Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT7637

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
11-00240
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Geclaimde ziektekosten niet aannemelijk. Geen onredelijk gebruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2508
FutD 2011-2520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00240

uitspraakdatum: 4 oktober 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank te Arnhem van 27 januari 2011, nummer AWB 09/1940, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een nihilaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur op grond van artikel 9.4, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) het verzamelinkomen berekend naar een bedrag van € 12.824. Bij eerdere voorlopige aanslag(en) is het gehele bedrag aan in de belastingwet aangewezen voorheffingen, te weten een bedrag van € 3.274 aan loonheffing, verrekend.

1.2. Tegen deze vaststelling van het verzamelinkomen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Het bezwaar is door de Inspecteur afgewezen.

1.3. Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) gegrond verklaard. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 27 januari 2011 – naar het Hof begrijpt – het verzamelinkomen van belanghebbende verminderd tot een bedrag van € 11.831.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoort, naast voormelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 6 september 2011 te Arnhem. Aldaar is verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is, na voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft met behulp van de zogenoemde invulservice van de Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 gedaan. In deze aangifte is wegens ziektekosten in totaal een bedrag van € 3.768 (€ 5.676 verminderd met de drempel van artikel 6.24, tweede lid, aanhef, en onder b, van de Wet IB 2001 à € 1.908) als persoonsgebonden aftrek opgevoerd. Het verzamelinkomen van belanghebbende is vastgesteld conform deze aangifte.

2.2. Bij brief van 2 december 2008 schrijft A namens de Inspecteur het volgende:

“(…)

Hierbij bericht ik U dat ik Uw aangifte inkomstenbelasting 2006 heb beoordeeld. Die beoordeling leidt niet tot het stellen van vragen of tot een verzoek om toezending van stukken. Ik kan Uw aangifte geheel accepteren. Ik heb vandaag de aangifte afgehandeld en over enkele weken ontvangt U het aanslagbiljet.

(…)”

2.3. Tegen de in 1.1. bedoelde beschikking heeft belanghebbende vervolgens bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift van 27 januari 2009 staat het volgende vermeld:

“(…)

Met dit schrijven teken ik bezwaar aan tegen bovengenoemde aanslag, zoals behandeld door de heer A, Inspecteur Belastingdienst.

Bovengenoemde aanslag zou zijn opgelegd op grond van en conform mijn aangifte.

Echter, deze aangifte is niet door mij, doch door een medewerker van de Belastingdienst ingevuld.

Pas na geruime tijd heb ik het aan mij op floppy meegegeven computerbestand betreffende deze aangifte kunnen openen.

De Buitengewone Uitgaven zijn op een andere manier samengesteld, dan de heer A in de bezwaarprocedures bij vorige aangiftes had gecorrigeerd.

Tegen dit gebrek aan een eensluidende verwerking van mijn aangiftes en uitgaven maak ik bezwaar.

(…)”

2.4. Op 11 februari 2009 stuurt de Belastingdienst naar aanleiding van het bezwaar een verzoek om informatie. In deze brief staat onder meer het volgende:

“(…)

Mocht de aftrek van € 5.676 voor ziektekosten of andere buitengewone uitgaven niet juist zijn dan verzoek ik u mij een specificatie en de nota’s en betalingsbewijzen van de uitgaven te sturen. (…)”

2.5. In de uitspraak op bezwaar van 27 maart 2009 is het volgende vermeld:

“(…)

Ook na herhaald verzoek heeft u de vragen die over het bezwaar zijn gesteld niet beantwoord. Ook niet na de telefonische toezegging worden de vragen niet beantwoord. Daarom kan ik niet beoordelen of en tot welk bedrag de aanslag te hoog is vastgesteld.

(…)”

2.6. In het beroepschrift van 6 mei 2009 van belanghebbende staat het volgende.

“(…)

Met dit schrijven stel ik beroep in tegen bovengenoemde aanslag over het jaar 2006. De gronden voor dit beroep zijn:

De aanslag is niet vastgesteld conform de aangeleverde gegevens;

De aftrek voor de Buitengewone Uitgaven is op een andere manier samengesteld, dan deze bij vorige aangiftes is gecorrigeerd.

(…)”

2.7. Op de (eerste) zitting bij de Rechtbank van 25 januari 2010 is komen vast te staan dat met betrekking tot de aanslag over het jaar 2005 een procedure liep bij het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof). In die procedure was een correctie in geschil met betrekking tot de omvang van de dieetkostenaftrek. Belanghebbende diende twee afzonderlijke dieetvoorschriften te volgen. In 2005 was door de Inspecteur slechts de aftrek in verband met het zwaarste dieet (tarwevrij) toegestaan. Ter zitting van de Rechtbank van 25 januari 2010 is afgesproken dat de Inspecteur de uitspraak van het Hof ook in de onderhavige zaak (2006) zal volgen, indien belanghebbende met betrekking tot het jaar 2005 in het gelijk zou worden gesteld. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat in 2006 nog een bedrag van € 466 aan dieetkosten (lactosebeperkt), vermeerderd met het desbetreffende verhogingspercentage, in aanmerking genomen dient te worden. Hierop heeft de Rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.

2.8. Bij uitspraak van 1 juni 2010 (nummers 09/00251 en 09/00252) heeft het Hof inzake het jaar 2005 uitspraak gedaan en met betrekking tot het relevante geschilpunt omtrent de dieetkosten belanghebbende in het gelijk gesteld. Tegen deze uitspraak is geen cassatieberoep ingesteld.

2.9. Bij brief van 19 juli 2010 heeft de Inspecteur schriftelijk aan de Rechtbank bevestigd dat de extra aftrekpost € 993 bedraagt (€ 466 verhoogd met 113%). Tegen deze conclusie van de Inspecteur heeft belanghebbende geen inhoudelijk verweer gevoerd, anders dan ter (tweede) zitting van 30 december 2010 te stellen dat zij de berekening niet heeft gecontroleerd. Vervolgens heeft de Rechtbank bij uitspraak van 27 januari 2011 het verzamelinkomen vastgesteld conform het standpunt van de Inspecteur.

2.10. Per fax van 24 april 2011, ingekomen bij het Hof op 26 april 2011, heeft belanghebbende de gronden van haar op 8 maart 2011 tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep als volgt aangevuld:

“(…)

Op 27 januari 2011 werd Uitspraak gedaan door de Belastingkamer van Rechtbank Arnhem.

Hiertegen heb ik beroep ingesteld om de navolgende reden:

Bij de naberekening van de aangifte zijn er fouten te constateren in de bedragen voor de Bijzondere Uitgaven en (derhalve) in de hoogte van het belastbaar inkomen.

Op Uw verzoek zend ik U een herberekening.

(…)”

Het Hof heeft de herberekening waarnaar belanghebbende in haar fax verwijst, niet ontvangen.

2.11. Bij aangetekende brief van 3 mei 2011 heeft het Hof aan belanghebbende onder meer als volgt bericht:

“(…)

Tevens geeft u in uw fax van 24 april 2011 aan dat u een herberekening aan ons zult toezenden. Tot op heden heeft het Hof deze nog niet mogen ontvangen.

(…)”

2.12. Bij fax van 16 mei 2011 heeft belanghebbende daarop aan het Hof het volgende geschreven:

“(…)

Bij schrijven d.d. 29 maart 2011 deelde U mij mede dat mijn beroepschrift niet voldeed aan de wettelijke vereisten daar ik verzuimd had de gronden van het beroep te vermelden.

U verzocht mij aan te geven om welke reden ik het niet eens ben met de door mij aangevallen uitspraak.

Per fax d.d. 24 april 2011 heb ik U deze reden aangegeven, nl.: “Bij de naberekening van de aangifte zijn er fouten te constateren in de bedragen voor de Bijzondere Uitgaven en (derhalve) in de hoogte van het belastbaar inkomen.”

D.w.z. als gevolg van het verstrekken van een foutieve berekening van de (totale) Bijzondere Uitgaven door de Belastingdienst aan de Rechtbank is de Rechtbank gekomen tot haar Uitspraak. In de Uitspraak is een onjuist belastbaar inkomen vastgesteld.

(…)”

2.13. In het verweerschrift van 9 juni 2011 van de Inspecteur staat onder meer het volgende.

“(…)

Belanghebbende stelt dat er fouten zijn gemaakt in de berekening van de bijzondere uitgaven (kennelijk de ziektekosten). Zij overlegt echter geen herberekening. Ondanks een verzoek van uw hof aan haar heeft zij die niet aan uw hof doen toekomen. Op 24 mei 2011 heb ik haar telefonisch verzocht mij die herberekening toe te sturen, ik heb echter tot op vandaag niets ontvangen. Ik kan derhalve geen zinnig verweer voeren en stel mij vooralsnog op het standpunt, dat de uitspraak van de rechtbank juist is.

(…)”

2.14. Bij brief van 15 augustus 2011 is belanghebbende in verband met het door haar ingestelde hoger beroep uitgenodigd voor een zitting bij het Hof op dinsdag 6 september 2011om 10.00 uur. In deze uitnodiging staat het volgende vermeld:

“(…)

Een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling zal door het Hof slechts in bijzondere gevallen worden ingewilligd mits daarom schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht. Het verzoek dient uiterlijk binnen een week na deze uitnodiging te worden gedaan.

Ingeval van zwaarwichtige redenen die na de datum van deze uitnodiging opkomen moet het verzoek zo spoedig als redelijkerwijs kan worden verlangd, worden gedaan.

(…)”

2.15. Op 6 september 2011, 9.00 uur ontving het Hof een faxbericht van belanghebbende gedateerd 5 september 2011, met de volgende inhoud:

“Betreft: Zitting 6 september 2011 10.00 uur

Uw procedurenummer BK/MK-11/00240

Velp, 5 september 2011

Edelachtbare,

Middels dit schrijven moet ik U informeren, dat ik wegens dringende niet-voorziene omstandigheden niet aanwezig kan zijn op de geplande zitting.

Vriendelijk doch zeer dringend verzoek ik U deze procedure aan te houden en zo mogelijk een nieuwe zitting te plannen.”

2.16. De griffier heeft vóórafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting meermalen geprobeerd telefonisch in contact te komen met belanghebbende, doch kreeg geen gehoor.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of het verzamelinkomen 2006 correct is vastgesteld. Ter zitting heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende door hoger beroep in te stellen kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van procesrecht en dient te worden veroordeeld in de proceskosten.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen daaraan door de Inspecteur ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van het verzamelinkomen.

3.4. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De zitting van 6 september 2011, 10.00 uur, heeft ondanks het verzoek om uitstel van belanghebbende doorgang gevonden. Het Hof heeft het verzoek om uitstel van belanghebbende niet gehonoreerd omdat het belang dat belanghebbende heeft bij het bijwonen van de zitting naar het oordeel van het Hof in dit geval niet opweegt tegen de belangen van een behoorlijke procesorde. Uit de brief van 15 augustus 2011 had belanghebbende naar het oordeel van het Hof kunnen en dienen af te leiden dat de motivering van het verzoek om uitstel meer diende te omvatten dan hetgeen zij op schrift heeft gesteld. Met de niet nader onderbouwde verwijzing naar dringende onvoorziene omstandigheden ontneemt zij het Hof de mogelijkheid zelfstandig te toetsen of de omstandigheden waaraan belanghebbende refereert zwaarwichtige redenen vormen. Evenmin kan het Hof toetsen of de omstandigheden na de datum van de uitnodiging zijn opgekomen en of belanghebbende het uitstelverzoek zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd heeft gedaan. Met betrekking tot deze laatste toets merkt het Hof op dat het faxbericht waarin om uitstel wordt verzocht is gedateerd op 5 september 2011, doch eerst de dag daarop, te weten op 6 september 2011 om 9:00 uur, dat wil zeggen direct voorafgaande aan de behandeling van haar zaak om 10.00 uur naar het Hof is gefaxt. Doordat belanghebbende voor het uitstelverzoek eenzijdig gebruik heeft gemaakt van de fax en omdat zij vervolgens tussen het uitstelverzoek van 9:00 uur en de aanvang van de zitting om 10.00 uur telefonisch onbereikbaar was, heeft zij het Hof de mogelijkheid ontnomen om met betrekking tot de bovenstaande toetsen nadere inlichtingen in te winnen. Het Hof is van oordeel dat deze omstandigheid voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen.

4.2. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat belanghebbende belang heeft bij verlaging van het drempelinkomen vanwege de zogenoemde verzilveringsregeling op basis van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, KB van 29 maart 2004, Stb. 2004.

4.3. Gelet op artikel 6.17, eerste lid, aanhef, en onder c van de Wet IB 2001 juncto artikel 37, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, heeft de Inspecteur met betrekking tot een lactosebeperkt dieet terecht een bedrag van € 466 in aanmerking genomen als dieetkosten. Gelet op artikel 6.24, eerste lid, aanhef, en onder d, van de Wet IB 2001, heeft de Inspecteur dit bedrag tevens terecht verhoogd met 113% tot € 992,58 (afgerond € 993). Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat (deze) ziektekosten, dan wel andere persoonsgebonden aftrekposten niet of tot een te laag bedrag in aanmerking zijn genomen.

4.4. Het verzoek van de Inspecteur belanghebbende te veroordelen in de proceskosten omdat zij door hoger beroep in te stellen kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van haar procesrecht, verwerpt het Hof. Het feit dat zij haar stelling dat buitengewone uitgaven tot een te laag bedrag in aanmerking zijn genomen niet aannemelijk heeft kunnen maken, noch het feit dat zij een naar het oordeel van het Hof te summier verzoek om uitstel van de zitting heeft gedaan zijn op zichzelf noch tezamen voldoende om deze conclusie te rechtvaardigen. Het Hof zal belanghebbende derhalve niet veroordelen in de proceskosten.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. M.C.M. de Kroon, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2011.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 5 oktober 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.