Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT7358

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
24-001997-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming van het, door het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften als waren deze echt en onvervalst, wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, is vastgesteld op een bedrag van 22.000 euro. De betalingsverplichting is eveneens een bedrag van 22.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001997-06

Uitspraak d.d.: 12 oktober 2011

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 augustus 2006 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 20 oktober 2009, 16 juni 2010, 6 april 2011, 28 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot

vaststelling door het hof dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, dat het hof dit voordeel schat op een bedrag van € 22.000,00 en dat het hof het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag vaststelt op € 22.000,00.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr. V.C. van der Velde, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 31.799,-- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 31.799,--. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 22.000,-- en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 22.000,--.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 12 oktober 2011 (parketnummer 24-001996-06) terzake van het medeplegen van het misdrijf opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 22.000,--.

Het hof komt als volgt tot deze schatting:

- dossier 16:

Kredietaanvrager [naam 1] heeft verklaard dat hij € 8.000,-- heeft kunnen opnemen van het krediet van € 33.000,--. Het door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [veroordeelde] gezamenlijk genoten voordeel wordt derhalve gesteld op € 25.000,--. Er zijn geen specifieke betrouwbare verklaringen over de onderlinge verdeling van het voordeel. Daarom wordt een derde deel - zijnde € 8.333,33 - aan veroordeelde [veroordeelde] toegerekend.

- dossier 17:

Kredietaanvrager [naam 2] heeft verklaard dat hij € 16.000,-- moest afstaan van het krediet van € 36.000,--. Het door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [veroordeelde] gezamenlijk genoten voordeel wordt derhalve gesteld op € 16.000,--. Er zijn geen specifieke verklaringen over de onderlinge verdeling van het voordeel. Daarom wordt een derde deel - zijnde € 5.333,33 - aan veroordeelde [veroordeelde] toegerekend.

- dossier 56:

Kredietaanvrager [naam 3] heeft een krediet van € 32.000,-- verkregen. Zorlu heeft verklaard dat daarvan € 25.000,-- door veroordeelde is opgenomen. Het door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [veroordeelde] gezamenlijk genoten voordeel wordt derhalve gesteld op € 25.000,--. Er zijn geen specifieke verklaringen over de onderlinge verdeling van het voordeel. Daarom wordt een derde deel - zijnde € 8.333,33 - aan veroordeelde [veroordeelde] toegerekend.

Dit is in totaal: € 8.333,33

€ 5.333,33

€ 8.333,33

€ 21.999,99

afgerond € 22.000,--.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 22.000,00 (tweeëntwintigduizend euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 22.000,00 (tweeëntwintigduizend euro).

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. W. Foppen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 12 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.