Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6589

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
02-09-2011
Zaaknummer
200.073.554
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX5880, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5880
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdelijkheid, subrogatie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 102
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 962
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2011/729
JIN 2011/768 met annotatie van De Boer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.073.554

(zaaknummer rechtbank 106858)

arrest van de derde civiele kamer van 23 augustus 2011

inzake

de naamloze vennootschap

Menzis Zorgverzekeraar N.V.,

rechtsopvolgster van de onderlinge waarborgmaatschappij Menzis Zorgverzekeraar u.a.,

gevestigd te Wageningen,

appellante,

advocaat: mr. J.H. de Boer,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de naamloze vennootschap

Interpolis Schade N.V.,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J. Schoonen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 januari 2010 en 28 april 2010 die de rechtbank Zutphen tussen appellante (hierna ook te noemen: Menzis) als eiseres en geïntimeerden (hierna ook te noemen: [geïntimeerde sub 1] c.q. Interpolis en gezamenlijk ook: Interpolis c.s.) als gedaagden heeft gewezen; van laatstgenoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 21 juli 2010,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 28 april 2010 onder 2.1 tot en met 2.7 feiten vastgesteld. Nu daartegen geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in dit geding kort gezegd om het volgende. Mevrouw [A.] en de minderjarige [B.] zijn gewond geraakt als gevolg van een verkeersongeval, waarvoor de echtgenoot respectievelijk vader van de slachtoffers, [C.], en [geïntimeerde sub 1] in gelijke mate aansprakelijk zijn. Menzis heeft de ziektekosten van de slachtoffers aan hen vergoed. Zij wenst die kosten te verhalen op [geïntimeerde sub 1] en diens WAM-verzekeraar Interpolis. De rechtbank heeft die vordering voor 55% toegewezen en voor het overige afgewezen. Het hoger beroep is beperkt tot de primaire vordering van Menzis, inhoudende dat Menzis jegens Interpolis c.s. op grond van art. 6:102 BW aanspraak kan maken op 100% van het schadebedrag. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 Menzis stelt zich op het standpunt dat zij, aangezien zij de schade van de slachtoffers heeft vergoed, op grond van art. 7:962 lid 1 BW is gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding die de slachtoffers hebben jegens derden. [geïntimeerde sub 1] en [C.] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, hetgeen betekent dat de slachtoffers ieder van hen voor de gehele schade kunnen aanspreken. Nu Menzis in dat recht is gesubrogeerd, kan zij [geïntimeerde sub 1] dan wel Interpolis voor de gehele schade aanspreken. Dat Menzis op grond van art. 7:962 lid 3 geen vordering heeft op [C.], maakt dat niet anders. Toepasselijkheid van dat artikellid brengt niet mee dat de hoofdelijkheid van art. 6:102 BW wordt doorbroken, aldus Menzis.

4.3 Interpolis c.s. stelt daartegenover dat Menzis op grond van art. 7:962 lid 1 BW weliswaar is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerden, maar dat zij op grond van art. 7:962 lid 3 BW geen recht verkrijgt tegenover [C.], immers de echtgenoot en vader van de slachtoffers. Menzis verkrijgt dan ook niet twee vorderingen, maar slechts één, te weten die op [geïntimeerde sub 1] dan wel Interpolis. Van hoofdelijkheid kan alleen sprake zijn als er meer partijen aan te spreken zijn tot vergoeding van dezelfde schade. De enkele vordering van Menzis kan dus geen hoofdelijke zijn, zodat Interpolis c.s. slechts dat gedeelte van de schade behoeft te vergoeden dat overeenstemt met het aandeel van [geïntimeerde sub 1] aan het ontstaan van het ongeval. Interpolis c.s. stelt voorts dat, indien Menzis de vordering voor 100% op haar zou kunnen verhalen, het civiele plafond zou worden overschreden. Zouden immers de slachtoffers zelf hun schade voor het geheel op Interpolis c.s. verhalen, dan zou Interpolis c.s. regres kunnen nemen op (de WAM-verzekeraar van) [C.]. Nu het niet de slachtoffers zelf zijn, maar Menzis degene is die de vordering instelt, kan Interpolis c.s. geen regres nemen, omdat zij dan art. 6:11 BW tegengeworpen zou krijgen. De wetgever heeft voorts beoogd dat het deel van de ziektekosten dat is veroorzaakt door [C.], blijft liggen bij de zorgverzekeraar, aldus Interpolis c.s.

4.4 Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat de slachtoffers hun gehele schade naar keuze zouden kunnen verhalen op [geïntimeerde sub 1] of op [C.], die hoofdelijk verbonden zijn. Zij hebben dus (ook) een vordering van 100% van de schade op [geïntimeerde sub 1]. Het is in die vordering dat Menzis is gesubrogeerd. Dat betekent dat ook Menzis de gehele schade op Interpolis c.s. kan verhalen. Dat Menzis op grond van art. 7:962 lid 3 BW zelf niet de mogelijkheid heeft de schade (ook) op [C.] te verhalen, doet daaraan niet af. Dat verandert niets aan de vordering waarin zij is gesubrogeerd, te weten de vordering van de slachtoffers tot vergoeding van 100% van de schade op [geïntimeerde sub 1].

4.5 De stelling dat aldus het civiele plafond wordt overschreden, gaat niet op. Ook in het geval dat de slachtoffers zelf de vordering zouden hebben ingesteld, en [geïntimeerde sub 1] of Interpolis de gehele vordering zou hebben voldaan, zou immers niet zeker zijn dat hun regresvordering op [C.] ook tot betaling zou leiden. Het is het risico van de hoofdelijk schuldenaar dat hij voor het gehele schadebedrag opdraait, als regres om wat voor reden dan ook niet succesvol blijkt. Dat brengt mee dat het civiele plafond, voor zover in dit geval van belang, ook de hele vordering bedraagt.

4.6 Het hof laat in het midden of Interpolis al of niet regres kan nemen op [C.], omdat deze procedure daar niet over gaat. In ieder geval geldt dat, ook al zou dat regres niet mogelijk zijn, dat op zichzelf niet meebrengt dat Menzis daarom niet de gehele schade van Interpolis c.s. zou kunnen vorderen. Interpolis c.s. voert aan dat zij onevenredig zwaar wordt getroffen als zij de gehele schade voor haar rekening moet nemen, en dat is ook juist, maar evenzeer is het onredelijk als Menzis een deel van de schade niet kan verhalen, nu haar verzekerden, de slachtoffers, in ieder geval geen schuld hebben aan het ongeval.

4.7 Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Interpolis c.s. heeft erop gewezen dat, indien zij regres zou (kunnen) nemen op [C.], alsnog de situatie zou ontstaan die de wetgever met art. 7:962 lid 3 BW heeft willen voorkomen, namelijk dat de schade die aan het ene gezinslid op grond van verzekering wordt vergoed, vervolgens op het andere gezinslid wordt verhaald. Wat daarvan ook zij, de enkele omstandigheid dat de bedoeling van de wetgever in dat geval niet zou worden bereikt, is onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat het in rechtsoverweging 4.4 neergelegde oordeel onjuist is.

4.8 Het vorenstaande voert tot de slotsom dat de grieven slagen en het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd. De oorspronkelijke vordering wordt alsnog toegewezen, met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2008 tot de voldoening. In eerste aanleg heeft Menzis ook buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, maar tegen de (impliciete) afwijzing daarvan heeft zij geen grief gericht, en zij heeft die vordering in hoger beroep ook niet gehandhaafd, zodat het hof daarop niet zal beslissen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Interpolis c.s. veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 28 april 2010 en doet opnieuw recht;

veroordeelt Interpolis c.s. tot betaling aan Menzis van een bedrag van € 5.821,15, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2008 tot de voldoening;

veroordeelt Interpolis c.s. in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Menzis voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 768,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, € 313,- voor griffierecht en € 85,98 voor dagvaardingskosten en voor wat betreft het hoger beroep begroot op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, € 420,- voor griffierecht en € 87,93 voor dagvaardingskosten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. V. van den Brink, P.H. van Ginkel en L.M. Croes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2011.