande mate onzorgvuldig en niet-voortvarend is geweest. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende redelijkerwijs onnodig hoge kosten aan rechtsbijstand moeten maken. Het strookt niet met de redelijkheid deze kosten voor rekening van belanghebbende te laten komen.

4.6. Met betrekking tot de kosten ter zake van de behandeling van het hoger beroep acht het Hof – mede gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur in appel niet heeft betwist dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen – geen termen aanwezig om af te wijken van de forfaitaire bedragen zoals opgenomen in het Besluit. Overeenkomstig die forfaitaire normen berekent het Hof de vergoeding van de kosten ter zake van in de hoger beroepsprocedure beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 437.

4.7. In totaal belopen de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten derhalve een bedrag van € 28.351.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Proceskosten

Zoals volgt uit hetgeen hiervóór is overwogen, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht tot een bedrag van in totaal € 28.351.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ten bedrage van – in totaal – € 28.351, en

- gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het door hem ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 227.

Deze uitspraak is door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. J. Lamens, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2011

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 11 oktober 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.