Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BS1086

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
200.046.841
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BK1096, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen WAM-verzekeraars over de vraag wie de schade na een verkeersongeval moet vergoeden. Ongeval vond plaats op de dag in de periode van narisico van een verzekeraar en op welke (zelfde) dag de nieuwe verzekeraar aan de Dienst Wegverkeer de verzekering meldt. Vervolg op LJN: BC2783 en BK1096.

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 11
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2011/105
JA 2011/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.046.841

(zaaknummer rechtbank 151704)

arrest van de tweede civiele kamer van 30 augustus 2011

inzake

de naamloze vennootschap

London Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: London,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

R.V.S. Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Ede,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: RVS,

advocaat: mr. A. Knigge,

2. de stichting

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer,

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

hierna: het Waarborgfonds,

advocaat: mr. R. Gruben.

1. Het geding in eerste aanleg en in hoger beroep

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 23 januari 2008 (hierna: het bestreden tussenvonnis) en 23 september 2009 (hierna: het bestreden eindvonnis), gepubliceerd onder LJN: BC2783 en BK1096,

- de dagvaardingen in hoger beroep van 14 en 16 oktober 2009,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

- het op verzoek van London en het Waarborgfonds verleende royement in de zaak tegen het Waarborgfonds,

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

1.2 Vervolgens hebben London en RVS de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist staan in hoger beroep de navolgende feiten vast.

2.2 London heeft met ingang van 5 april 2004 het risico op de voet van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd voor de Nissan-bestelauto met kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). Vanwege premieachterstalligheid van de toenmalige houder Sfiha Food B.V. heeft London op 28 juni 2004 aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer (thans de Dienst Wegverkeer, allebei hierna: de Dienst Wegverkeer) kennis gegeven van de beëindiging van die WAM-verzekering per die datum.

2.3 Nadat [B] de houder van het motorrijtuig was geworden, kwam het door [C] bestuurde motorrijtuig op 2 juli 2004 omstreeks 13.27 uur op de kruising Hoefkade-Parallelweg te Den Haag in aanrijding met voetganger [D] (hierna: de benadeelde), die als gevolg hiervan ernstig letsel heeft opgelopen.

2.4 Naar aanleiding van een telefonische aanmelding van het motorrijtuig op 2 juli 2004 heeft RVS aan de Dienst Wegverkeer kennis gegeven van een (beëindigde schorsing van een eerder) door [A] bij haar gesloten WAM-verzekering voor het motorrijtuig. Op grond hiervan heeft de Dienst Wegverkeer met ingang van 2 juli 2004 in het door haar aangehouden register RVS vermeld als WAM-verzekeraar van het motorijtuig.

2.5 Nadat RVS WAM-aansprakelijkheid en -dekking voor het ongeval van 2 juli 2004 had ontkend, wendde (de gemachtigde van) de benadeelde zich tot London, die de schaderegeling tegen cessie aan zich heeft getrokken.

3. De motivering van de beslissing in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

3.1 In hoger beroep is slechts het geschil tussen London en RVS aan het hof voorgelegd.

3.2 Bij het bestreden tussenvonnis is RVS opgedragen te bewijzen dat zij het motorrijtuig eerst na het ongeval in dekking heeft genomen. RVS heeft haar adviseurs [F] en [G] als getuigen doen horen en stukken in het geding gebracht. London heeft vervolgens chauffeur [C] als getuige doen horen en een schriftelijke verklaring van [E] in het geding geding gebracht. In het bestreden eindvonnis is RVS in dat bewijs geslaagd geoordeeld en is op basis hiervan de inleidende vordering in conventie van London afgewezen, is verstaan dat de vordering in voorwaardelijke reconventie van RVS geen behandeling behoeft en is London in conventie en in voorwaardelijke reconventie veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten.

3.3 In principaal hoger beroep vordert London, zakelijk weergegeven, dat het hof de beide bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, RVS alsnog in conventie zal veroordelen tot betaling van alle schade-uitkeringen die London aan de benadeelde heeft gedaan en zal doen en van alle kosten die zij bij de schaderegeling heeft gemaakt of zal maken, te vermeerderen met wettelijke rente, tot betaling van de proceskosten in beide instanties en tot terugbetaling van de krachtens het bestreden eindvonnis betaalde proceskosten en rente, te vermeerderen met wettelijke rente. Met haar toegelichte grieven legt London die vordering in conventie in principaal hoger beroep in volle omvang aan het hof voor en de grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4 Tussen partijen is niet in geschil dat [A] aansprakelijk is voor de schade die de benadeelde lijdt als gevolg van de aanrijding door het motorrijtuig op 2 juli 2004 omstreeks 13.27 uur. RVS weerspreekt niet gemotiveerd dat London haar schade-uitkeringen aan de benadeelde en de daarbij te maken kosten (geheel of voor 50%) op haar kan verhalen indien RVS voor die aanrijding als de (enige of mede-) WAM-verzekeraar van het motorrijtuig heeft te gelden. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de door London aan haar vordering in conventie ten grondslag gelegde stelling dat RVS voor die aanrijding als (enige, althans mede-) WAM-verzekeraar van het motorrijtuig heeft te gelden.

3.5 De door London aan RVS verweten schending van haar uit de Bedrijfsregeling no. 7 (Schaderegeling schuldloze derde) voortvloeiende verplichting om de schadebehandeling van de benadeelde ter hand te nemen, kan geen zelfstandige (rechts)grond voor toewijzing van de vordering in conventie van London vormen. Die (door de Algemene Ledenvergadering van het Verbond van Verzekeraars vastgestelde) regeling bevat voor de betrokken verzekeraars die van mening verschillen over hun aansprakelijkheid of draagplicht voor een schadegeval van een derde zonder schuld, bepalingen voor de feitelijke schadebehandeling. Die regeling is echter niet van belang voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre RVS voor de aanrijding op 2 juli 2004 als WAM-verzekeraar van het motorrijtuig heeft te gelden.

3.6 Bij zijn verdere beoordeling wil het hof veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van de stelling van RVS dat zij op 2 juli 2004 pas omstreeks 15:20 uur, dus na de aanrijding van 13:27 uur, een telefonische melding heeft gekregen van beëindiging van de schorsing van de eerder bij haar gesloten WAM-verzekering en dat zij vervolgens, nog onbekend met de aanrijding, die verzekering, naar vaststaat zonder terugwerkende kracht, heeft geactiveerd, terwijl de verzekeringnemer c.q. verzekerde wel beter wist. Op diezelfde datum heeft RVS daarvan kennis gegeven aan de Dienst Wegverkeer, die dit met ingang van 2 juli 2004 in het register heeft aangetekend.

3.8 Volgens artikel 13 lid 7 WAM kan de verzekeraar die als zodanig in het register wordt aangewezen, de benadeelde niet tegenwerpen dat hij niet de in de eerste zin van het eerste lid van artikel 6 bedoelde verzekeraar is, tenzij hij aantoont dat de registratie ten onrechte is geschied of dat zijn verplichtingen op grond van een kennisgeving overeenkomstig het eerste lid onder b, c of d niettemin jegens de benadeelde zijn geëindigd. Het hof onderschrijft rov. 4.7 van het tussenvonnis: in dit proces wordt er niet van uit gegaan dat de registratie onjuist was als gevolg van een administratieve fout.

3.9 De onderhavige zaak is weliswaar niet volledig identiek aan die berecht in het arrest HR 19 november 1999, LJN: AA1054, NJ 2000, 116, maar vertoont daarmee wel een aanmerkelijke gelijkenis en daarom sluit het hof daarbij aan.

3.10 De verzekeraar mag artikel 13 lid 7 WAM niet gebruiken om, in strijd met artikel 11 lid 1 WAM, een uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval aan een benadeelde tegen te werpen. Hij mag wel aantonen dat ten onrechte is geregistreerd dat hij de verzekeraar is door wie de aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt, zoals artikel 6 lid 1 eerste volzin dat beschrijft. De verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen en met name ook deze wetsartikelen beogen, tegen de achtergrond van de Benelux- en Europese regelgeving, de belangen van verkeersslachtoffers aldus te waarborgen dat de door hen geleden schade zal worden vergoed. In dat kader brengt artikel 13 lid 7 WAM mee dat de benadeelde als regel mag uitgaan van de juistheid van de in het register opgenomen informatie over de als aansprakelijke in aanmerking komende WAM-verzekeraar. De uitzonderingsbepaling dat de verzekeraar aantoont dat de registratie ten onrechte is geschied, moet dus, mede vanuit het oogpunt van bescherming van verkeersslachtoffers, restrictief worden geïnterpreteerd. Daarmee verdraagt zich, in het verlengde van artikel 11 lid 1 WAM, niet dat de in het register opgenomen WAM-verzekeraar tegenover de benadeelde zou mogen aantonen dat hij weliswaar voor een later deel van de eerste registratiedag (na het ongeval) als verzekeraar geldt, maar niet het voorrisico van die dag draagt. Zolang WAM-verzekeraars en de Dienst Wegverkeer het ingangstijdstip van de opheffing van de schorsing van een verzekering niet op een duidelijke en ondubbelzinnige, niet voor misverstand vatbare en transparante wijze voor de verzekeringnemer en voor derden registreren, kan zodanig, hier door RVS gevoerd verweer, zoals uit de procedure in eerste aanleg is gebleken, leiden tot een lange en ingewikkelde zoektocht naar het ingangstijdstip van de verzekering, ten koste van een uit slachtofferbescherming geboden voortvarende aanpak van de schaderegeling, hetgeen als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. De stelling van RVS dat de WAM-verzekeraars aldus het voorrisico tegenover een benadeelde en mogelijk in strijd met (de interne strekking van) de verzekeringsovereenkomst moeten dragen, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

3.11 Aan al het voorgaande doet ook niet af dat in dit specifieke geval de schaderegeling op basis van het 16-daagse narisico ingevolge artikel 13 lid 4 WAM is opgepakt door London. Er kunnen zich immers tal van gevallen voordoen waarin voor de benadeelde niet, zoals hier, een tweede WAM-verzekeraar in beeld komt. Daarbij moet worden bedacht dat het Waarborgfonds ingevolge artikel 25 WAM slechts een subsidiaire vangnetfunctie heeft.

3.12 RVS voert aan dat London in haar verhaalspositie niet mag worden gelijkgesteld met een benadeelde, maar daarbij miskent zij dat London als rechtverkrijgende krachtens cessie tevens als benadeelde in de definitiebepaling van artikel 1 WAM geldt. RVS moet dus jegens de benadeelde, waaronder London, dekking verlenen. De verplichtingen van London onder het sedert de afmelding per 28 juni 2004 ingetreden 16-daagse narisico zijn ingevolge artikel 13 lid 5 WAM van rechtswege geëindigd door het van kracht worden van de nieuwe verzekering van RVS met ingang van de registratiedatum, 2 juli 2004. De hanteerbaarheid van het wettelijk systeem vergt dat geen hiaat valt of overlap ligt tussen de externe aansprakelijkheden van de opvolgende verzekeraars. Aansprakelijkheid van de voorafgaande verzekeraar onder het narisico, hier London, zou ook onredelijk zijn, waar het een verzekerde van RVS is die heeft verzuimd tijdig dekking te regelen.

3.13 Gelet op het voorgaande is RVS bij het bestreden tussenvonnis ten onrechte opgedragen te bewijzen dat zij het motorrijtuig eerst na het ongeval in dekking heeft genomen. Ook is in het bestreden eindvonnis de vordering in conventie van London ten onrechte afgewezen en is London in conventie ten onrechte veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten. De in principaal hoger beroep door London toegelichte grief I slaagt en leidt tot een vernietiging van het bestreden tussenvonnis en het bestreden eindvonnis in conventie. De in principaal hoger beroep door London toegelichte grief II behoeft geen bespreking meer.

3.14 Het incidenteel hoger beroep is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval één of beide grieven in principaal hoger beroep zullen slagen. Nu dat het geval is, komt het hof aan het incidenteel hoger beroep toe. In incidenteel hoger beroep vordert RVS dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, voor recht zal verklaren dat London gehouden is aan RVS te vergoeden alle schade en kosten waartoe RVS ingevolge de WAM-dekking jegens de benadeelde verplicht mocht zijn, te vermeerderen met proceskosten en nakosten en met de wettelijke rente over die kosten. Met haar grief in incidenteel hoger beroep legt RVS die vordering in reconventie in incidenteel hoger beroep aan het hof voor.

3.15 RVS baseert de vordering in reconventie op haar regresrecht op London. Zij voert daartoe aan dat London vanwege het in artikel 13 lid 4 WAM geregelde narisico voor de aanrijding op 28 juni 2004 als WAM-verzekeraar van het motorrijtuig heeft te gelden, maar gelet op het bovenstaande is dit onjuist. Ook voor zover RVS stelt dat aan London in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar niet de rechten van de benadeelde kunnen toekomen, kan dit haar regresvordering niet dragen. Zoals ook uit het bovenstaande volgt, geldt met ingang van 2 juli 2004 jegens de benadeelde immers niet (langer) London maar alleen RVS als de aansprakelijke WAM-verzekeraar van het motorrijtuig. London moet in het kader van de schadebehandeling op basis van cessie als benadeelde worden beschouwd, zodat RVS ingevolge artikel 11 lid 1 WAM ook geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit de met [A] gesloten overeenkomst zelf voortvloeiend(e) nietigheid of verweer aan London kan tegenwerpen.

3.16 Gelet op het voorgaande faalt de in incidenteel hoger beroep door RVS toegelichte grief en zal het bestreden eindvonnis voor zover dat in reconventie is gewezen, zij het op andere gronden, worden bekrachtigd.

4. Slotsom

4.1 Het voorgaande brengt het hof er toe om in principaal hoger beroep het bestreden tussenvonnis en het bestreden eindvonnis voor zover in conventie gewezen, te vernietigen en het gevorderde toe te wijzen. Het hof zal het incidenteel hoger beroep verwerpen en het bestreden eindvonnis bekrachtigen voor zover dat in (voorwaardelijke) reconventie is gewezen. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal RVS in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en in die van het principaal en incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.

4.2 Nu de overige geschilpunten geen bespreking meer behoeven, zal het hof als volgt beslissen.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in principaal hoger beroep

vernietigt het tussenvonnis van de rechtbank Arnhem van 23 januari 2008 en het eindvonnis van de rechtbank Arnhem van 23 september 2009 voor zover deze in conventie zijn gewezen, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt RVS tot betaling aan London van alle schade-uitkeringen die London aan de benadeelde heeft gedaan en nog zal doen en van alle kosten die London bij de regeling van de schade heeft gemaakt of zal maken, te vermeerderen met de wettelijke rente van het tijdstip waarop de schadeuitkeringen zijn gedaan of de kosten werden gemaakt tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt RVS tot terugbetaling aan London van alle krachtens het eindvonnis van de rechtbank Arnhem van 23 september 2009 in conventie betaalde bedragen aan proceskostenveroordeling en rente, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betaling tot de dag der algehele terugbetaling;

in incidenteel hoger beroep

verwerpt het incidenteel hoger beroep;

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Arnhem van 23 september 2009 voor zover dat in (voorwaardelijke) reconventie is gewezen;

in principaal en incidenteel hoger beroep

veroordeelt RVS in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van London voor wat betreft de eerste aanleg in conventie begroot op € 2.034,-- voor salaris advocaat, op € 251,-- voor vast recht, op € 154,-- voor getuigen- en tolkentaxe en op

€ 70,85 voor dagvaardingskosten en tot aan deze uitspraak voor wat betreft het hoger beroep in principaal appel begroot op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op

€ 313,-- voor griffierecht en op € 72,25 voor kosten appeldagvaarding en in incidenteel appel begroot op € 447,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, M.G.W.M. Stienissen en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2011.