Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BT2193

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
200.075.613/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor gemeenschapsschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 september 2011

Zaaknummer 200.075.613/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. H.A. Rispens, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: J. Burema, kantoorhoudende te Almere.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 21 juli 2010 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 oktober 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 26 oktober 2010.

De conclusie van de appèldagvaarding luidt:

"- Aldan op nader aan te voeren gronden te horen eisen en concluderen dat het Gerechtshof zal vernietigen voormeld vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector civiel recht van 21 juli 2010 onder zaak- en rolnummer 155454 HA ZA 09-355 tussen appellante als eisende partij en geïntimeerde als gedaagde gewezen;

- en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling, binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, aan eiseres, van een bedrag van € 11.283,36 (ZEGGE: elfduizendtweehonderden-drieëntachtig euro en zesendertig eurocenten), tegen behoorlijk bewijs van kwijting en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim (17 oktober 2008) tot aan de dag der algehele voldoening;

- met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Er is een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het verzoek in appel van [appellante] af te wijzen en [appellante] te veroordelen in de kosten van deze procedure."

Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.3) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het navolgende staat vast.

1.1 [geïntimeerde] en [de ex-partner van geïntimeerde] (hierna: [de ex-partner van geïntimeerde]) zijn op 8 september 2000 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is op 9 oktober 2008 geëindigd door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 18 juni 2008, zodat per die datum de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden.

1.2 [appellante] heeft reeds geruime tijd een affectieve relatie met [de ex-partner van geïntimeerde]. Tijdens het huwelijk van [de ex-partner van geïntimeerde] met [geïntimeerde] heeft [appellante] een aantal schulden van [de ex-partner van geïntimeerde] voldaan.

1.3 Bij vonnis van 14 oktober 2009 heeft de rechtbank de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [de ex-partner van geïntimeerde] en [geïntimeerde] verdeeld. [geïntimeerde] en [de ex-partner van geïntimeerde] hebben beide hoger beroep van dat vonnis ingesteld. [de ex-partner van geïntimeerde] vordert in het incidenteel appel dat het hof zal bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn ten aanzien van een gemeenschappelijke schuld aan [appellante] van € 22.566,72.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellante] stelt dat zij met [de ex-partner van geïntimeerde] en [geïntimeerde] een geldlening is aangegaan voor een totaalbedrag van € 22.566,72 en dat de daaruit voortvloeiende schuld in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [de ex-partner van geïntimeerde] en [geïntimeerde] valt. [appellante] vordert van [geïntimeerde] (na vermindering van eis) betaling van de helft van deze schuld ter grootte van € 11.283,36. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd en heeft deze vordering afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.

De bespreking van de grieven

3. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. De grieven lenen zich voor gemeenschappelijke bespreking.

4. Het hof stelt voorop dat voor toewijsbaarheid van de vordering (in hoofdsom) voldoende is dat komt vast te staan dat tussen [appellante] en [de ex-partner van geïntimeerde] een geldleningsovereenkomst tot het gestelde bedrag is aangegaan en dat de daaruit voortvloeiende schuld een gemeenschapsschuld is. Immers: ingevolge artikel 1: 102, BW is [geïntimeerde] in dat geval aansprakelijk en hoofdelijk verbonden voor in ieder geval de helft van de schuld. Voor zover [appellante] dan ook heeft gesteld dat de overeenkomst ook met [geïntimeerde] is aangegaan of met haar instemming, heeft zij meer gesteld dan voor de toewijsbaarheid van de hoofdsom nodig is en kan daaraan worden voorbijgegaan.

5. Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat [appellante] met door haar gefourneerde gelden tot aan het gestelde bedrag gemeenschapsschulden van [geïntimeerde] en [de ex-partner van geïntimeerde] heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft erkend, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat [appellante] daarmee in feite geld heeft geleend aan [de ex-partner van geïntimeerde]. Zie hiervoor de laatste zinsnede van de conclusie van antwoord onder 4 en met name de conclusie van dupliek onder 3, slot, en 4. Ook in de verdelingsprocedure tussen haar en [de ex-partner van geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] de schuld van [de ex-partner van geïntimeerde] uit hoofde van de geldlening als zodanig niet (gemotiveerd) betwist. Voor zover elders in de stukken van [geïntimeerde] wel een betwisting zou moeten worden gelezen, is die niet te rijmen met voornoemde andere stellingen van [geïntimeerde] en gaat het hof daaraan voorbij. Aldus moet naar het oordeel van het hof de gestelde overeenkomst van geldlening tussen [appellante] en [de ex-partner van geïntimeerde] als vaststaand worden aangenomen.

6. Het verweer van [geïntimeerde] in de onderhavige zaak is er steeds op gericht geweest dat zijzelf geen partij is bij de overeenkomst van geldlening (zie in dit verband ook de memorie van antwoord onder 4 en 8) en dat zij ook niet heeft ingestemd met het aangaan daarvan. Als gezegd is dat verweer gelet op artikel 1:102 BW en het gegeven dat niet meer dan de helft van de schuld wordt gevorderd niet relevant.

7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de uit de overeenkomst van geldlening voortvloeiende schuld een gemeenschapsschuld is. Ook dat is naar het oordeel van het hof door [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd betwist, gelet op (i) het feit dat de geldlening nog tijdens het huwelijk van [geïntimeerde] en [de ex-partner van geïntimeerde] is aangegaan, (ii) de hoofdregel van artikel 1:94 BW en (iii) het feit dat met de door [appellante] gefourneerde gelden bestaande gemeenschapsschulden zijn afgelost, zoals door [geïntimeerde] is erkend sub 4 van de conclusie van antwoord. Ook in de verdelingsprocedure tussen [geïntimeerde] en [de ex-partner van geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord in het incidenteel appel niet betwist dat de onderhavige schuld een gemeenschapschuld is en heeft zij (slechts) betoogd dat in de onderlinge verhouding tussen haar en [de ex-partner van geïntimeerde], in afwijking van de hoofdregel dat beide partijen voor een gelijk deel draagplichtig zijn, zij niet draagplichtig is (prod. 3 bij de memorie van grieven). [appellante] staat hier evenwel buiten. Derhalve moet er van uit worden gegaan dat de onderhavige schuld een gemeenschapsschuld is.

8. Gelet op het vorenstaande slagen de grieven in zoverre en behoeven zij voor het overige geen bespreking. Omtrent het moment waarop de schuld uit de geldlening opeisbaar is geworden heeft [appellante] wisselende stellingen betrokken, variërend van "na een redelijke termijn van een jaar" (inleidende dagvaarding onder 8) tot "zo snel mogelijk", althans totdat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [de ex-partner van geïntimeerde] en [geïntimeerde] een feit is (akte van 6 januari 2009) en "er zijn geen strak omlijnde afspraken gemaakt" (memorie van grieven onder 3). Het hof houdt het gezien de over en weer gestelde feiten en omstandigheden ervoor dat geen duidelijke afspraken terzake zijn gemaakt, hetgeen meebrengt dat de lening in beginsel terstond opeisbaar was. [appellante] heeft onweersproken gesteld dat [geïntimeerde] bij brief van 6 oktober 2008 in gebreke is gesteld tegen 17 oktober 2008. Op 9 oktober 2008 was de huwelijksgoederengemeenschap tussen [geïntimeerde] en [de ex-partner van geïntimeerde] ontbonden, zodat [geïntimeerde] in ieder geval vanaf die datum uit hoofde van artikel 1:102, BW voor de helft aansprakelijk was voor de onderhavige schuld. Door deze niet uiterlijk 17 oktober 2008 te voldoen is zij per die datum in verzuim geraakt. De wettelijke rente is dan ook vanaf die datum toewijsbaar.

De slotsom

9. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en de vordering zal alsnog grotendeels worden toegewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (wat betreft het aan de zijde van [appellante] te liquideren salaris van de advocaat te begroten op 4 punten in tarief II in eerste aanleg en 1 punt in tarief II in hoger beroep).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellante] te betalen een bedrag van € 11.283,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2008 tot aan de voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante]:

in eerste aanleg op € 401,98 aan verschotten en € 1.808,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 514,93 aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

€ 732,91 aan verschotten en € 2.702,- voor geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, M.M.A. Wind en I. Tubben, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 20 september 2011 in bijzijn van de griffier.