Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT7083

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
21-001747-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende bewijs voor uitlokking van afpersing. Ook onvoldoende bewijs voor medeplichtigheid. Volgt vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001747-10

Uitspraak d.d.: 8 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 27 april 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte[,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode en woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 februari 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr R.D. Meerman, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

[naam A] en/of [naam B] op of omstreeks 7 juni 2009 te Harderwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of [naam A] en/of [naam B] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam C] te dwingen tot de afgifte van 150.000 euro of 200.000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, toebehorende aan [naam C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [naam A] en/of [naam B], immers heeft/hebben [naam A] en/of [naam B]:

- zich begeven naar de woning van die [naam C], en/of

- zich bij die [naam C] aangediend als (aspirant-)lid van de Hells Angels, althans de schijn gewekt (aspirant-)lid van de Hells Angels te zijn, en/of

- zich (vervolgens) voorgesteld als [naam], en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat hij/zij gestuurd was/waren door [naam], en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat [naam] de voorzitter van de Hells Angels was zodat hij wist met wie hij te maken had, en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat ze centjes kwamen halen, en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat hij/zij (ook) gestuurd was/waren door [verdachte], en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat hij moest bellen naar het nummer [telefoonnummer], en/of

- tegen die [naam C] gezegd: "ik geef je één week anders maken we er een eind aan"

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk door [naam A] en/of [naam B] begaan strafbaar feit verdachte in de periode van 1 april 2009 tot en met 7 juni 2009 in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van giften en/of beloften en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, door:

- tegen die [naam A] te zeggen dat [naam C] bij zijn ex-baas een schuld van twee ton had, en/of

- [naam A] te vragen die [naam C] op te zoeken;

- [naam A] te vragen die [naam C] te herinneren aan een schuld bij zijn ex-baas, en/of

- (daartoe) het adres van [naam C] aan [naam A] te verstrekken;

ALTHANS, dat

[naam A] en/of [naam B] op of omstreeks 7 juni 2009 te Harderwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [naam C] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben hij, [naam A] en/of [naam B]:

- zich begeven naar de woning van die [naam C], en/of

- zich bij die [naam C] aangediend als (aspirant-)lid van de Hells Angels, althans de schijn gewekt (aspirant-)lid van de Hells Angels te zijn, en/of

- zich (vervolgens) voorgesteld als [naam], en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat hij/zij gestuurd was/waren door [naam], en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat [naam] de voorzitter van de Hells Angels was zodat hij wist met wie hij te maken had, en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat ze centjes kwamen halen, en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat hij/zij (ook) gestuurd was/waren door [verdachte], en/of

- tegen die [naam C] gezegd dat hij moest bellen naar het nummer [telefoonnummer], en/of

- tegen die [naam C] gezegd: "ik geef je één week anders maken we er een eind aan"

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 april 2009 tot en met 7 juni 2009 in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

- tegen die [naam A] te zeggen dat [naam C] bij zijn ex-baas een schuld van twee ton had, en/of

- [naam A] te vragen die [naam C] op te zoeken;

- [naam A] te vragen die [naam C] te herinneren aan een schuld bij zijn

ex-baas, en/of

- (daartoe) het adres van [naam C] aan [naam A] te verstrekken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair of subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder wordt daartoe het volgende overwogen.

Het slachtoffer, [naam C], heeft voor [naam bedrijf] ([naam D]) werkzaamheden verricht in Dubai. Hij is in februari 2008 door [naam D] ontslagen. [naam D] zou van [naam C] nog geld te vorderen hebben, naar eigen zeggen € 70.000, € 80.000 of € 150.000 maar hij heeft [naam C] nimmer in rechte aangesproken tot betaling.

Verdachte heeft, kennelijk uit een soort hulpvaardigheid, bemoeienis gekregen of gezocht met de afwikkeling van de relatie tussen [naam C] en [naam D]. In februari 2008 is hij bij [naam C] thuis een laptopcomputer op gaan halen, hij is aanwezig geweest bij een gesprek dat is gevoerd tussen [naam C] en [naam D] over de afwikkeling van die relatie en hij heeft in elk geval nog een keer [naam C] thuis opgezocht om een cd met van de teruggegeven of- gehaalde laptop afkomstige privégegevens van [naam C] aan deze (terug) te bezorgen. Op zeker moment wist hij dat [naam C] bang voor hem was. Kort voor 7 juni 2009 heeft verdachte ongevraagd [naam A] bij [naam C] langs gestuurd naar eigen zeggen om er bij [naam C] op aan te dringen dat de kwestie met zijn ex-werkgever nog afgewikkeld moest worden. Aan [naam A] moet echter tevoren door verdachte zijn verteld dat het ging om de vordering van € 200.000, belangrijk meer dus dan zelfs het hoogste bedrag dat [naam D] heeft genoemd. [naam A] heeft zich bij dat bezoek laten vergezellen door [naam B] en heeft zich daar, bij [naam C] aan de deur, schuldig gemaakt aan afpersing. Hij is daarvoor veroordeeld.

In deze strafzaak is het de vraag of verdachte die afpersing heeft uitgelokt. Het hof komt tot vrijspraak. De betrokkenheid van verdachte bij de geldkwestie tussen [naam C] en [naam D] blijft een onduidelijke, en door de ongevraagde activiteiten die verdachte daarbij ontwikkelde zelfs een dubieuze, welke tot zelfs meer dan een jaar na het ontstaan van de problemen heeft voortgeduurd. Het is volstrekt onduidelijk en het was alles behalve voor de hand liggend om [naam A], die hij – naar hij zelf zegt – niet of nauwelijks kende en die met de kwestie helemaal niets te maken had, bij [naam C] langs te sturen om hem nog eens te herinneren aan die geldkwestie. Opmerkelijk is ook dat verdachte aan [naam A] moet hebben gezegd dat het zou gaan om een schuld van € 200.000, doch dit in alle toonaarden ontkent. Bij deze stand van zaken acht het hof een scenario niet uitgesloten waarin verdachte erop uit was er als gevolg van zijn bemiddeling ten koste van [naam C] zelf beter op te worden. Maar er is onvoldoende bewijs dat verdachte [naam A] heeft uitgelokt in de betekenis van artikel 47 Wetboek van Strafrecht tot de afpersing waartoe het op die datum op de stoep van de woning van [naam C] kwam. Het hof kan – mede gelet op de verklaringen van [naam A] en verdachte dat verdachte uitdrukkelijk zou hebben gezegd dat er geen sprake mocht zijn van geweld of bedreigingen – niet buiten gerede twijfel uitsluiten dat [naam A] buiten de door verdachte gegeven opdracht te werk is gegaan. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor het oordeel dat verdachte willens en wetens heeft aanvaard dat [naam A] zo te werk zou gaan als hij in feite heeft gedaan. Weliswaar zal de opmerking van verdachte aan [naam A] niet zonder reden zijn gedaan, maar het hof acht dit onvoldoende. Daar komt bij dat er geen bewijsmiddel is waaruit het hof kan afleiden dat verdachte wel degelijk van de justitiële documentatie van [naam A] op de hoogte was. Dat leidt tot vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging. Evenmin is er voldoende bewijs dat hij daaraan medeplichtig is geweest. Ook van dat onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [naam C]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair of subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

De vordering van de benadeelde partij [naam C]:

Verklaart de benadeelde partij, [naam C], in haar vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr H.W. Koksma en mr J.A.W. Lensing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 8 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.