Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT8412

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
200.092.238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onder curatele gestelde appellante ontvankelijk verklaard in hoger beroep ter zake van afgewezen verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verzoek appellante en appellant inhoudelijk afgewezen wegens ontbreken goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schuldenlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.092.238

(zaaknummers rechtbank: 122216 FTRK 11/414 en 122218 FTRK 11/415)

arrest van de eerste civiele kamer van 13 oktober 2011

inzake

[A]

en zijn echtgenote

[B],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. H. Sanli te Helmond.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 8 augustus 2011 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: [A] en [B]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

1.2 Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 15 augustus 2011 ingekomen verzoekschrift zijn [A] en [B] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing wordt verklaard, alsmede de boedel te veroordelen in de kosten van deze procedure, met name wat betreft de hoge kosten van het griffierecht, welke kosten niet onder de werking van de toevoeging vallen.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met bijlagen van 9 september 2011, het faxbericht met bijlage van 23 september 2011 van

mr. Sanli en het faxbericht van 23 september 2011 van de ten behoeve van [B] benoemde curator mr. I. Post.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 september 2011, waarbij [A] en [B] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Sanli. Tevens is verschenen

mr. I. Post. Voorts zijn verschenen [X], werkzaam als klantmanager schuldhulp-verlening bij de Stadsbank Apeldoorn, en [Y], werkzaam als ambulant begeleidster bij Riwis Zorg & Welzijn, Apeldoorn.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[A], [leeftijd], en [B], [leeftijd], zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van 20 september 2010 heeft de kantonrechter te Apeldoorn H.M.H. de Waard-Thoden van Velzen benoemd tot bewindvoerder voor [B].

Nadat eerdere verzoeken tot ondercuratelestelling van [B] in juli 2009 en in augustus 2010 waren afgewezen, heeft de kantonrechter te Zutphen bij beschikking van 25 februari 2011 [B] wegens een geestelijke stoornis (koopverslaving) onder curatele gesteld en mr. I. Post tot curator benoemd.

[A] was in het verleden werkzaam als bakker in loondienst. Sinds 6 januari 2011 is hij werkloos. [B] heeft volgens haar verklaring sinds 2006 geen betaald werk meer verricht. Zij is volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt vanaf 2008 een WAJONG-uitkering

Nadat de echtelijke woning in november 2007 is geveild, hebben [A] en [B] zich in december 2007 bij de crisisdienst van GGNet gemeld. In januari 2008 is het eerste contact tussen [B] en [Y] tot stand gekomen. [A] en [B] hebben zich in april 2008 bij de Stadsbank Apeldoorn aangemeld. Sinds december 2008 maken zij gebruik van budgetbeheer.

3.2 De schuldenlast van [A] en [B] bedraagt volgens het bij de Verklaring Schuldsanering gevoegde schuldenoverzicht van 28 april 2011 in totaal bijna € 290.000,-. Tot deze schuldenlast behoren onder meer een schuld aan SNS Bank van € 93.439,68, een schuld aan ABN AMRO Bank van € 16.451,88, een schuld aan Boco Keukens van

€ 14.235,68, een schuld aan het CJIB van € 1.467,89, een schuld aan Autobedrijf Herwers Zutphen van € 6.072,94, een schuld aan Nederland Vakantie Beheer van € 4.506,34, een schuld aan (de volgens [A] en [B] inmiddels overleden voormalige buurman) Nelemaat van € 8.952,-, een schuld aan Rabobank Nederland van in totaal € 32.280,-, een schuld aan Stichting Derdengelden Euro Incasso Dienst van € 38.732,-, een schuld aan familie Bronsbergen van € 9.289,-, een schuld aan Dutch Trading Company van € 6.893,-, een schuld aan Kieveen Exclusief Meubelen & Woondecoraties van € 14.326,- en een schuld aan Kok Bloemenservice van € 285,-.

3.3 De rechtbank heeft het verzoek van [A] en [B] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen en daarbij het volgende overwogen.

In de eerste jaren na de gedwongen verkoop van de koopwoning van [A] en [B] zijn veel nieuwe schulden ontstaan. [A] en [B] hebben geweten of hadden zich in ieder geval moeten realiseren dat zij de in deze periode aangegane schulden niet konden terugbetalen. Van een aantal schulden is de herkomst niet duidelijk, omdat deze uit handen zijn gegeven aan deurwaarders of incassobureaus. Van de schulden aan Boco Keukens, Autobedrijf Herwers Zutphen, Nederland Vakantie Beheer, Dutch Trading Company, Kok Bloemenservice en Kieveen Exclusief Meubelen & Woondecoraties kan niet worden gezegd dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Het feit dat [B] een koopverslaving had, doet hier niet aan af. [A] is eveneens aansprakelijk voor deze schulden en had zijn verantwoordelijk-heid moeten nemen. Dat geldt zeker nu [A] en [B], naar zij wisten, al met een aanzienlijke restschuld op de verkochte woning waren blijven zitten.

De schuld van [A] aan het CJIB van € 1.467,89 is verwijtbaar ontstaan. [A] heeft ten aanzien van deze schuld verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de motor was geschorst en dat er daarom geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd was. [A] heeft nagelaten dit te verifiëren of goed te regelen.

Nu er geen behandeling tegen de koopverslaving is geweest en het laten ontstaan van nieuwe schulden door toedoen van de curator is voorkomen, is - nog steeds volgens de rechtbank - nog onvoldoende aangetoond dat de ontstaansreden van een groot deel van de schulden onder controle is.

3.4 Allereerst dient het hof ambtshalve te beoordelen of [B] - die zoals gezegd onder curatele gesteld - ontvankelijk is in het namens haar ingestelde hoger beroep, nu het op 15 augustus 2011 bij het hof ingekomen verzoek in hoger beroep is ingediend door haar advocaat en niet door mr. I. Post, als curator van [B]. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Aangenomen moet worden dat de curator van [B], door middel van haar faxbericht van 23 september 2011, de indiening van het verzoek door [B] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar alsmede het instellen van hoger beroep door [B] heeft bekrachtigd, zodat laatstgenoemde daarom in beide kan worden ontvangen. Hiervan uitgaande geldt het volgende.

3.5 Naar het oordeel van het hof hebben [A] en [B] gedurende langere tijd, tot in elk geval 2009 aanzienlijk meer uitgegeven dan verantwoord was. Hierbij neemt het hof in aanmerking het feit dat tijdens die periode het toenmalige gezinsinkomen van [A] en [B] uitsluitend werd gevormd door het loon dat [A] verdiende van - naar hij heeft gesteld - € 2.500,- à € 2.600,- bruto per maand.

Het hof is voorts van oordeel dat veel van de door [A] en [B] aangegane betalingsver-plichtingen zaken betreffen, die niet als eerste levensbehoeften zijn aan te merken. Daartoe behoren in elk geval de hiervoor onder 3.2 genoemde schuld aan ABN AMRO Bank (te weten een creditcardschuld), de schuld aan Boco Keukens, de schuld aan Nederland Vakantie Beheer en de schuld aan Kieveen Exclusief Meubelen & Woondecoraties.

Ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van deze schulden hebben [A] en [B] niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest.

Dit laatste geldt ook voor de schuld aan het CJIB van € 1.467,89 (wegens onbetaald gebleven motorrijtuigenbelasting). Volgens de ter zitting van het hof gegeven verklaring van [A] en [B] zou deze schuld inmiddels voor ongeveer de helft zijn afgelost. Een verifieerbaar bewijs daarvan ontbreekt echter.

3.6 De gestelde koopverslaving van [B] is onvoldoende om aan te nemen dat het ontstaan en onbetaald laten van de huidige schuldenlast [B] niet, althans niet in overwegende mate, zou zijn te verwijten. Voor deze stelling acht het hof te minder plaats, nu een medische rapportage (bijvoorbeeld van een psycholoog of psychiater) ter staving van genoemde stelling ontbreekt.

Ten aanzien van [A] overweegt het hof dat [A], nog daargelaten dat moet worden betwijfeld of hij, zoals hij heeft gesteld, volledig onwetend is geweest van de uitgaven die [B] deed - [A] heeft ter zitting van het hof gesteld “dat hij nooit post heeft gezien” en “dat hij van de meeste schulden niets afwist” - medeverantwoordelijk moet worden geacht voor het ontstaan en onbetaald laten van de hiervoor genoemde schulden. Dat [A] er kennelijk voor heeft gekozen de regie met betrekking tot alle financiële zaken aan [B] te laten, ontslaat hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van een juist beheer van de gezinsfinanciën. [A] heeft ter zitting van het hof erkend dat hij hierin erg naïef is geweest.

3.7 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [A] en [B] toch zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. De feiten die in dit verband voor [A] en [B] spreken - het budgetbeheer waarvan zij gebruikmaken, de ambulante begeleiding die [B] ontvangt en het feit dat zij sinds ruim een half jaar onder curatele is gesteld, en dat vanaf 2009 geen nieuwe schulden zijn ontstaan - rechtvaardigen nog niet de conclusie dat [A] en [B] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden onder controle hebben gekregen en weegt naar het oordeel van het hof nog onvoldoende op tegen de aard en omvang van hun schuldenlast. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 8 augustus 2011.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, W.H.F.M. Cortenraad en F.W.J. Meijer, en is op 13 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.