Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6455

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
24-001980-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft aan een veroordeelde de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag te betalen van € 23.280,75 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001980-08

Uitspraak d.d.: 30 augustus 2011

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juli 2008 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof - rekening houdende met een korting van tien procent op grond van overschrijding van de redelijke termijn - de omvang van het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, zal bepalen op € 31.400,30, en aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat zal opleggen van dat bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman,

mr. H.J. Veen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op EUR 34.867,00 (vierendertig duizend achthonderd zevenenzestig euro) en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof - rekening houdende met een korting van tien procent op grond van overschrijding van de redelijke termijn - de omvang van het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, zal bepalen op € 31.380,30, en aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat zal opleggen van dat bedrag.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 2 augustus 2011 (parketnummer 24-001750-08) terzake van tweemaal de overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan, veroordeeld tot een straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

Verweren raadsman

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld, lager dient te zijn dan het bedrag zoals gevorderd door de advocaat-generaal.

De raadsman heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat veroordeelde het vuurwerk samen met [medeverdachte] verhandelde, zodat de opbrengst van de handel door tweeën gedeeld moet worden. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de waarde van de partij vuurwerk dat bij veroordeelde is aangetroffen en in beslag is genomen in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vuurwerk heeft veroordeelde van het (eerder verkregen) wederrechtelijk verkregen voordeel gekocht en door dit beslag is al een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tezamen met [medeverdachte] handelde in illegaal vuurwerk. Naar het oordeel van de advocaat-generaal dient de winst derhalve niet te worden gedeeld. Tevens heeft de advocaat-generaal aangegeven dat de waarde van het in beslag genomen vuurwerk niet in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de veroordeelde er zelf voor heeft gekozen de winst te investeren in illegaal vuurwerk.

Berekening van het voordeel

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, van 15 januari 2007, opgemaakt door [naam], inspecteur van politie van de Financiële Recherche Dienst, welk rapport onderdeel uitmaakt van het dossier.

Veroordeelde heeft op 15 december 2006 verklaard dat hij in oktober 2006 is begonnen met de handel in vuurwerk. Op 8 december 2006 is hij aangehouden.

Bij veroordeelde is een USB-stick aangetroffen met zeven bestellijsten van vuurwerk uit 2006. Deze bestellijsten bevinden zich bij de stukken. Uitgaande van deze bestellijsten zou in totaal voor € 74.005 aan vuurwerk kunnen zijn besteld. Dienaangaande heeft veroordeelde verklaard dat hij minder dan die (bestelde) hoeveelheid, mogelijk de helft, geleverd heeft gekregen.

Gelet hierop zal er van worden uitgegaan dat veroordeelde 50% van € 74.005 aan inkoop, te weten € 37.002,50 heeft ontvangen.

Met betrekking tot de winstmarge heeft veroordeelde verklaard dat deze 100% bedroeg.

Veroordeelde zou met de handel in vuurwerk aldus - indien hij de gehele inkoop had verkocht - een winst hebben behaald van € 37.002,50. Veroordeelde heeft echter niet de gehele ingekochte partij vuurwerk verkocht. Ten tijde van de aanhouding van verdachte is een deel van het ingekochte vuurwerk aangetroffen en in beslag genomen. Over dit deel (een partij vuurwerk ter waarde van € 9.000,00) heeft verdachte derhalve geen omzet gegenereerd. Dit betekent dat het hof uitgaat van een omzet van € 28.002,50 (€ 37.002,50 minus € 9.000,00).

Ten slotte moet nog rekening worden gehouden met door verdachte gemaakte kosten, bestaande uit € 635,00 aan bushuur en € 1.500 aan brandstofkosten, in totaal € 2.135,00.

Namens verdachte is het verweer gevoerd dat de helft van de opbrengst minus de kosten aan ene [medeverdachte] moet worden toegeschreven en dus niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde kan worden toegerekend. Dit standpunt wordt door het hof verworpen nu dit niet aannemelijk is geworden.

Met inachtneming van het bovenstaande komt het hof tot de volgende berekening:

Totaal genoten wederrechtelijk verkregen voordeel € 28.002,50

Gemaakte kosten € 2.135,00 -

Totaal € 25.867,50

Korting overschrijding redelijke termijn: 10% € 2.586,75

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 23.280,75

De verplichting tot betaling aan de Staat

Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van EUR 23.280,75 (drieëntwintigduizend tweehonderdentachtig euro en vijfenzeventig cent).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 23.280,75 (drieëntwintigduizend tweehonderdtachtig euro en vijfenzeventig cent).

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 23.280,75 (drieëntwintigduizend tweehonderdentachtig euro en vijfenzeventig cent).

Aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. J.P. van Stempvoort, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier, en op

30 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Stempvoort en mr. Van der Wiel-Rammeloo, beiden voornoemd, zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.