Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR7026

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
21-002575-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling 6 WvW 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002575-10

Uitspraak d.d.: 7 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 2 juli 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr P.J.G. van der Donck, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 24 oktober 2008 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder (Beginnend Bestuurder) van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [weg] (tevens bekend als Provincialeweg [nummer weg]) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een bocht naar rechts in en/of door te rijden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur, althans met een gezien de situatie ter plaatse en/of rijervaring van verdachte te hoge snelheid en/of (daarbij) het door hem bestuurde voertuig zo onvoldoende onder controle te hebben dat hij (geheel) op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer in aanrijding/botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende auto, waardoor de bestuurder van die tegemoetkomende auto, genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten (onder andere) (een) breuk(en) in de (linker) voet en/of (een) whiplash(klachten), en/of zijn passagier, genaamd [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten (onder andere) een breuk van het borstbeen en/of een breuk van een sleutelbeen en/of een (ernstige) breuk van de (linker) pols, althans aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair:

hij, op of omstreeks 24 oktober 2008, te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder (Beginnend Bestuurder) van een motorrijtuig (personenauto), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [weg], tevens bekend als Provincialeweg [nummer weg], een bocht naar rechts in en/of door is gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur, althans met een gezien de situatie ter plaatse en/of rijervaring van verdachte te hoge snelheid en/of (daarbij) het door hem bestuurde voertuig zo onvoldoende onder controle heeft gehad dat hij (geheel) op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer in aanrijding/botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende auto, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als beginnend bestuurder een bocht naar rechts is ingereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid en zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehouden waardoor de auto op de weghelft terecht is gekomen van het tegemoetkomend verkeer. Daardoor is een aanrijding ontstaan met een andere auto en hebben twee van de inzittenden van die auto letsel opgelopen.

Het hof concludeert, op basis van verdachtes eigen verklaringen zowel bij de politie als ter terechtzitting in hoger beroep, dat verdachte met een snelheid van 70 km/h de bocht in reed, terwijl het nat was en de maximumsnelheid 60 km/h bedroeg. Voorts was ter plaatse een normaal verkeersaanbod, waarbij met enige regelmaat sprake was van tegemoetkomend verkeer. Verdachte had slechts drie dagen zijn rijbewijs in bezit en had daarmee in totaal circa 50 kilometers afgelegd. Nu van andere aannemelijke oorzaken die geen verband houden met het rijgedrag van de verdachte zelf (zoals een technisch defect) niet is gebleken en de voornoemde snelheid volgens het onderzoek door de verkeerspolitie op zichzelf evenmin een zelfstandige oorzaak kan zijn geweest van het uit de koers raken van de door verdachte bestuurde auto, kan het niet anders zijn dan dat het aan het handelen van verdachte zelf in de bocht - in meerdere of mindere mate gecombineerd met de te hoge snelheid en de natte weersomstandigheden ter plekke - is te wijten dat verdachte in een situatie is gekomen waarin hij zijn auto niet meer onder controle had. Doordat verdachte als beginnend bestuurder niet in staat was de auto onder controle te krijgen is hij op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer terechtgekomen.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een beginnend bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Naar het oordeel van het hof brengt het zijn van beginnend bestuurder, zeker in het geval waarin zoals in casu die bestuurder pas drie dagen in het bezit van het rijbewijs is en slechts een kilometer of 50 aan zelfstandige rijervaring heeft opgedaan, een extra zorgplicht in het verkeer met zich omdat een beginnend bestuurder nog de ervaring mist om adequaat te kunnen reageren in lastige verkeersituaties. De bijzondere zorgplicht houdt onder meer in dat de beginnende bestuurder te allen tijde moet voorkomen zich door eigen toedoen in een dergelijk lastige verkeersituatie te brengen. Verdachte heeft die voorzorg nagelaten.

Integendeel, verdachte is met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan de bocht ingereden, terwijl het wegdek nat was van de regen. Op enig moment heeft verdachte vervolgens een - verder onbekend gebleven, maar gedacht kan worden aan remmen of een abrupte stuurbeweging - zodanig ondoelmatige handeling verricht, dat hij de controle over de auto heeft verloren. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de auto in een slip is geraakt en dat hij om de controle te krijgen "tegenstuur" heeft gegeven, zoals hij dat kende uit computerspelletjes. Verdachte heeft ook aan de politie verklaard de auto naar links gestuurd te hebben, hetgeen in de onderhavige bocht naar rechts meebracht dat verdachte op de verkeerde weghelft, te weten die voor het tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen op het moment dat aldaar een tegenligger naderde, waarmee verdachte frontaal in botsing is gekomen. Verdachte valt van deze wijze van rijden en onder deze omstandigheden een zodanig verwijt te maken dat gesproken kan worden van aanmerkelijk verwijtbare onvoorzichtigheid.

De slotsom luidt dan ook dat het hof, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de verdediging is bepleit, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan het verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 oktober 2008 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder (Beginnend Bestuurder) van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [weg] (tevens bekend als Provincialeweg [nummer weg]) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig een bocht naar rechts in te rijden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur en daarbij het door hem bestuurde voertuig zo onvoldoende onder controle te hebben dat hij op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer in aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomende auto, waardoor de bestuurder van die tegemoetkomende auto, genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een breuk in de linker voet en whiplashklachten, en zijn passagier, genaamd [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten onder andere een breuk van het borstbeen en een breuk van een sleutelbeen en een ernstige breuk van de linker pols, althans aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft als beginnend bestuurder zich in een situatie gebracht waarin hij gelet op zijn gebrek aan ervaring niet adequaat wist te reageren. Daardoor is hij op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer terecht gekomen en heeft hij een aanrijding veroorzaakt met een andere auto. De bestuurder en één van de passagiers van die auto hebben daardoor ernstig letsel en mogelijk onherstelbaar letsel opgelopen. Bij een van de slachtoffers is dat herstel in elk geval door de arts uitgesloten. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring heeft het ongeval ook buiten deze medische gevolgen ernstig leed veroorzaakt. De vergelding van dat leed en de normbevestiging - verdachte heeft zich immers aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen - vormen de grondslag voor de strafoplegging samen met de schuld die verdachte aan het ongeval heeft. Daarbij komt dat verdachte zich onvoldoende lijkt te realiseren dat door zijn schuld aan de slachtoffers blijvend leed is toegevoegd; verdachte lijkt de gevolgen van het ongeval in de allereerste plaats op zichzelf te betrekken. Hoewel geen sprake is van de zwaarste vorm van schuld, zal het hof gelet op het vorenstaande een hogere straf opleggen dan - voor een ongeval met één slachtoffer - wordt voorgesteld in de door het LOVS vastgestelde oriëntatiepunten, te weten een werkstraf van 80 uren en een rij-ontzegging van 8 maanden. Om te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom in de fout gaat zal het hof de helft daarvan voorwaardelijk opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr A.E. Harteveld, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Robroek, griffier,

en op 7 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.