Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT2926

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
21-004217-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de materie verdiept en dat staat, in samenhang met hetgeen verder is overwogen, in de weg aan een bewezenverklaring van het "redelijkerwijze had kunnen vermoeden" (waar het om het primair tenlastegelegde gaat) of het "wist of redelijkerwijs had kunnen weten" van het subsidiaire tenlastegelegde. Vrijspraak van zowel het een als het ander moet dus volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004217-09

Uitspraak d.d.: 17 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zutphen van 16 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode en plaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr P.J.G. Poels, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 13 september 2008, althans/en/of in geruime periode hiervoor, in de gemeente [naam gemeente] te [plaats], op of in de bodem (een) handeling(en) heeft verricht, te weten een hoeveelheid (ongeveer 10 kuub) paardenmest op en/of in de bodem heeft gebracht, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en/of al dan niet opzettelijk niet aan zijn verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

Subsidiair

hij op of omstreeks 13 september 2008, althans/en/of in geruime periode hiervoor aan voorafgaande, in de gemeente [naam gemeente] te [plaats], bij wie afvalstoffen waren ontstaan (paardenmest) handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht of na heeft gelaten waarvan hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen/(neven)effecten voor het milieu zouden ontstaan of zouden kunnen ontstaan, immers heeft verdachte zich op een perceel aan de [straatnaam] ontdaan van paardenmest of heeft dit ingezameld of anderszins toegepast of bewaard door deze mest (voor een groot gedeelte) te storten, te brengen of (voor langere tijd) op te slaan op onbeschermde bodem, niet zijnde een mestdichte vloer met opstaande randen of een tenminste gelijkwaardige voorziening waarbij mestvocht niet in contact kon treden met de bodem en het oppervlaktewater en/of niet onder een vaste constructie (zeil, overkapping of bovenafdekking) waarbij zodanig contact met hemelwater zoveel mogelijk werd voorkomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

1. Verdachte heeft op zijn erf, deels op en (door wat ongelukkige, toevallige omstandigheden) náást een vloer van betonnen platen, paardenmest opgeslagen. Het betreft een vloer van Stelcon-platen die geen vloeistofdichte ondergrond vormen. Dergelijke platen sluiten (immers) niet naadloos op elkaar aan. Het is niet gesteld of gebleken dat tussen die platen, in de naden, een afdichting was aangebracht. Dat betekent dat bij regenval op die mesthoop regenwater (de mesthoop was niet overdekt), dat niet door die hoop werd en wordt geabsorbeerd en vastgehouden, door de naden tussen die platen in de bodem kon en kan komen.

2. De vraag waar het in dit geding om draait en betrokken op de tenlastelegging is of verdachte “wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) (lees: zo en met een dergelijke ondergrond een mesthoop aanleggen) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast”. Dat geldt het primair tenlastegelegde. Waar het gaat om het subsidiair tenlastegelegde is het de vraag of verdachte “wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor (lees: hetzelfde feitencomplex) nadelige gevolgen/(neven) effecten voor het milieu zouden ontstaan of zouden kunnen ontstaan”. De vraag moet worden beantwoord naar de stand van zaken “op of omstreeks 13 september 2008”, het tijdvak waarop de tenlastelegging zowel voor wat het primair als het subsidiair betreft betrekking heeft.

3. Paardenmest is in vergelijking met runder- of varkensmest, zeker als het samen met het stro uit de stal waarin zich die mest bevindt, wordt opgeslagen, een betrekkelijk droge substantie. Gelet op dat laatste is er onvoldoende om aan te nemen dat de niet-naadloze vloer onder die mesthoop een (toch) voor verdachte kenbaar onvoldoende voorziening was tegen doorsijpelen van niet door die mesthoop zelf geabsorbeerd regenwater of ander vocht.

4. De gedachte is lang geweest dat paardenmest voor de bodem geen kwaad kon. Het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2000, NJ 2000/445, LJN AA 6088, getuigt daar op dat moment nog van. Daarin is nadien met het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 september 2010, LJN BN 8480, verandering gekomen. Inmiddels wordt het zo gezien dat ook door dergelijke mest en in het bijzonder bij een puntbelasting daarvan (door bijvoorbeeld een mesthoop) van uitspoeling van allerlei nutriënten en in die mest aanwezige andere stoffen een verontreiniging of aantasting van de bodem het gevolg zijn. Maar dat verdachte destijds (in september 2008 en daarvoor al) redelijkerwijs moest weten dat zulks met de ondergrond van zijn mesthoop ook het geval was of zou zijn, komt niet uit de verf.

5. Uit het dossier blijkt evenmin dat verdachte van dit gewijzigd inzicht vóór 13 september 2008 op de hoogte is geweest of had moeten zijn terwijl, anderzijds, wel aannemelijk en in elk geval niet te weerleggen is dat verdachte zich in deze materie heeft verdiept. Hij heeft de website van Infomil, een openbare bron, “een schakel tussen de beleidsmakers van (lees:destijds) het ministerie van VROM en gemeenten, provincies en waterschappen die dit beleid (lees: het milieubeleid) uitvoeren” geraadpleegd. Die website bracht hem bij het Besluit landbouw milieubeheer (dat overigens niet op hem van toepassing is) en hij heeft daaraan blijkbaar ontleend dat zijn mesthoop, omdat het organisch stofgehalte (de stro) ten minste 25% was, over voldoende absorberende eigenschappen beschikte, in overeenstemming met de (die) regelgeving was. Dat laatste geldt dan, zo begrijpt het hof, ook voor de mest die door omstandigheden naast de ondergrond van de Stelcon-platen terecht was gekomen, want daarvoor geldt hetgeen hiervoor sub 4 is overwogen.

6. De hiervoor besproken opvatting van verdachte is onjuist, maar de kern van de kwestie is dat verdachte zich in de materie verdiept heeft en dat staat, in samenhang met hetgeen verder hiervoor werd overwogen, in de weg aan een bewezenverklaring van het "redelijkerwijze had kunnen vermoeden" (waar het om het primair tenlastegelegde gaat) of het "wist of redelijkerwijs had kunnen weten" van het subsidiaire tenlastegelegde. Vrijspraak van zowel het een als het ander moet dus volgen.

7. Het zal verdachte intussen wel duidelijk zijn dat hij met een dergelijke wijze van opslag na de in deze zaak in rechte daarover gevoerde discussie intussen niet langer meer kan volstaan.

8. De zo-even bereikte conclusie levert op dat de verdere -in het vorenstaande niet aan de orde gekomen- verweren geen bespreking meer behoeven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr B.W.M. Hendriks en mr J.H.M. Zwinkels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 17 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr J.H.M. Zwinkels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.