Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT7343

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
24-003021-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming van het door de handel in hennep wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, is vastgesteld op een bedrag van 2.912 euro. De betalingsverplichting is, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, vastgesteld op 2.329 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003021-07

Uitspraak d.d.: 12 oktober 2011

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 november 2007 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1943],

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Overijssel, PIV HvB Zwolle te Zwolle.

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 maart 2011, 28 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk genoten voordeel op een bedrag van € 2.888,50 en vaststelling van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag op € 2.600,00. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens veroordeelde door haar raadsman, mr. A.R. Maarsingh, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 2.888,50 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 2.888,50. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 2.888,50 en dat aan veroordeelde, rekening houdende met het tijdsverloop, wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.600,--.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 18 juli 2008 (parketnummer 24-001846-06) terzake van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en de handel in cocaïne en hennep veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 2.921,--. Het hof komt als volgt tot deze schatting:

Periode

Bewezen is verklaard dat het handelen in verdovende middelen door de familie [naam], waaronder veroordeelde, heeft plaatsgevonden in de periode 1 mei 2005 tot en met 17 maart 2006. Dit betreft een periode van 320 dagen.

Aantal verkopen

Veroordeelde heeft verklaard dat er per dag minimaal 7 gebruikers kwamen kopen. Het aantal verkopen is dan (7 x 320 dagen) 2240.

Inkoopprijs

In de woning van veroordeelde aangetroffen 74 gripzakjes met hennep zat een totale hoeveelheid van 50,7 gram. Gemiddeld is dit 0,69 gram per zakje (50,7 gram / 74 zakjes). De inkoopprijs was gemiddeld € 3,50 per gram. Per zakje is dan de inkoopprijs € 2,40.

Verkoopprijs

Door meerderen is verklaard dat zij voor een zakje hennep bij veroordeelde en haar familie een bedrag van € 5,00 betaalden.

Totaal door de familie [naam] verkregen winst

Per zakje is de winst € 2,60 (verkoop € 5,00 - inkoop € 2,40). Totaal is de winst dan

€ 5.824,00 (aantal verkopen 2240 x winst per zakje € 2,60).

De aan veroordeelde toe te rekenen winst

Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht is gebleken dat veroordeelde en haar zoon [zoon 1 van veroordeelde] het voordeel hebben genoten van vorengenoemde winst. De andere zoon van veroordeelde, [zoon 2 van veroordeelde], mocht blijkens diverse verklaringen kennelijk geen geld bij zich hebben. Dat hij daadwerkelijk heeft meegedeeld in de winst is niet aannemelijk geworden. Derhalve wordt de helft van de winst vastgesteld als zijnde het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit is € 2.912,00 (€ 5.824,00 / 2).

Aftrek kosten?

Door de verdediging is ter terechtzitting van het hof op 28 september 2011 naar voren gebracht dat op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 2.964,50 wegens 'bedrijfskundige kosten' in mindering moet worden gebracht. Dit betreft de kosten van huur en verwarming van de woning van waaruit de handel in verdovende middelen plaatsvond.

Deze kosten worden niet in mindering gebracht op het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien deze kosten ook zouden zijn gemaakt als de strafbare feiten waren uitgebleven.

De verplichting tot betaling aan de Staat

De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is overschreden. Verdachte heeft op 4 december 2007 hoger beroep ingesteld. Na het instellen van hoger beroep zijn er bijna vier jaren verstreken. Er is sprake van een grote overschrijding van de redelijke termijn. Het hof acht op grond daarvan een vermindering van de betalingsverplichting met 20 procent, zijnde € 582,40, redelijk.

Dit in aanmerking nemende zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van (afgerond) € 2.329,--, zijnde € 2.912,00 minus € 582,40.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 2.912,00 (tweeduizend negenhonderdtwaalf euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 2.329,00 (tweeduizend driehonderdnegenentwintig euro).

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. G. Dam, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 12 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. G.M. Meijer-Campfens was buiten staat dit arrest te ondertekenen.