Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT6177

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
21-001107-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Etiketteringseis “geschikt voor particulier gebruik”. Deze kan niet gelden voor consumentenvuurwerk dat niet voldoet aan de daaraan krachtens de Wet milieubeheer en het Vuurwerkbesluit te stellen eisen en uiteraard niet voor naar zijn aard professioneel vuurwerk. Daarom kan niet worden bewezen dat ten aanzien van het in de tenlastelegging bedoelde vuurwerk niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde etiketteringseis en dient vrijspraak voor dat onderdeel te volgen.

Onrechtmatig binnentreden. Indien achteraf komt vast te staan dat de in de woning aanwezige persoon niet gerechtigd was tot het geven van toestemming, betekent dit niet dat de huiszoeking onrechtmatig was (HR 22 maart 1994, NJ 1994, 512). Bovendien waren de verbalisanten in het bezit van een machtiging tot binnentreden, zodat als vader al geen toestemming had mogen geven voor de binnentreding, van die machtiging gebruik zou zijn gemaakt, zodat verdachte niet in zijn belangen zou zijn geschaad. De verbalisanten zijn derhalve op rechtmatige wijze de woning van verdachte binnengetreden. Dat zij zich bij het binnentreden niet hebben gelegitimeerd of het doel van het binnentreden hebben vermeld, doet hier niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001107-09

Uitspraak d.d.: 5 april 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zutphen van 19 januari 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode en plaats], [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in [verblijfslocatie] te Nieuwegein.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 15 juni 2010 en 22 maart 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr J.H. Stam, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2006, althans in of omstreeks de maand november 2006, te Wilp, in de gemeente Voorst, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten zeven Chinese rollen en/of zes ratelbanden en/of 1800 nitraatklappers (rotjes), althans een hoeveelheid consumentenvuurwerk, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers

? waren die Chinese rollen en/of die ratelbanden en/of die nitraatklappers niet voorzien van de aanduiding "Geschikt voor particulier gebruik" en/of

? waren vier Chinese rollen niet voorzien van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of

? voldeed de lading van die Chinese rollen en/of die ratelbanden en/of die nitraatklappers, in strijd met het gestelde in artikel 9 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 niet aan de in bijlage III per categorie (te weten categorie A1/A2) behorende bij die regeling gestelde eisen; de lading bestond niet uit uitsluitend zwart buskruit.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak “geschikt voor particulier gebruik”

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 februari 2005, LJN AR 3214, onder meer het volgende overwogen (overweging 3.6.3.):

“Uit die Toelichting (Nota van Toelichting bij art. 4 Vuurwerkbesluit (oud)) valt af te leiden dat de voorgeschreven aanduiding “bestemd voor particulier gebruik” -die vanaf het moment dat het vuurwerk in Nederland in het vrije verkeer wordt gebracht, moet zijn aangebracht- ertoe strekt te voorkomen dat professioneel vuurwerk in handen van particulieren komt. Die etikettering is dus uit preventief oogpunt voorgeschreven. Daarmee is niet verenigbaar dat wat betreft de term “bestemd voor particulier gebruik” in art. 4 niet uitsluitend de aard van het vuurwerk, maar mede de uiteindelijke feitelijke bestemming bepalend zou zijn. Dan zou immers het tegengestelde worden bereikt van hetgeen met het voorschrift van art. 4 is beoogd. Professioneel vuurwerk dat, vanaf het moment dat het in het verkeer is gebracht, als zodanig is aangeduid dan wel in het geheel geen aanduiding bevat, maar niettemin aan particulieren wordt verstrekt, zou dan immers alsnog moeten worden voorzien van de aanduiding “bestemd voor particulier gebruik”, terwijl dat vuurwerk nu juist in handen van particulieren gevaar oplevert.”

Derhalve kan de etiketteringseis “geschikt voor particulier gebruik” ook niet gelden voor consumentenvuurwerk dat niet voldoet aan de daaraan krachtens de Wet milieubeheer en het Vuurwerkbesluit te stellen eisen en uiteraard niet voor naar zijn aard professioneel vuurwerk. Daarom kan niet worden bewezen dat ten aanzien van het in de tenlastelegging bedoelde vuurwerk niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde etiketteringseis en dient vrijspraak voor dat onderdeel te volgen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Onrechtmatig binnentreden

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden, hetgeen zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting.

Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de vader van verdachte, die toestemming heeft verleend tot het onderzoek, niet de hoofdbewoner was van de woning en dat de verbalisanten zich niet hebben gelegitimeerd en niet hebben vermeld wat het doel was om binnen te treden in de woning.

Het hof verwerpt dit verweer. De vader van verdachte had de verbalisanten toestemming gegeven om de woning te betreden. In het onderhavige geval mochten de verbalisanten er van uitgaan dat de vader van verdachte gerechtigd was tot het geven van die toestemming. Indien achteraf komt vast te staan dat de in de woning aanwezige persoon niet gerechtigd was tot het geven van toestemming, betekent dit niet dat de huiszoeking onrechtmatig was (HR 22 maart 1994, NJ 1994, 512). Bovendien waren de verbalisanten in het bezit van een machtiging tot binnentreden, zodat als vader al geen toestemming had mogen geven voor de binnentreding, van die machtiging gebruik zou zijn gemaakt, zodat verdachte niet in zijn belangen zou zijn geschaad.

De verbalisanten zijn derhalve op rechtmatige wijze de woning van verdachte binnengetreden. Dat zij zich bij het binnentreden niet hebben gelegitimeerd of het doel van het binnentreden hebben vermeld, doet hier niet aan af.

Telefoontaps

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de uitgewerkte telefoongesprekken die zich in het dossier bevinden van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu de telefoontaps afkomstig zijn uit een ander onderzoek in verband met de handel in harddrugs, waar geen redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van verdachte en in de onderhavige zaak het tappen van telefoonnummers niet is toegestaan.

Nu het hof de uitgewerkte telefoongesprekken niet voor het bewijs heeft gebezigd, behoeft dit verweer geen nadere bespreking.

Onderzoek NFI

De raadsman heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat het vuurwerk dat in beslag is genomen specifiek is onderzocht, zodat niet bewezen kan worden dat het inbeslaggenomen vuurwerk iets anders dan zwart buskruit bevatte. Een algemene deskundigenverklaring van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende die soorten vuurwerk is onvoldoende, aldus de raadsman.

- ten aanzien van de Chinese rollen

Door de politie is een onderzoek ingesteld naar het inbeslaggenomen vuurwerk. Daarbij is vastgesteld dat vier van de Chinese rollen niet voorzien waren van een Nederlandse gebruiksaanwijzing.

In het dossier bevindt zich een deskundigenrapport van het NFI waarin verslag wordt gedaan over de lading van een aantal soorten Chinese rollen. In het dossier ontbreekt echter een zodanige omschrijving en foto’s van de bij verdachte aangetroffen Chinese rollen om vast te kunnen stellen dat het om hetzelfde vuurwerk gaat als dat is getest door het NFI. Derhalve kan niet bewezen worden dat ten aanzien van de Chinese rollen niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eis dat de lading uitsluitend uit zwart buskruit mag bestaan.

- ten aanzien van de ratelbanden

Uit het statusoverzicht inbeslaggenomen vuurwerk (pagina 21- 24 van het proces-verbaal) blijkt dat verbalisant [naam] een aantal rotjes van de ratelband heeft gedemonteerd, waarbij is gebleken dat de lading van de ratelband niet uit uitsluitend in Nederland toegelaten zwart buskruit. Gelet hierop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ratelbanden voorhanden heeft gehad, waarvan de lading niet uitsluitend uit zwart buskruit bestond.

- ten aanzien van de nitraatklappers

Ten aanzien van dit vuurwerk bevindt zich in het dossier een deskundigenrapport van het NFI waarin verslag wordt gedaan over knalvuurwerk met lont, waaronder nitraatklappers. Uit dat onderzoek blijkt dat de onderzochte samenstellingen niet voldeden aan de eis dat de lading uitsluitend mag bestaan uit zwart buskruit. De omschrijvingen en foto’s van de bij verdachte aangetroffen nitraatklappers, vergeleken met de omschrijvingen en foto’s van het door het NFI geteste vuurwerk, wijzen erop dat het om hetzelfde soort vuurwerk gaat.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte nitraatklappers voorhanden heeft gehad, waarvan de lading niet uitsluitend uit zwart buskruit bestond.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 november 2006, te Wilp, in de gemeente Voorst opzettelijk consumentenvuurwerk, te weten zeven Chinese rollen en zes ratelbanden en 1800 nitraatklappers (rotjes), althans een hoeveelheid consumentenvuurwerk, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers

? waren vier Chinese rollen niet voorzien van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en

? voldeed de lading van die ratelbanden en die nitraatklappers, in strijd met het gestelde in artikel 9 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 niet aan de in bijlage III per categorie (te weten categorie A1/A2) behorende bij die regeling gestelde eisen; de lading bestond niet uit uitsluitend zwart buskruit.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten rechtvaardigt op zich een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter gelet op de persoon van verdachte en de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit dateert van 2006, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 van het Vuurwerkbesluit.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 2 (twee) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering doorgebracht, te weten totaal 1 (één) dag.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr H.W. Koksma en mr L.E.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 5 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr L.E.M. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.