Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6991

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
200.045.753
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen kennelijk onredelijk ontslag WSW-werknemer na bedreiging arbo-arts en weigering passende functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.045.753

(zaaknummer rechtbank 596519)

arrest van de vijfde civiele kamer van 16 augustus 2011 (bij vervroeging)

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. L.S. van Dis,

tegen:

het Werkvoorzieningschap Nijmegen en omstreken, handelend onder de naam Breed,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.P.J. Rubens.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 maart 2009 en 17 juli 2009 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Breed) als gedaagde heeft gewezen; van het vonnis van 17 juli 2009 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 9 oktober 2009 Breed aangezegd van het vonnis van 17 juli 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Breed voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, Breed zal veroordelen om aan [appellant] te betalen een schadevergoeding uit kennelijk onredelijk ontslag ad € 100.000,-, althans een door het hof te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2008, te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen vijf dagen na betekening van het arrest, alsmede Breed zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Breed de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat de in appel aangevoerde grieven als ongegrond dienen te worden afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2.5 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

[appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd.

Grief 1: opzegging in strijd met opzegverbod.

Grief 2: geen verwijtbaar handelen van [appellant] (het hof begrijpt: gericht tegen rechtsoverweging 4.3).

Grief 3: "voorwaardelijk ontslag" in strijd met gesloten ontslagstelsel (het hof begrijpt: gericht tegen rechtsoverweging 4.4).

Grief 4: passende functie (het hof begrijpt: gericht tegen rechtsoverweging 4.5).

Grief 5: geen voorzieningen (het hof begrijpt: gericht tegen rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2).

4. De vaststaande feiten

4.1 Nu daartegen geen grieven of bezwaren zijn aangevoerd, staan vast de door de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.10 vastgestelde feiten.

4.2 Voorts staan vast de navolgende feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist.

4.3 Op 20 april 2007 heeft [appellant] zich ziek gemeld voor het productiewerk bij Arcuris.

4.4 Daarna heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een personeelsfunctionaris van Arcuris, een senior P&O adviseur en [appellant] waarbij aan hem de vraag is voorgelegd wat hij bij Arcuris wilde gaan doen. [appellant] heeft gezegd dat hij het liefst schoonmaakwerkzaamheden wilde doen. Vervolgens is afgesproken dat [appellant] 2 uur per dag zou gaan integreren, te beginnen op 4 juni 2007.

4.5 [appellant] is op deze dag niet verschenen. Hij heeft 's middags naar de personeelsfunctionaris van Arcuris gebeld met de mededeling dat hij niet gaat beginnen. Reden hiervoor was dat het gebouw hem niet beviel.

4.6 Bij brief van 14 juni 2007 heeft Breed [appellant] meegedeeld voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst op te zeggen in verband met zijn ontoelaatbare en onacceptabele gedrag. Gewezen wordt op de disciplinaire maatregel die op 2 april 2007 is opgelegd, maar waarvan [appellant] geen gebruik heeft gemaakt, hetgeen hem door Breed wordt verweten. Aangekondigd dat wordt dat advies zal worden gevraagd aan het CWI.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 De zaak gaat over het volgende. [appellant] is, nadat hij al eerder van november 1990 tot eind januari 1992 in dienst was geweest, sedert oktober 1995 als schoonmaker in dienst van Breed, de regionale uitvoerder van de Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: WSW). Tot omstreeks augustus 2006 werkt hij in het stadhuis te Nijmegen, vervolgens in het gebouw van Breed zelf. Naar aanleiding van een incident waarbij hij in december 2006 de Arbo-arts heeft bedreigd heeft Breed, gelet op het voor werkgever sedert geruime tijd onacceptabele gedrag van [appellant], begin 2007 aan hem de disciplinaire maatregel van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Daarbij is besloten dat bij onberispelijk gedrag en inzet voor werk bij Breed niet tot opzegging zal worden overgegaan. [appellant] is in dit verband voor het verrichten van productiewerk overgeplaatst naar de werkplaats van Arcuris, de daklozenopvang. Op 19 april 2007 is [appellant] daar gestart. De dag erop heeft hij zich ziek gemeld met als reden dat hij overspannen was en dit werk niets voor hem was. Hem is in een vervolggesprek aangeboden om alsnog bij Arcuris schoonmaakwerkzaamheden te verrichten, hetgeen partijen daarop overeengekomen zijn, maar op zijn eerste werkdag, 4 juni 2007, is [appellant] niet verschenen. Hij heeft daarop gemeld dat hij deze werkzaamheden niet wilde uitvoeren. Breed heeft daarop, na een positief advies van het CWI, per 1 februari 2008 het dienstverband opgezegd. [appellant] heeft in eerste aanleg wegens kennelijk onredelijk ontslag gevorderd dat Breed zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 100.000,- met rente. Hij heeft gesteld dat de opzegging is geschied vanwege een voorgewende reden alsmede dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Breed bij de opzegging. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. [appellant] komt in hoger beroep op tegen deze afwijzing van de beide gronden van zijn vordering.

5.2 Met grief 1 voert [appellant] aan dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk was, ook omdat hij op dat moment arbeidsongeschikt was gedurende minder dan twee jaar. [appellant] heeft deze stelling niet nader toegelicht of onderbouwd. In eerste aanleg heeft Breed aangevoerd dat de bedrijfsarts van Breed heeft vastgesteld dat [appellant] arbeidsgeschikt was (conclusie van antwoord onder 24). [appellant] heeft daarop niet gereageerd, ook niet in hoger beroep. Niet gebleken is dat [appellant] ter zake van arbeidsgeschiktheid een second-opinion heeft aangevraagd dan wel ter zake eerder bezwaar heeft gemaakt. Evenmin is gebleken dat [appellant] binnen de termijn van twee maanden een beroep heeft gedaan op nietigheid van de opzegging wegens strijd met het opzegverbod tijdens ziekte. Tot slot is ook niet gesteld of gebleken dat het ontslag zijn grond vond in de door [appellant] gestelde arbeidsongeschiktheid. Bij gebreke van een genoegzame onderbouwing van zijn stelling gaat het hof daaraan voorbij. Grief 1 faalt.

5.3 Grief 3 richt zich tegen het aan [appellant] verleende, zoals hij dat noemt, “voorwaardelijk ontslag”. [appellant] voert aan dat het Nederlands ontslagrecht deze rechtsfiguur niet kent, zeker niet als daarin een volledig discretionaire voorwaarde is opgenomen, zoals Breed heeft gedaan: [appellant] zou niet ontslagen worden als sprake was van "onberispelijk gedrag en inzet voor het werk”.

Het hof volgt [appellant] in zijn klacht niet. Met Breed is het hof van oordeel dat aanvankelijk sprake was van een voornemen tot een ontslagprocedure als disciplinaire maatregel en dat het aan Breed op zich vrijstaat om op een voorgenomen opzegging terug te komen, ook door op voorhand het voornemen daartoe aan te kondigen ingeval de werknemer verder onberispelijk gedrag zou vertonen. In het onderhavige geval is evenwel het oorspronkelijk voornemen niet dienovereenkomstig uitgevoerd nu, alvorens een dergelijke ontslagprocedure in gang is gezet, zich nieuwe feiten omstandigheden hebben voorgedaan die voor Breed mede grond waren voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Uit het verzoek om advies aan het CWI van 13 juni 2007 blijkt immers dat naast de voorgeschiedenis die loopt tot en met de bedreiging van de bedrijfsarts in december 2006, aan het voorgenomen ontslag mede ten grondslag zijn gelegd de feiten omstandigheden die nadien hebben plaatsgevonden. Dit ziet op de omstandigheden van april en juni 2007 zoals deze hiervoor onder de vaststaande feiten onder 4.4 en 4.5 zijn weergegeven. Dit brengt met zich dat, anders dan aan grief 3 van [appellant] ten grondslag ligt, het hof met Breed van oordeel is dat niet het aanvankelijk voorgenomen disciplinair ontslag als zodanig is geëffectueerd en hier in zoverre ook niet ter beoordeling voorligt. Grief 3 faalt daarmee.

5.4 De grieven 2, 4 en 5, die betrekking hebben op de vraag of sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. [appellant] heeft gesteld dat de opzegging door Breed is geschied vanwege een voorgewende reden en dat de gevolgen van de opzegging voor [appellant] te ernstig zijn in vergelijking met belang van Breed bij de opzegging, gelet op de voor [appellant] getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande moeilijkheden om ander passend werk te vinden.

5.5 In artikel 7:681 lid 1 BW is bepaald dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen. Daartoe dient eerst de vraag te worden beantwoord of de opzegging kennelijk onredelijk is. Indien het antwoord bevestigend is, komt de schadevergoeding aan de orde.

5.6 Het hof zal eerst onderzoeken of sprake is van een voorgewende reden. Met grief 2 voert [appellant] aan dat er niet sprake is van verwijtbaar handelen aan zijn zijde. Het hof stelt vast dat Breed aan het ontslag een samenhangend geheel van feiten omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Ten eerste een aantal incidenten vanaf begin 2006 die betreffen, zo heeft Breed gesteld, voorvallen ten aanzien van de houding en gedrag van [appellant] naar zijn omgeving toe. Wanneer [appellant] wordt aangesproken op zijn functioneren, wordt hij snel boos, uit hij zich verbaal agressief en met een dreigende houding naar collega's en leidinggevenden. Zo valt hij collega's en leidinggevenden lastig met SMS-berichtjes en verstuurde hij MSN berichten. Ook bezocht hij buiten werktijd collega's tegen hun wil op hun privé adressen en probeerde hij hen onder druk te zetten door ze uitspraken op te dringen die in zijn voordeel pleitten. Op dit gedrag is hij zijn meerdere malen door zijn werkleider en manager aangesproken, aldus Breed. Daarnaast was sprake van veelvuldig ziekteverzuim van [appellant]. In verband hiermee is hem in november 2006 een re-integratie werkplek aangeboden die hem niet zinde en daarop is zijn gedrag geëscaleerd. Toen de bedrijfsarts hem op 7 december 2006 meedeelde dat hij zijn werk zou weer zou kunnen hervatten heeft [appellant] de bedrijfsarts lijfelijk bedreigd en ander wraakacties in het vooruitzicht gesteld. Dit heeft geleid tot het voornemen een disciplinaire maatregel op te leggen, aldus Breed.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 4.3 overwogen dat uit de overgelegde stukken de juistheid van deze feitelijke stellingen blijkt, maar dat die bewijzen van agressief en dreigende gedrag niet van recente datum zijn. [appellant] heeft deze feitelijke vaststelling door de kantonrechter in hoger beroep niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat het hof hiervan uitgaat. Weliswaar is sprake van gebeurtenissen in het verleden maar deze kunnen naar het oordeel van het hof niet los gezien worden van de latere, hierna te bespreken feiten en omstandigheden.

5.7 De bedreiging van de arbo-arts is door [appellant] op zichzelf niet ontkend en staat tussen partijen vast. [appellant] heeft evenwel aangevoerd dat een en ander in perspectief moet worden gezien omdat hij is afgekeurd voor de arbeidsmarkt op grond van zijn persoonlijkheids- en gedragsstoornissen. Dit heeft tot gevolg, zo voert hij aan ter toelichting op grief 2, dat hij snel boos wordt maar dat hij nooit fysiek geweld heeft toegepast jegens personen en dat dat bekend was bij Breed. Hij heeft voorts gesteld dat de aard van zijn beperkingen bekend is geweest bij Breed en dat deze belast is met de werkvoorziening voor mensen met beperkingen zoals die van [appellant].

Ook als van de juistheid van de door Breed betwiste stelling van [appellant] zou moeten worden uitgegaan neemt dit naar het oordeel van het hof, zonder toelichting die ontbreekt, niet weg dat [appellant] in dit geval onacceptabel gedrag heeft vertoond. Met [appellant] kan weliswaar worden aangenomen dat van een organisatie als Breed, die zich in het kader van de WSW met name richt op personen met een of meer beperkingen, mag worden verwacht dat zij meer rekening houdt met gedragingen van hun personeel dan in normale arbeidsomstandigheden aanvaardbaar zou worden geacht, maar deze extra zorgplicht gaat niet zover dat zij gehouden zou zijn onacceptabel gedrag als het onderhavige, bedreiging van de arbo-arts, te accepteren. Dat [appellant] nooit fysiek geweld heeft toegepast doet aan het bedreigende karakter van de gedragingen van [appellant] jegens de arbo-arts niet af.

Daarbij komt dat het hof, met Breed, van oordeel is dat als onvoldoende weersproken vaststaat dat [appellant] zich in het verleden heeft teruggetrokken van de hulp (en begeleiding) van onder meer Kairos en Mee en dat aldus externe begeleiding teneinde [appellant] in zijn gedrag te begeleiden, niet structureel verzekerd was. Dit afzien van begeleiding op eigen initiatief komt voor rekening van [appellant]. Onder deze omstandigheden ontneemt het "zo zijn” van [appellant] niet het verwijtbaar karakter aan zijn gedragingen.

5.8 Zoals door het hof hiervoor werd vastgesteld heeft Breed aan het ontslag tevens ten grondslag gelegd de feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de bedreiging van de arbo-arts. Naar aanleiding daarvan is de disciplinaire maatregel jegens [appellant] getroffen waarvan onderdeel was, de overplaatsing naar aanvankelijk productiewerk en later schoonmaakwerk bij Arcuris. [appellant] heeft betwist dat hem een passende functie is aangeboden. Hij herhaalt zijn ook in eerste aanleg ingenomen stelling dat sedert 1994 duidelijk was dat hij niet geplaatst kon worden in een conflictueuze werkomgeving. Omdat Arcuris een opvanghuis en verblijf voor daklozen is, dat wil zeggen mensen met verslavings- en psychische problematiek waar conflicten en incidenten aan de orde van de dag zijn kan [appellant] daar, zo voert hij aan, niet geplaatst worden. Het hof verwerpt deze stelling. In eerste aanleg heeft Breed gelijkluidende stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist. Breed heeft daartoe gesteld, zo blijkt ook uit rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis, dat zij voldaan heeft aan de voorwaarden - naar het hof begrijpt: voor wedertewerkstelling van [appellant] – in het rapport van de Pompestichting (productie 14 bij inleidende dagvaarding). Breed voert aan dat [appellant] schoonmaakwerkzaamheden zou gaan verrichten met een bekende uit zijn privé omgeving, dat hij zou komen te werken in een kleine groep, dat geen werkdruk op hem zou worden gelegd en dat hij de mogelijkheid van een time-out had. Nu [appellant] deze stellingen niet gemotiveerd heeft betwist, heeft de kantonrechter deze als juist aangenomen. In hoger beroep heeft [appellant] deze feitelijke stellingen wederom niet, althans niet gemotiveerd weersproken, zodat het hof uitgaat van de juistheid van het oordeel van de kantonrechter. Dat het werk bij Arcuris voor hem ongeschikt zou zijn is aldus onvoldoende gemotiveerd betwist en voor het overige evenmin gebleken.

5.9 Van een opzegging onder opgave van een voorgewende reden is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen naar het oordeel van het hof niet sprake.

5.10 Het hof komt daarmee toe aan de tweede door [appellant] gestelde grond en overweegt in algemene zin het volgende met betrekking tot de gevallen waarin een werknemer een beroep doet op de kennelijke onredelijkheid van de opzegging op grond van het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW.

5.11 Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk kunnen worden geacht, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

5.12 Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Hierbij kunnen onder meer de hierna genoemde omstandigheden een rol spelen.

— opzeggingsgrond: risicosfeer werkgever/werknemer

— de noodzaak voor de werkgever het dienstverband te beëindigen

— de duur van het dienstverband

— de leeftijd van de werknemer bij einde dienstverband

— de wijze van functioneren van de werknemer

— de door de werkgever bij de werknemer gewekte verwachtingen

— de financiële positie van de werkgever

— ingeval van een arbeidsconflict: pogingen van partijen om een oplossing te bereiken ter vermijding van een ontslag

bij arbeidsongeschiktheid zijn specifieke omstandigheden:

? de relatie tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk

? de verwijtbaarheid van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid

? de aard, de duur en de mate van de arbeidsongeschiktheid (kansen op (volledig) herstel)

? de opstelling van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid, met name voor wat betreft de re-integratie

? de inspanningen van de werknemer ten behoeve van zijn re-integratie

? de geboden financiële compensatie tijdens de arbeidsongeschiktheid (bijvoorbeeld aanvulling loon, lengte van het dienstverband na intreden arbeidsongeschiktheid)

— de inspanningen van de werkgever en de werknemer om binnen de onderneming van de werkgever ander (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld door om- of bijscholing)

— flexibiliteit van de werkgever/werknemer

— de kansen van de werknemer op het vinden van ander (passend) werk (waarbij opleiding, arbeidsverleden, leeftijd, arbeidsongeschiktheid en medische beperkingen een rol kunnen spelen)

— de inspanningen van de werknemer om elders (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld outplacement)

— vrijstelling van werkzaamheden gedurende de (opzeg)termijn

— de financiële positie waarin de werknemer is komen te verkeren, waarbij van belang kunnen zijn eventuele inkomsten op grond van sociale wetgeving en eventuele pensioenschade

— reeds aangeboden/betaalde vergoeding

— vooraf individueel overeengekomen afvloeiingsregeling

— sociaal plan (eenzijdig opgesteld of overeengekomen met vakorganisaties of ondernemingsraad).

5.13 Hiervoor is reeds overwogen dat de opzeggingsgrond zich bevindt in de risicosfeer van de werknemer. In zoverre was sprake van een noodzaak voor Breed om het dienstverband te beëindigen. Daarbij komt dat Breed in eerste aanleg, en onweersproken door [appellant] in hoger beroep, heeft aangevoerd dat zij als uitvoerder van de WSW een wachtlijst hanteert en het handhaven van het dienstverband met [appellant] zou betekenen dat zij niet een andere WSW-kandidaat aan het werk zou kunnen helpen, zodat Breed ook in zoverre een duidelijk belang heeft. Weliswaar is [appellant] gedurende 14 jaar in dienst geweest van Breed, maar met de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit de stukken blijkt dat zich door de (laatste) jaren heen steeds problemen hebben voorgedaan die verband hielden met de agressieve en dreigende opstelling van [appellant]. In zoverre kan niet van goed functioneren van de werknemer worden gesproken.

5.14 Naar het oordeel van het hof staat voorts vast dat Breed zich steeds heeft ingespannen om [appellant] te plaatsen in een passende functie. Zo heeft zij hem in 2006, in verband met veelvuldig verzuim, overgeplaatst van schoonmaakwerkzaamheden op het stadhuis naar het kantoor van Breed zelf. Tegen het oordeel van de kantonrechter, dat uit de aantekeningen van de bedrijfsarts van 3 augustus 2006 niet kan worden geconcludeerd dat de bedrijfsarts zelf meende dat de binnenfunctie bij Breed niet passend was en dat van het (tegen beter weten in) re-integreren naar een niet passende werkplek derhalve geen sprake is (rechtsoverweging 4.3 bestreden vonnis), heeft [appellant] in hoger beroep geen voldoende gemotiveerde bezwaren aangevoerd. Hij heeft zich in zoverre immers beperkt tot de stelling dat de functie echt niet passend was, zodat het hof hieraan voorbij gaat en uitgaat van de juistheid van voormeld oordeel van de kantonrechter.

Voor zover de bezwaren van [appellant] betrekking hebben op het al dan niet passend zijn van de aangeboden werkzaamheden bij Arcuris, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen; daarbij is geoordeeld dat niet gebleken is dat deze werkzaamheden niet passend voor [appellant] zouden zijn. [appellant] heeft, zonder deugdelijke motivering, geen begin gemaakt met zijn schoonmaakwerkzaamheden bij Arcuris. Voor zover [appellant] bedoeld heeft te stellen dat hij arbeidsongeschikt was, is dat standpunt hiervoor bij de bespreking van grief 1 reeds verworpen. Voorts heeft Breed na het incident met de arbo-arts en de aankondiging van het voorgenomen ontslag [appellant] uitdrukkelijk de kans gegeven om beëindiging van arbeidsovereenkomst te voorkomen, door hem in de gelegenheid te stellen in gedrag aan te tonen dat er geen reden voor ontslag zou zijn. [appellant] heeft deze kans niet benut.

Omtrent de kansen van [appellant] op het vinden van ander werk heeft [appellant] niets gesteld en in zoverre niet aan de stelplicht voldaan. Gelet op zijn arbeidsverleden in het kader van de WSW, zijn beperkingen met alle gevolgen van dien voor zijn gedrag alsmede zijn leeftijd van 43 jaar ten tijde van het ontslag acht het hof deze kansen weliswaar niet groot, maar bij gebrek aan enige concrete stelling daaromtrent, kent het hof hieraan geen overwegende betekenis toe. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat Breed in eerste aanleg, en in hoger beroep, onweersproken heeft aangevoerd dat [appellant] zich, ondanks opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met Breed, weer kan aanmelden voor werk in WSW-verband. In dat geval zal door een onafhankelijke instantie worden beoordeeld of hij daarvoor een indicatie krijgt en zo dat geval mocht zijn komt hij op de wachtlijst. Als [appellant] dan bovenaan op die wachtlijst staat, kan Breed hem niet weigeren en zal zij hem dus weer passend werk aanbieden. Gelet hierop, zo oordeelt het hof met de kantonrechter, is het voor [appellant] niet onmogelijk weer in WSW-verband te gaan werken.

Gesteld noch gebleken is of [appellant] zich opnieuw voor WSW-werk heeft aangemeld en zo ja, met welk resultaat. Voorts is op geen enkele wijze duidelijk gemaakt wat de situatie van [appellant] is sedert het ontslag ter 1 februari 2008. Of hij werkt of gewerkt heeft, dan wel geheel of gedeeltelijk is aangewezen op een uitkering en zo ja welke, is aan het hof in het geheel niet bekend. Dat de vraag of het aan de werknemer gegeven ontslag kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen ervan, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging van de dienstbetrekking, in beginsel dient te worden beantwoord naar de omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, maakt dit niet anders. Nadien intredende omstandigheden kunnen immers in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op vermeld tijdstip kon worden verwacht.

Het staat tot slot tussen partijen vast dat Breed geen voorzieningen in financiële zin voor [appellant] heeft getroffen. Het hof acht zulks evenwel niet doorslaggevend gelet op de mogelijkheden voor [appellant] om zich opnieuw voor WSW werk te kwalificeren. Daarbij komt dat het enkele niet treffen van een afvloeiingsregeling de opzegging nog niet kennelijk onredelijk maakt.

5.15 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld welke grond zouden kunnen vormen voor het oordeel dat de gevolgen van het ontslag voor [appellant] te ernstig zijn in vergelijking met de belangen van Breed. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat ook in zoverre de opzegging niet kennelijk onredelijk is. Daarmee falen de grieven 2,4 en 5. Aan bewijslevering wordt aldus niet toegekomen.

Slotsom

5.16 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.17 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Breed begroot op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 262,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, M.F.J.N. van Osch en W. Duitemeijer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2011.