Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT2885

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
24-002356-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art 11 Flora- en faunawet. Beschadiging, vernieling, verstoring van een zwanennest. Vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002356-10

Uitspraak d.d.: 13 september 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 september 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1958],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling ter zake hiervan tot een geldboete van € 400,- subsidiair 8 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 200,- subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. P. Stehouwer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 11 mei 2009, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk een nest, hol of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaats van een zwaan, zijnde een beschermde inheemse diersoort, heeft beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord, door met een tractor voorzien van een maai-inrichting en/of met een hooischudder een aantal malen, althans een maal, over het nest te rijden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Verdachte wordt - kort gezegd en voor zover hier van belang - verweten al dan niet met een ander een zwanennest te hebben beschadigd, vernield dan wel te hebben verstoord.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat verdachte en zijn broer een perceel land, waarop zich een bebroed zwanennest bevond, hebben gemaaid en vervolgens het land hebben bewerkt met een hooischudder. Voorts is gebleken dat het nest is vernield.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat zijn broer met de tractor en de grasmaaier over het nest is gereden. Hij heeft verklaard dat hij zelf met de tractor met de hooischudder reed en dat hij, ongeveer een half uur nadat zijn broer was begonnen met het maaien, met de hooischudder het gemaaide land heeft bewerkt. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij, vanwege de omvang van de hooischudder, het nest - dat aan de rand van het gemaaide perceel lag - niet kan hebben overreden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij niet wist dat zijn broer met de grasmaaier over het nest zou rijden.

Op grond van het verhandelde ter zitting en de dossierstukken kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zelf de in de tenlastelegging genoemde handelingen met het zwanennest heeft verricht.

Voorts blijkt uit het verhandelde ter zitting van het hof noch uit de stukken van het dossier van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking, dat zou kunnen worden bewezen dat verdachte de handelingen heeft medegepleegd.

Voorts overweegt het hof dat het dossier geen antwoord geeft op de vraag of de in de tenlastelegging genoemde zwaan een beschermde diersoort betreft in de zin van artikel 4, eerste lid, juncto artikel 4, vierde lid, van de Flora- en Faunawet en de bijlagen van de Bekendmaking lijsten beschermde diersoorten, dan wel een krachtens artikel 4, tweede of derde lid, van de Flora- en Faunawet aangewezen beschermde diersoort betreft. Aldus kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een beschermde inheemse diersoort, zoals ten laste gelegd.

Gelet op het voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. J.A. Wiarda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 13 september 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. O. Anjewierden en mr. J.A. Wiarda zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.