Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BS1137

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
11-00128
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schenkingsrecht.

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit. In conserverende aanslag begrepen woning kan niet nogmaals in heffing worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2261
RN 2011/116
V-N 2011/60.1.3
Belastingadvies 2011/24.11
FutD 2011-2136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00128

uitspraakdatum: 30 augustus 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Schenk- en Erfbelasting

te P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 januari 2011, nummer AWB 09/758,

in het geding tussen de Inspecteur en

X te Y (hierna: belanghebbende).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een aanslag in het recht van schenking opgelegd van € 6.240.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 januari 2011 gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de aanslag vernietigd.

1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Na verkregen toestemming van partijen heeft het Hof met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende exploiteerde met zijn ouders een agrarisch bedrijf in de vorm van een burgerlijke maatschap. Belanghebbende en zijn ouders zijn overeengekomen de maatschap per 31 december 2006 te ontbinden. Daarbij zijn de bezittingen die tot het vermogen van de maatschap behoorden, alsmede zaken die behoorden tot het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen van de ouders, toebedeeld aan belanghebbende. De akte van ontbinding van de maatschap, waarbij tevens de activa en passiva van de maatschap aan belanghebbende zijn geleverd, is verleden op 28 december 2007. In de akte is opgenomen dat belanghebbende, als bedrijfsopvolger, de agrarische onderneming heeft overgenomen voor een lagere waarde dan de verkeerswaarde.

2.2 In de akte van levering is voorts opgenomen de levering ten titel van schenking van het woonhuis van de ouders dat eveneens tot hun buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen behoorde (hierna: de woning). In de akte van levering is een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting, genoemd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

2.3 Ter zake van de vorenbedoelde verkrijging van de onderneming heeft belanghebbende aangifte gedaan voor het recht van schenking waarbij belanghebbende heeft verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten die zijn opgenomen in Hoofdstuk IIIA van de Successiewet 1956 (tekst 2007; hierna: de Wet).

2.4 Na een briefwisseling heeft de Inspecteur uiteindelijk het standpunt ingenomen dat de totale verkrijging door belanghebbende, inclusief de waarde van € 104.000 van de woning, kan worden vastgesteld op € 762.340. Na toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 33, eerste lid, aanhef en onder ten vijfde, van de Wet, heeft de Inspecteur het in beginsel verschuldigde recht van schenking berekend op € 148.517.

2.5 Gelet op het in 2.3 genoemde verzoek heeft de Inspecteur met dagtekening 12 augustus 2008 een conserverende aanslag als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wet, opgelegd waarin het volgende is opgenomen:

"Recapitulatie van de onderdelen Deel verkrijging Belasting

Gedeelte vallend onder art. 35c lid 1 S.W. € 411.688 € 94.655

Gedeelte vallend onder art. 35c lid 2 S.W. € 350.652 € 53.862

1. Voorwaardelijk onbelaste conserverende aanslag € 148.517

2. Belaste conserverende aanslag € 0 € 0

(art. 35c lid 3 S.W.)

Totaal van de conserverende aanslagen € 148.517

3. Gedeelte buiten de bedrijfsopvolgingsregeling € 0 € 0

Totaal € 762.340 € 148.517"

2.6 Naast vorenstaande conserverende aanslag heeft de Inspecteur, eveneens met dagtekening 12 augustus 2008, een aanslag als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, opgelegd ter zake van de verkrijging van de woning. De aanslag bedraagt € 6.240 en is berekend op zes percent van de waarde van de woning.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of, en zo ja, tot welk bedrag, de Inspecteur in het onderhavige geval een aanslag kan opleggen ter zake van de verkrijging van de woning.

3.2 De Inspecteur stelt dat in een geval als het onderhavige een aanslag kan worden opgelegd met toepassing van artikel 24, derde lid, van de Wet. Hij stelt dat dit ook de bedoeling is geweest van de wetgever nu nergens uit blijkt dat de wetgever, met de invoering van de bedrijfsopvolgingsregeling, de toepassing van artikel 24, derde lid, en artikel 33, tweede lid, van de Wet, heeft willen beperken.

3.3 Belanghebbende stelt dat in een geval als het onderhavige, naast de conserverende aanslag, niet een gewone aanslag kan worden opgelegd. Artikel 24, derde lid, van de Wet, is niet meer dan een tariefsbepaling en kan niet als een heffingsbepaling worden aangemerkt. Een bepaling zoals in artikel 33, tweede lid, van de Wet, ontbreekt in Hoofdstuk IIIA van de Wet.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.5 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot ongegrond verklaring van het beroep.

3.6 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de verkrijging, inclusief de woning, € 762.340 bedraagt, dat het recht van schenking daarover, met toepassing van artikel 24, eerste lid, van de Wet, op € 148.517 moet worden berekend en dat de volledige waarde van de verkrijging, derhalve eveneens inclusief de woning, als te conserveren waarde in de zin van artikel 35b, eerste lid, juncto artikel 35c van de Wet, kan worden aangemerkt. Op die grond is de verschuldigde belasting, voorzover deze bij wege van aanslag op de voet van artikel 37, eerste lid, van de Wet, wordt geheven, terecht, met toepassing van artikel 31a van de Wet, berekend op nihil. De belastbare verkrijging, verminderd met de daarin begrepen te conserveren waarde, bedraagt immers nihil en het bedrag van de conserverende aanslag is € 148.517, het totaal van het schenkingsrecht, berekend zonder de toepassing van de bedrijfsopvolgings-regeling.

4.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat in dat geval voor het opleggen van een aanslag geen ruimte is en dat noch artikel 24 - een tariefsbepaling -, noch artikel 33, tweede lid, noch enige andere bepaling in de Wet, de mogelijkheid biedt om een aanslag als de onderhavige op te leggen. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat dit niet anders wordt indien daardoor het systeem van de Wet wordt doorbroken, namelijk dat in geval van schenking van een onroerende zaak ten minste aan schenkingsrecht wordt geheven een bedrag gelijk aan de overdrachtsbelasting die door de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet wordt geheven, en dat het aan de wetgever is deze eventuele leemte op te vullen.

4.3 Dit oordeel van de Rechtbank is juist en het Hof maakt dat dan ook tot het zijne.

4.4 Het Hof merkt - ten overvloede - nog het volgende op. De Inspecteur heeft zich voor het opleggen van de onderhavige aanslag beroepen op de bedoeling van de wetgever, onder meer verwijzend naar de geschiedenis van de totstandkoming van (de voorloper van) artikel 24, derde lid, van de Wet. Daaruit kan die bedoeling inderdaad worden afgeleid. Het Hof vermag echter niet in te zien dat de wetgever die bedoeling onverkort heeft willen handhaven en van toepassing heeft willen verklaren op de bedrijfsopvolgingsregeling nu die regeling erin voorziet dat grote bedragen aan schenkingsrecht - uiteindelijk - niet worden betaald om de bedrijfsopvolging niet te bemoeilijken. Niet valt in te zien dat de wetgever in zo'n geval onverkort zou willen vasthouden aan de heffing van schenkingsrecht ter grootte van de niet geheven overdrachtsbelasting. Op grond daarvan is verklaarbaar dat de wetgever in Hoofdstuk IIIA niet een regeling zoals artikel 33, tweede lid, van de Wet, heeft opgenomen. In de wijziging van de Wet met ingang van 1 januari 2010, waarbij de overdrachtsbelasting wél wordt geheven doch in mindering komt op het recht van schenking hetgeen, in de visie van het Hof, neerkomt op een belastingverzwaring, kan, gelet op de totstandkoming daarvan, geen bewuste standpuntbepaling van de wetgever voor gevallen als de onderhavige worden afgeleid.

slotsom

4.5 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Van de Inspecteur zal, zodra deze uitspraak onherroepelijk komt vast te staan, een griffierecht worden geheven.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 437 voor het indienen van een verweerschrift in hoger beroep.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 437, en

– bepaalt dat van de Staat op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 454.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 30 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.