Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT6773

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
21-003054-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW9197, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gegevens die over de duwbakken en hun lading zijn overgelegd door verdachte en [naam], corresponderen niet. Ook de begeleidingsbrieven die afkomstig zijn van verdachte corresponderen niet met de intern door verdachte gebruikte gegevens. Bij deze stukken gaat het evenwel niet om oorspronkelijke begeleidingsbrieven.

Het beeld levert niet op dat ernstig rekening zou moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat er ten tijde van het transport op 14 november 2006 wél twee begeleidingsbrieven moeten zijn geweest. Het is evenmin aannemelijk geworden dat het geconstateerde verzuim tijdens het transport en vóór de inontvangstname door verdachte is hersteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003054-09

Uitspraak d.d.: 8 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 februari 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr R. de Bree, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 14 november 2006 in de gemeente Druten als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, al dan niet opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten verontreinigde baggerslib (klasse 2), in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een omschrijving en/of een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werden verstrekt, aangezien de baggerslib werd aangevoerd met

- een duwbak, de [duwbak], met een daarbij behorende begeleidingsbrief die niet volledig conform voornoemd artikel was ingevuld aangezien de datum van aanvang transport, de naam of het kenteken van het transportmiddel, de geschatte hoeveelheid van de lading en/of de handtekeningen van de afzender, ontdoener en/of transporteur ontbrak(en),

en/of

- een duwbak, de [duwbak], welke in het geheel niet vergezeld ging van een begeleidingsbrief.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte materieel aan de verplichtingen heeft voldaan die haar op grond van de Wet milieubeheer zijn opgelegd. De combinatie van de begeleidingsbrieven en de interne aflever/innamebonnen van verdachte leidt ertoe dat alle gegevens die op grond van de Wet milieubeheer bekend behoorden te zijn, ook daadwerkelijk bekend waren.

Met betrekking tot de begeleidingsbrief bij duwbak ‘[duwbak]’ heeft de raadsman betoogd dat deze wel is aangeleverd, maar in het verhoor op 1 februari 2007 niet ter sprake is geweest; tijdens het verhoor is slechts de begeleidingsbrief bij duwbak ‘[duwbak]’ aan de orde geweest.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken.

Voor de beoordeling van de door de raadsman gevoerde weren is het volgende van belang

Artikel 10.40 lid 2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat het een persoon als bedoeld in het eerste lid van dit artikel (dat wil zeggen: een persoon aan wie bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven) verboden is om voornoemde stoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b worden verstrekt.

Dit laatste artikel luidt als volgt:

Artikel 10.39

1. Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e, verstrekt:

a. aan deze persoon een omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van die afvalstoffen;

b. aan degene die opdracht heeft de afvalstoffen naar die persoon te vervoeren, een begeleidingsbrief.

2.De begeleidingsbrief bevat ten minste de in het eerste lid, onder a, en de in artikel 10.38, eerste lid, bedoelde gegevens.

Artikel 10.38 lid 1 vervolgens luidt:

1.Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige afgifte:

a. de datum van afgifte b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.

Artikel 10.41 van de Wet milieubeheer bepaalt onder meer‘bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de artikelen 10.38 tot en met 10.40 uitvoering wordt gegeven’.

Het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (hierna: het besluit) bepaalt in artikel 12, eerste lid dat voor de begeleidingsbrief gebruik wordt gemaakt van een bij regeling door de minister vastgesteld formulier.

Artikel 6 eerste lid in verbinding met de bijlage punt C onder 1 van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (hierna: de Regeling) schrijft de inhoud van de begeleidingsbrief voor en geeft daarvan tevens een format. Uit de toelichting ten behoeve van de invulling van de begeleidingsbrief volgt – voor zover van belang – dat de geschatte/gewogen hoeveelheid (Kg) per vracht vermeld dienen te worden en tevens wordt bepaald ‘dat de begeleidingsbrief alleen geldig is wanneer alle verplicht (gerasterde) vakken zijn ingevuld en er handtekeningen zijn geplaatst door daartoe bevoegde (gemandateerde) functionarissen’.

Ten aanzien van de door de raadsman gevoerde verweren merkt het hof vooreerst op dat de interne aflever/innamebonnen die door verdachte zelf bij of naar aanleiding van een inontvangstname worden gebruikt niet op één lijn zijn te stellen met de begeleidingsbrief die in voornoemde wettelijke bepalingen aan de orde is en die een transport behoort te vergezellen. Ook kunnen die bonnen een op zichzelf incomplete begeleidingsbrief niet aanvullen of vervangen. Op dat onderdeel wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Voor wat betreft de begeleidingsbrieven van de afzonderlijke duwbakken geldt het volgende. De tenlastelegging verwijt verdachte dat op de begeleidingsbrief ter zake van duwbak ‘[duwbak]’ niet is ingevuld de datum van aanvang transport, de naam of het kenteken van het transportmiddel, de geschatte hoeveelheid van de lading en de handtekeningen van de afzender, ontdoener en/of transporteur. Met de raadsman is het hof van oordeel dat het invullen van de gegevens omtrent datum van aanvang transport niet verplicht is gesteld (de Regeling spreekt van de datum van ontvangst van het transport en dit deel hoeft bovendien slechts te worden ingevuld indien het adres waar de afvalstoffen worden ontvangen een ander adres is dan in het vak 4a genoemde adres van de ontvanger). Ook het vermelden van de naam of kenteken van het transportmiddel is niet vereist op grond van het samenstel van voornoemde artikelen.

Echter, in strijd met artikel 10.38 lid 1 onder c van de Wet milieubeheer en in strijd met het daarop gebaseerde artikel 6 eerste lid in verbinding met de bijlage punt C onder 1 van de Regeling, is verzuimd te vermelden de geschatte hoeveelheid van de lading. Voorts ontbreken de handtekeningen op de brief. Gelet op voorgaande acht het hof bewezen dat de begeleidingsbrief in elk geval in zoverre niet volledig was ingevuld. De aanwezigheid van de handtekeningen op een dergelijk stuk acht het hof, gelet op de functie van een dergelijk officieel formulier van wezenlijk belang ook al wordt de de eis dat die handtekeningen daadwerkelijk worden geplaatst in de desbetreffende bepalingen niet uitdrukkelijk vermeld.

Ten aanzien van duwbak ‘[duwbak]’ verwijt de tenlastelegging verdachte dat de begeleidingsbrief daarbij in het geheel heeft ontbroken. Uit de verklaring van [naam] blijkt dat hij ten tijde van de controle slechts één begeleidingsbrief op zijn schip aanwezig had, welke in het dossier te vinden is als bijlage 1. Deze begeleidingsbrief vermeldt niet de geschatte hoeveelheid van de lading en ook de handtekeningen ontbreken daarop. Volgens [naam] bevatte elk van de duwbakken ongeveer 300 m3 baggerspecie. Onduidelijk is op welke van de twee aanwezige duwbakken deze brief betrekking had.

De vertegenwoordiger van verdachte, [naam vertegenwoordiger], heeft op 1 februari 2007 verklaard dat bij de lading een niet geheel ingevulde begeleidingsbrief zat. Hij heeft een acceptatieformulier overgelegd, afkomstig uit de interne administratie. Hieruit blijkt dat uit de baggerbak ‘[duwbak]’ (nummer vrachtbrief [nummer]), een hoeveelheid van 284 m3 baggerspecie is gelost. De gegevens van de tweede bak ontbraken. Uit nadien toegezonden gegevens (nummer vrachtbrief: 13622027) blijkt dat de duwbak ‘[duwbak]’ een volume van 280 m3 bevatte.

Op 14 februari 2007 zijn van [naam] (werkzaam bij het waterschap Rijn en IJssel), alsnog twee begeleidingsbrieven ontvangen voor de twee duwbakken, nadat verbalisanten hadden verzocht om twee formulieren op te sturen zoals deze aanwezig hadden moeten zijn. Uit die formulieren blijkt dat de ‘[duwbak]’ (nu genummerd [nummer]) een hoeveelheid van 284 m3 bevatte en de ‘[duwbak]’ (nu genummerd [nummer]) een hoeveelheid van 280 m3.

Bij pleidooi heeft de raadsman twee begeleidingsbrieven overgelegd, afkomstig van verdachte, welke zijn afgegeven op 22 november 2006, dus ruim na 14 november 2006. Eén brief ziet op ‘[nummer]’ (genummerd [nummer]) en vermeldt een hoeveelheid van 280 m3 en de andere ziet op ‘[duwbak]’ (genummerd [nummer]) en vermeldt een hoeveelheid van 284 m3. Dit terwijl de intern aangehechte bonnen (zoals [naam] ook heeft verklaard) ten aanzien van de ‘[duwbak]’ een hoeveelheid van 280 m3 vermelden onder vrachtbriefnummer [nummer] en ten aanzien van de ‘[duwbak]’ een hoeveelheid van 284 m3 onder vrachtbriefnummer [nummer].

Uit het voorgaande volgt dat de gegevens die over de duwbakken en hun lading zijn overgelegd door verdachte en [naam], niet met elkaar corresponderen. De nummers die verdachte en [naam] gebruiken voor de vrachtbrieven van de verschillende duwbakken komen niet met elkaar overeen. Ook de begeleidingsbrieven die afkomstig zijn van verdachte corresponderen niet met de intern door verdachte gebruikte gegevens. Bij deze stukken gaat het evenwel niet om oorspronkelijke begeleidingsbrieven. Dat blijkt uit de gesignaleerde verschillen, dat lag besloten in het verzoek van verbalisanten zoals hiervoor vermeld en dat blijkt uit het feit dat de schipper maar over één begeleidingsbrief beschikte. Het beeld levert niet op dat ernstig rekening zou moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat er ten tijde van het transport op 14 november 2006 wél, zoals het verweer wil, twee begeleidingsbrieven moeten zijn geweest, voor elke bak één en dus ook één voor de [duwbak]. Het is evenmin aannemelijk geworden dat het geconstateerde verzuim tijdens het transport en vóór de inontvangstname door verdachte is hersteld. De besproken stukken wijzen dat niet uit. Het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde ten aanzien van duwbak [nummer].

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 14 november 2006 in de gemeente Druten als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten verontreinigde baggerslib (klasse 2), in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werden verstrekt, aangezien de baggerslib werd aangevoerd met

- een duwbak, de [duwbak], met een daarbij behorende begeleidingsbrief die niet volledig conform voornoemd artikel was ingevuld aangezien de geschatte hoeveelheid van de lading en de handtekeningen van de afzender, ontdoener en/of transporteur ontbraken,

en

- een duwbak, de [duwbak], welke in het geheel niet vergezeld ging van een begeleidingsbrief.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 tweede lid van de Wet milieubeheer.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft twee duwbakken met daarin vervuilde baggerspecie in ontvangst genomen terwijl van één van die duwbakken de begeleidingsbrief onvolledig was ingevuld en van de andere duwbak de begeleidingsbrief in het geheel ontbrak. Door aldus te handelen heeft verdachte de regelgeving die geldt voor het in ontvangst nemen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen geschonden.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 december 2010 niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van enig strafbaar feit. Voorts is meegewogen dat het feit dateert van 2006 en dat het arrest van het hof is gewezen op 8 maart 2011.

Gelet op voorgaande is het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1000,- passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet economische delicten, de artikelen 10.38, 10.39, 10.40 en 10.41 van de Wet milieubeheer, artikel 12 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en artikel 6 en punt C onder 1 van de bijlage van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvastoffen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro).

Bepaalt dat de geldboete niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr H.W. Koksma en mr J.A.W. Lensing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 8 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.