Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BS1150

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
10-00347
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Verwijzingsprocedure HR 13 augustus 2010, nr. 08/03782, LJN BN3831. Autokostenfictiebijtelling. Inspecteur maakt aannemelijk dat auto ter beschikking is gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2260
V-N 2011/57.1.2
FutD 2011-2135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00347

uitspraakdatum: 30 augustus 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 april 2007, nummer AWB 05/4211,

in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.922. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 320.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en, naar het Hof begrijpt, de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 april 2007 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5 Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft het hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.637.

1.6 De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

1.7 De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 augustus 2010, nr. 08/03782, LJN: BN3831 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.8 Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft een zogenoemde conclusie na verwijzing ingediend.

1.9 Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Hoge Raad ontvangen dossier – waartoe behoort het dossier van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch – dat op deze zaak betrekking heeft.

1.10 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord A, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.11 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Het geding na verwijzing

In zijn verwijzingsarrest overweegt de Hoge Raad onder meer:

“3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat er geen plaats is voor een bijtelling als bedoeld in artikel 3.145, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2002; hierna: Wet IB) ter zake van privégebruik van de Mercedes-Benz. Het heeft daartoe overwogen dat de Inspecteur, op wie de bewijslast te dezen rust, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto aan belanghebbende voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld.

3.2. Middel 1, dat dit oordeel bestrijdt, slaagt. ‘s Hofs oordeel dat op de Inspecteur de bewijslast rust van de terbeschikkingstelling aan belanghebbende van de Mercedes-Benz voor privédoeleinden, geeft blijk van een onjuiste opvatting omtrent de uit artikel 3.145, lid 1, Wet IB voortvloeiende bewijslastverdeling. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat de auto aan de betrokken belastingplichtige ter beschikking was gesteld. Indien de inspecteur daarin slaagt, geldt ingevolge artikel 3.145, lid 1, Wet IB het vermoeden dat die auto ook voor privédoeleinden ter beschikking stond. Dit vermoeden houdt stand tenzij de belastingplichtige doet blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden is aangewend.

3.3. Middel 2 klaagt erover dat het Hof verzuimd heeft te oordelen over het beroep op interne compensatie dat de Inspecteur ter zitting van het Hof heeft gedaan. De klacht wordt terecht aangevoerd. In hoger beroep kan door de wederpartij van degene die het hoger beroep heeft ingesteld, een beroep worden gedaan op zogenoemde interne compensatie. Dit zou slechts anders zijn voor zover het beroep op interne compensatie ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel in hoger beroep zou zijn aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde (vgl. HR 4 december 2009, nr. 08/02258, LJN BG7213, BNB 2010/65).

3.4. Gelet op het hiervoor in 3.2 en 3.3 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.”

3. De vaststaande feiten

Het Hof neemt voor dit geding als vaststaand over hetgeen is vermeld in de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 24 juli 2008, nr. 07/00293, onder 2.1 tot en met 2.5. Door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch zijn de feiten als volgt vastgesteld.

“2.1. Op 23 april 1998 heeft belanghebbende alle aandelen verworven in B BV (hierna: de vennootschap). Belanghebbende voerde van februari 1998 tot en maart 2002 de directie over de vennootschap. Vanaf 1 mei 1992 was belanghebbende in dienstbetrekking hij de vennootschap. Op 26 maart 2002 heeft belanghebbende de aandelen van de vennootschap verkocht aan haar broer, A voornoemd.

2.2. Tot het vermogen van de vennootschap behoorden diverse voertuigen en machines, onder andere vanaf 1 februari 2000 een personenauto van het merk Mercedes-Benz met het kenteken aa-bb-01 (hierna: de Mercedes-Benz). De cataloguswaarde van deze auto bedroeg f 277.021.

2.3. Bij de vennootschap is in het voorjaar van 2002 een boekenonderzoek ingesteld door de Inspecteur. Tijdens het boekenonderzoek is door belanghebbende een lijst overgelegd, waarop, voor zover ten deze van belang, het volgende is vermeld:

“Q en R

aa-bb-01 Mercedes Huur auto X

cc-dd-01 Hyiundy lease auto C

(…)”.

2.4. Bij brief van 4 september 2002 is door belanghebbende aan de Inspecteur een verklaring overgelegd, inhoudende voor zover hier van belang:

“ (…)

Ik X verklaart hierbij dat de Hyundai Galloper kenteken cc-dd-01 mij ter beschikking stond van 1999 tot maart 2002. Deze wagen heb ik voor de zaak geleasd, om Inspectie uit te voeren op het werkterrein waar ik onmogelijk kan komen met de Mercedes Benz.

(…)”

2.5. Belanghebbende heeft met het indienen van een aangiftebiljet model E voor het jaar 2002 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.335. Bij aanslagregeling is de Inspecteur van de aangifte afgeweken en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 30.922, volgens onderstaande specificatie:

Aangegeven belastbaar inkomen € 17.335

Meer loon D € 5.918

Privé-gebruik auto

Mercedes 20% x € 125.706 x 3/12 € 6.285

Hyundai Galopper 20% x € 27.676 x 3/12 € 1.384

Vastgesteld belastbaar

Inkomen € 30.922”

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1 In geschil is of de Inspecteur terecht het voordeel van het ook voor privé-doeleinden ter beschikking stellen van de Mercedes-Benz tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

4.2 Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. Zij stelt dat de Mercedes-Benz niet aan haar ter beschikking is gesteld maar aan haar broer, A, de gemachtigde in deze procedure. Ook bestrijdt belanghebbende dat de Inspecteur terecht het voordeel van het ook voor privé-doeleinden ter beschikking stellen van de Hyundai Galopper tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend. Voorts bestrijdt belanghebbende dat de lijst, zoals opgenomen onder 2.3 van de feiten en door de Inspecteur als bijlage 1 bij haar conclusie na verwijzing bijgevoegd, afkomstig is van belanghebbende danwel namens belanghebbende is overgelegd.

4.3 De Inspecteur stelt primair dat de Mercedes-Benz aan belanghebbende ter beschikking is gesteld en dat niet gebleken is dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Subsidiair doet zij voor een bedrag van € 4.070 een beroep op zogenoemde interne compensatie.

4.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.253.

4.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

Vooraf

5.1 Gelet op de inhoud van het verwijzingsarrest alsmede de uitspraken van de Rechtbank en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is in geschil hetgeen onder 4.1 staat vermeld. De onderhavige procedure na verwijzing biedt niet de mogelijkheid de rechtsstrijd van partijen uit te breiden met de vraag of de bijtelling op de voet van het bepaalde in artikel 3.145 Wet IB ter zake van de Hyundai Galopper terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend. Dit geldt temeer nu belanghebbende in haar aanvullend beroepschrift, gedateerd 24 januari 2006, gericht aan de Rechtbank, onvoorwaardelijk heeft verklaard dat de bijtelling met betrekking tot de Hyundai Galopper niet meer in geschil is. Aan belanghebbendes grief op dit punt wordt dan ook voorbij gegaan.

Privé-gebruik Mercedes-Benz

5.2 Op grond van artikel 3.145, lid 1, van de Wet IB (tekst 2002) rust op de Inspecteur de last aannemelijk te maken dat de Mercedes-Benz aan belanghebbende in het eerste kwartaal 2002 ter beschikking was gesteld. De Inspecteur heeft hieraan invulling gegeven door te verwijzen naar de onder 2.3 van de feiten vermelde lijst (bijlage 1 bij de conclusie na verwijzing van de Inspecteur), de onder 2.4 van de feiten opgenomen verklaring van belanghebbende (bijlage 2 bij de conclusie na verwijzing van de Inspecteur), alsmede naar het deel van de kilometeradministratie over het jaar 2001 (bijlage 3 bij de conclusie na verwijzing van de Inspecteur).

5.3 Het Hof is van oordeel dat in ieder geval uit de onder 2.4 van de feiten opgenomen verklaring van belanghebbende, met name het tweede onderdeel van die verklaring waarin staat vermeld dat de Hyundai Galopper wordt gebruikt om het werkterrein te inspecteren daar waar zij onmogelijk kon komen met de Mercedes-Benz, volgt dat de Mercedes-Benz haar ter beschikking heeft gestaan. Aan het oordeel dat deze auto haar, overigens als enige werknemer van de vennootschap, ter beschikking heeft gestaan, doet niet af dat A wellicht de auto heeft bestuurd (vergelijk Hoge Raad 26 april 1995, nr. 30.293, LJN ZC5946, onder andere gepubliceerd in BNB 1995/192).

5.4 De Inspecteur is mitsdien erin geslaagd aannemelijk te maken dat de Mercedes-Benz belanghebbende het eerste kwartaal van 2002 ter beschikking heeft gestaan. Alsdan geldt ingevolge artikel 3.145, lid 1, van de Wet IB het vermoeden dat die auto ook voor privé-doeleinden ter beschikking stond. Dit vermoeden houdt stand tenzij belanghebbende doet blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is aangewend. Nu belanghebbende niets in het geding heeft gebracht waaruit dit zou kunnen blijken, moet naar het oordeel van het Hof worden geconcludeerd dat de Inspecteur terecht het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning heeft verhoogd met een bijtelling op grond van de in artikel 3.145 van de Wet IB vervatte autokostenfictieregeling.

5.5 Gelet op het voorgaande komt het Hof niet meer toe aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre de Inspecteur terecht een beroep op interne compensatie heeft gedaan.

5.6 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het hoger beroep ook in zoverre ongegrond.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. R. den Ouden, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 30 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 30 augustus 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.