Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT2937

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
200.079.071/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opbrengst nertsenfarm had aangewend kunnen worden voor de betaling van de kinderalimentatie. Kostenveroordeling in beide instanties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 september 2011

Zaaknummer 200.079.071/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Broersma, kantoorhoudende te Putten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.M. van de Lest-van Berkel, kantoorhoudende te Utrecht.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 22 september 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad,

locatie Lelystad, voor zover in hoger beroep van belang, de man in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de kosten van de procedure gecompenseerd, in die zin dat de man en de vrouw de eigen kosten dragen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 december 2010, heeft

de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

de beschikking van 22 september 2010 te vernietigen voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de man en opnieuw beslissende te bepalen dat de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 14 september (het hof leest:) 2005 gewijzigd zal worden, in die zin dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1]), geboren [in 2002], en [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]), geboren [in 2004], met ingang van 1 augustus 2009 op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 17 februari 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans diens verzoeken in hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, althans voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld

en daarin verzocht de beschikking van 22 september 2010 te wijzigen ter zake

het oordeel over de proceskosten, in die zin dat de man veroordeeld wordt in de proceskosten gerelateerd aan de procedure bij de rechtbank, alsmede de man te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 30 maart 2011, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 29 juni 2011 met bijlagen van mr. Broersma en een brief van 5 juli 2011 met bijlagen van mr. Van de Lest-van Berkel.

Ter zitting van 9 augustus 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Broersma, en de vrouw, bijgestaan door mr. Van de Lest-van Berkel. Zowel mr. Broersma als mr. Van de Lest-van Berkel heeft ter zitting van het hof een pleitnotitie overgelegd.

De beoordeling

Nagekomen stukken

1. Bij de griffie van het hof is op 2 augustus 2011 een brief met een bijlage van

mr. Broersma en op 5 augustus 2011 een faxbericht met bijlagen van mr. Van de Lest-van Berkel binnengekomen. Art. 1.4.3. van het procesreglement verzoek-schriftprocedures familiezaken gerechtshoven houdt in dat uiterlijk de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd. Op stukken die nadien worden overgelegd wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Voornoemde stukken zijn weliswaar te laat, maar het hof zal er toch acht op slaan. Partijen hebben namelijk aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen kennisneming daarvan door het hof en de stukken zijn kort en eenvoudig te doorgronden.

De vaststaande feiten

2. Partijen zijn op 10 april 1997 met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk [kind 1] en [kind 2] zijn geboren. Het huwelijk van partijen is op 20 september 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Sinds het uiteengaan van partijen hebben [kind 1] en

[kind 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3. Partijen hebben op 6 september 2005 een echtscheidingsconvenant ondertekend, waarin zij (onder meer) zijn overeengekomen dat de man een bedrag van € 430,-- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen.

4. Bij beschikking van 14 september 2005 is, overeenkomstig het bepaalde in

het echtscheidingsconvenant, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] een bedrag van € 430,-- per

kind per maand aan de vrouw dient te betalen.

5. Bij inleidend verzoekschrift van 28 augustus 2009 heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat de beschikking van de rechtbank Zutphen van

14 september 2005 gewijzigd zal worden,

in die zin dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen met ingang van 1 augustus 2009 op nihil

wordt gesteld. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd.

6. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing, voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de man, is het hoger beroep van de man gericht.

De geschilpunten

7. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de wijziging van omstandigheden;

- de proceskosten.

De wijziging van omstandigheden

8. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in die zin dat de beschikking van 14 september 2005, waarbij - op basis van de afspraken die zijn neergelegd in het door partijen op 6 september 2005 ondertekende echtscheidingsconvenant - is bepaald dat de man gehouden is een bedrag van € 430,-- per kind per maand aan kinder-alimentatie te betalen, ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

9. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de door de man overgelegde jaarstukken ter onderbouwing van zijn stelling, dat de inkomsten uit zijn bedrijf sterk zijn verminderd als gevolg van de economische crisis in de huizenmarkt, en die daardoor een negatief bedrijfsresultaat laten zien, niet maatgevend zijn, omdat behaalde resultaten sterk kunnen fluctueren, hetgeen inherent is aan het voeren van een onderneming en behoort tot het risico van de ondernemer.

Uit de door de man overgelegde jaarstukken 2010 blijkt namelijk dat een netto

winst is behaald van € 12.487,--, terwijl in 2009 nog sprake was van een

negatief bedrijfsresultaat.

10. Daar komt bij dat de man zijn stelling, dat hij door de verminderde inkomsten uit zijn bedrijf onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde kinderbijdrage te blijven betalen, onvoldoende nader met stukken heeft onderbouwd, nu hij heeft nagelaten de beschikbare belastingaanslagen over de jaren 2008 tot en met 2010

over te leggen. De man heeft door het enkel overleggen van belastingaangiftes onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn financiële situatie. De man heeft voorts nagelaten de definitieve jaarstukken over het jaar 2010 over te leggen.

11. De man heeft ter zitting van het hof nog een bewijsaanbod gedaan, inhoudende dat zijn accountant (telefonisch) zou kunnen bevestigen dat de belastingaanslagen 2008 tot en met 2010 conform de gedane aangiftes zijn. Gelet op de stand waarin het geding zich bevindt, oordeelt het hof het door de man gedane bewijsaanbod tardief en zal het worden gepasseerd. Tot dit oordeel draagt bij dat de man ingevolge artikel 2.1.1 van het toepasselijke procesreglement de belasting-aangifte(n) al in een eerder staduim in het geding had dienen te brengen.

12. Wat er verder ook zij van de door de man aangevoerde daling van de resultaten

uit zijn bedrijf, naar 's hofs oordeel kan niet gezegd worden dat een en ander een negatief effect heeft op de draagkracht van de man. Immers, uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man op 28 juli 2011 zijn nertsenfarm heeft verkocht voor een bedrag van (in totaal) ruim € 300.000,-- en dat hij met een deel van de opbrengst van die verkoop het pand aan de Van 't Oeverstraat 9 (naast zijn eigen woning) heeft gekocht voor een bedrag van € 280.000,--. De man heeft ter zitting van het hof aangegeven dat hij, na de door hem aangekochte woning te hebben opgeknapt, verwacht de woning te kunnen doorverkopen met een winst van € 5.000,-- a € 10.000,-- en dat hij de woning tot het moment van verkoop wil gaan verhuren. Naar het oordeel van het hof dient de keuze van de man om de opbrengsten uit de verkoop van de nertsenfarm te investeren in onroerend goed met een onzekere prognose niet ten koste te gaan van zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 1] en [kind 2]. Het hof zal er derhalve van uitgaan dat de man het bedrag van € 300.000,--, althans in elk geval een redelijk rendement daarvan, tot zijn beschikking heeft ter voldoening van de vastgestelde alimentatieverplichting.

13. Ten aanzien van de stelling van de man, dat hij het in het echtscheidingsconvenant genoemde bedrag van € 430,-- dat hij aan kinderalimentatie zou moeten betalen op basis van zijn inkomsten (in 2005) helemaal niet kon betalen en dat voornoemd bedrag derhalve veel te hoog was, merkt het hof het volgende op.

Voor zover de man heeft willen stellen dat de in het echtscheidingsconvent genoemde alimentatieafspraken zijn aangegaan met grove miskenning van

de wettelijke maatstaven, passeert het hof deze stelling, nu op grond van de beschikbare stukken en hetgeen partijen hierop ter aanvulling hebben aangevoerd niet kan worden afgeleid hoe de afspraken, zoals die zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant, tot stand zijn gekomen.

14. Het hof is, op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, van oordeel dat de man in staat moet worden geacht de bij beschikking van 14 september 2005 vastgestelde kinderalimentatie ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] van € 430,-- per kind per maand te kunnen blijven voldoen.

De proceskosten

15. Het hof ziet in het door de vrouw aangevoerde aanleiding om de man als de in het ongelijk gestelde partij, zoals door de vrouw verzocht, te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

16. De proceskosten van de vrouw worden, naast het door de vrouw verschuldigde griffierecht van € 208,--, ten aanzien van de procedure in prima overeenkomstig het forfaitaire liquidatietarief begroot op € 904,- (tarief 2, eerste aanleg, 2 punten, € 452,- per punt: 1 punt voor het verweerschrift in rekestprocedures en 1 punt voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank).

17. Ten aanzien van de procedure in hoger beroep worden de proceskosten van

de vrouw, naast het door de vrouw verschuldigde griffierecht van € 280,--, overeenkomstig het forfaitaire liquidatietarief begroot op € 2.235,-- (tarief 2, principaal appel van rechtbank op hof, 2½ punten, € 894,-- per punt:

1 punt voor het verweerschrift in rekestprocedures, 1 punt voor de mondelinge behandeling bij het hof en ½ punt voor het incidenteel appel van rechtbank op hof).

Slotsom

18. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof beslissen als na te melden.

Ter toelichting daarop dient dat, nu de man aan zijn verzoek wijziging van omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, hij daarin wel ontvankelijk is, maar het verzoek moet worden afgewezen, omdat het hof een relevante wijziging niet aanwezig acht.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijst af het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw:

- in de procedure in prima: op € 208,-- aan verschotten en op € 904,-- aan salaris voor de advocaat,

- in de procedure in hoger beroep: op € 280,-- aan verschotten en op € 2.235,--

aan salaris voor de advocaat,

derhalve in totaal € 3.627,--, te voldoen aan de griffier van dit hof, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 lid 2 Rv.

De beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, R. Feunekes

en D.J. Buijs, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

20 september 2011 in bijzijn van de griffier.