Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT6907

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
07-10-2011
Zaaknummer
21-003049-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Daderschap rechtspersoon. Redelijke toerekening vormt volgens de HR de grondslag voor daderschap van de rechtspersoon (HR 21 oktober 2003, NJ 2006, 328). Nu niet is komen vast te staan dat de activiteiten door de werknemer op enigerlei wijze voor verdachte zijn verricht en informatie omtrent de concrete onderlinge verhoudingen tussen dochteronderneming [naam dochteronderneming verdachte] en moederonderneming [verdachte] ontbreekt, is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat het tenlastegelegde redelijkerwijs (ook) aan verdachte kan worden toegerekend. De enkele omstandigheid dat er sprake is van een 100% moeder-dochter verhouding tussen de rechtspersonen is onvoldoende. Daderschap van verdachte kan derhalve niet worden bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003049-10

Uitspraak d.d.: 4 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Arnhem van 31 augustus 2010 in de strafzaak met parketnummer

05-001023-09 tegen

[verdachte],

gevestigd te [plaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr E. Benhaim, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 27 augustus 2008, in de gemeente Houten, in elk geval in Nederland, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A27, beroepsvervoer of eigen vervoer heeft verricht met een vrachtauto, bestelauto, gekentekend [kenteken],

ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met artikel 5.18.18 van het Voertuigreglement,

aangezien de vrachtauto zodanig was beladen dat de totale massa of de som van de aslasten van het voertuig 1.100 kilogram of daaromtrent meer bedroeg dan de voor het voertuig in het kentekenregister vermelde toegestane massa (te weten 3.500 kilogram).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

In de onderhavige zaak is op 27 augustus 2008 door verbalisanten geconstateerd dat een vrachtauto met kenteken [kenteken] te zwaar was beladen. De betreffende vrachtauto was eigendom van [naam dochteronderneming verdachte] en de chauffeur van de vrachtauto was ook in dienst van die B.V. [naam dochteronderneming verdachte] was (en is) een dochteronderneming van verdachte, [verdachte]

Een rechtspersoon (in de zin van artikel 51 Wetboek van Strafrecht) kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. Die redelijke toerekening vormt volgens de Hoge Raad grondslag voor het daderschap van de rechtspersoon (HR 21 oktober 2003, NJ 2006, 328).

Nu niet is komen vast te staan dat de activiteiten door de werknemer op enigerlei wijze voor verdachte zijn verricht en informatie omtrent de concrete onderlinge verhoudingen tussen dochteronderneming [naam dochteronderneming verdachte] en moederonderneming [verdachte] ontbreekt, is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat het tenlastegelegde redelijkerwijs (ook) aan verdachte kan worden toegerekend. De enkele omstandigheid dat er sprake is van een 100% moeder-dochter verhouding tussen de rechtspersonen is onvoldoende. Daderschap van verdachte kan derhalve niet worden bewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr L.E.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 4 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr L.E.M. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.