Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6288

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
24-000927-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt als first offender ter zake van zware mishandeling en openlijke geweldpleging veroordeeld tot een maximale werkstraf. De verweren met betrekking tot de zware mishandeling, er op neerkomende unus testis nullus testis, onbetrouwbaarheid van de voor verdachte afgelegde belastende verklaringen en de mogelijkheid dat een ander dan verdachte het feit heeft gepleegd, worden verworpen. Het letsel dat verdachte het slachtoffer in het gezicht met een fles heeft toegebracht (snij- en scheurwonden) met ontsierende littekens tot gevolg, levert zwaar lichamelijk letsel op. De - deels bestreden - vordering van de benadeelde partij wordt geheel toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000927-11

Uitspraak d.d.: 31 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 april 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ad € 1.735,=, vermeerderd met de wettelijke rente, en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Scherpenhuysen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 11 juni 2010 in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (littekens in het gezicht als het gevolg van snijwonden en/of scheurwonden in het gezicht), heeft toegebracht door deze opzettelijk

- meermalen, althans éénmaal, in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen het lichaam, te stompen/slaan en/of

- (met) een gebroken (glazen) fles, in ieder geval een glazen voorwerp, in/tegen het gezicht/hoofd te slaan/gooien;

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 11 juni 2010 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit het meermalen, althans éénmaal (met kracht)

- stompen/slaan in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of

- (met) een (gebroken) glazen fles, in ieder geval een glazen voorwerp, in/tegen het gezicht/hoofd van die [benadeelde] slaan/gooien;

feit 1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 11 juni 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), meermalen, althans éénmaal (met kracht) in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen het lichaam heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 2:

hij op of omstreeks 23 juni 2010 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat] in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een fiets (toebehorende aan [slachtoffer]), welk geweld bestond uit het meermalen, althans éénmaal (met kracht)

- oppakken en weer neergooien van die fiets en/of

- schoppen/trappen tegen die fiets.

Bespreking gevoerde verweren met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat er maar één verklaring voorhanden is, te weten die van [getuige 1], waaruit blijkt dat verdachte aangever [benadeelde] met een fles heeft geslagen. Volgens de raadsvrouw is deze enkele verklaring onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Dit verweer gaat niet op, omdat er naast de door de raadsvrouw genoemde verklaring van

[getuige 1] ook andere verklaringen voorhanden zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, bijvoorbeeld de verklaringen van aangever [benadeelde] en [getuige 2], beide afgelegd bij de politie, alsmede de medische verklaring betreffende aangever [benadeelde] en de (kleuren)foto's van diens letsel.

Voorts heeft de raadsvrouw ter zitting van het hof aangevoerd, dat de verklaringen die

[getuige 1] heeft afgelegd onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt en dat aan die verklaringen geen waarde kan worden gehecht, omdat die verklaringen tegenstrijdig zijn en op belangrijke punten niet overeen komen met verklaringen van andere getuigen. De raadsvrouw heeft hiervan een aantal voorbeelden gegeven, zoals nader in de aan het hof overgelegde pleitnota vermeld, waaronder - voor zover hier van belang - het vermeende slaan van verdachte met de fles. Zo zou [getuige 1] kort na het voorval op 11 juni 2010 op straat aan de politie hebben verklaard dat hij had gezien dat verdachte een bierflesje tegen het hoofd van aangever [benadeelde] had gegooid. Op 12 juni 2010 heeft [getuige 1] verklaard dat hij had gezien dat verdachte met een bierflesje tegen het hoofd van aangever [benadeelde] had geslagen. Op 16 maart 2011 heeft [getuige 1] bij de rechter-commissaris nog weer een andersluidende verklaring afgelegd, inhoudende dat verdachte bovenhands een grote omhaal met de fles heeft gemaakt en aangever [benadeelde] daarmee heeft geslagen op zijn hoofd in de buurt van zijn neus, boven de lip en onder de neus.

Met betrekking tot dit verweer overweegt het hof als volgt.

Het hof kent aan de verklaring die [getuige 1] kort na het voorval op 11 juni 2010 op straat aan de politie heeft afgelegd niet veel waarde toe, omdat naar het oordeel van het hof de politie op dat moment niet bezig was met het in detail ondervragen van de aanwezigen, onder wie [getuige 1], maar om van hen een globaal beeld te verkrijgen van hetgeen kort daarvoor was voorgevallen. [getuige 1] is op 12 juni 2010 op het politiebureau gehoord en heeft toen uitdrukkelijk en in detail verklaard over hetgeen op 11 juni 2010 was voorgevallen. Hij heeft verklaard dat verdachte [benadeelde] met een fles op het hoofd heeft geslagen. Op 16 maart 2011 is [getuige 1] door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen wederom verklaard dat verdachte [benadeelde] met een fles op het hoofd heeft geslagen. Voorts heeft hij bij de rechter-commissaris zijn verklaring die hij op straat aan de politie had gegeven herzien, in die zin dat hij niet aan de politie had verklaard dat er met een fles was gegooid, maar dat er met een fles was geslagen. De door [getuige 1] op 12 juni 2010 bij de politie afgelegde verklaring en de door hem op 16 maart 2011 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring zijn naar het oordeel van het hof op het punt van het slaan met een fles door verdachte niet tegenstrijdig. Daar komt bij dat deze verklaringen ook steun vinden in de verklaring die verdachte op 14 juni 2010 bij de politie heeft afgelegd, in de verklaring die aangever [benadeelde] op 12 juni 2010 bij de politie heeft afgelegd en in de medische verklaring betreffende aangever [benadeelde] d.d. 18 juni 2010, een en ander in samenhang beschouwd. Verdachte heeft op 14 juni 2010 immers verklaard dat hij een bierflesje in de hand had ten tijde van het incident. Aangever [benadeelde] heeft op 12 juni 2010 verklaard dat hij ineens, zonder het te zien aankomen, in zijn gezicht werd geraakt, waar hij hevig van schrok, en dat die aanraking hem heel erg pijn deed. Het bloed spoot uit zijn neus. Het letsel dat in de medische verklaring is beschreven (snij- en scheurwonden in het gezicht) duidt er ook op te zijn toegebracht met een scherp voorwerp, in dit geval een fles. Het hof verwerpt het verweer.

De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat uit meerdere verklaringen blijkt:

- dat [medepleger] wordt genoemd als degene die met een bierflesje heeft

geslagen;

- dat er bij het begin van de ruzie een flesje op de grond is gevallen, zodat de mogelijkheid

bestaat dat het letsel dat aangever [benadeelde] heeft opgelopen is ontstaan doordat hij tijdens de

vechtpartij op de grond is gevallen met zijn gezicht in het kapotte glas.

Deze verweren worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ook de benadeelde partij [benadeelde], blijkens het schade-onderbouwingsformulier onder het kopje "Korte situatieschets" op blz. 1, gevoegd bij voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, ervan uitgaat dat [medepleger] degene is geweest die hem met een fles heeft geslagen.

Het hof verwerpt dit verweer, omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van hetgeen de benadeelde partij in die korte situatieschets heeft omschreven. Die toelichting kan namelijk redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat [benadeelde] eerst werd aangevallen door [medepleger], maar daarna met een flesje werd geslagen door verdachte.

Ten slotte heeft de raadsvrouw ter zitting van het hof aangevoerd - naar het hof begrijpt - dat een litteken geen letsel is, maar hooguit het gevolg van letsel, zodat (zwaar) lichamelijk letsel niet bewezen kan worden verklaard.

Dit verweer wordt verworpen.

Uit de medische verklaring d.d. 18 juni 2010 blijkt dat aangever [benadeelde] meerdere snij- en scheurwonden in zijn gezicht heeft opgelopen, die zijn gehecht, dat die wonden zullen genezen maar blijvend littekens te verwachten zijn.

Aangever [benadeelde] heeft op 15 december 2010 desgevraagd per e-mail aan de politie doorgegeven dat hij aan het incident van 11 juni 2010 blijvend letsel, te weten zichtbare littekens in zijn gezicht, heeft overgehouden.

Hoofdlittekens als waarvan hier sprake is kunnen naar algemeen spraakgebruik worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in het bijzonder omdat ze én ontsierend én blijvend zijn.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1 primair:

hij op 11 juni 2010 in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (littekens in het gezicht als het gevolg van snijwonden en scheurwonden in het gezicht) heeft toegebracht door deze opzettelijk met een fles in het gezicht te slaan;

feit 2:

hij op 23 juni 2010 in de gemeente [gemeente] met anderen, aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een fiets (toebehorende aan [slachtoffer]), welk geweld bestond uit het meermalen

- oppakken en weer neergooien van die fiets en

- schoppen/trappen tegen die fiets.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 11 juni 2010 [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toegebracht door hem met een fles in het gezicht te slaan. Hierdoor heeft [benadeelde] snij- en scheurwonden in het gezicht opgelopen, resulterend in ontsierende littekens. Door het plegen van dit feit heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van [benadeelde] geschonden, maar hem ook voor het leven getekend.

Uit het schade-onderbouwingsformulier bij het voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde] blijkt, dat hij door het optreden van verdachte gedurende de eerste twee weken last heeft gehad van slapeloosheid. Hij had, naast de pijn aan zijn gezicht, last van herbelevingen. Steeds zag hij verdachte voor zich en speelde de film van het voorval zich in

zijn gedachten af. Nadat benadeelde weer enigszins hersteld was en weer op straat kwam, was hij bang dat hij verdachte tegen zou komen. Benadeelde was op zijn hoede en voelde zich de eerste maanden na het voorval niet op zijn gemak.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, acht het hof de oplegging van de door de eerste rechter opgelegde werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden.

Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde deels onvoorwaardelijke werkstraf in onvoldoende mate recht doen aan de aard en de ernst van het door verdachte met name onder 1 primair gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder hij dat feit heeft gepleegd, en de omstandigheid, dat de benadeelde partij blijvend wordt geconfronteerd met littekens in zijn gezicht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Gebleken is dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vaststaat dat door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit de benadeelde partij schade heeft geleden, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor materiële schade tot een bedrag van in totaal € 235,= en voor immateriële schade tot een bedrag van

€ 1.500,=.

Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij bestreden, stellend, dat hij het onder 1 primair ten laste gelegde feit niet heeft (mede-)gepleegd. Het hof passeert dit verweer, nu het dat feit bewezen acht.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het bedrag van € 165,= dat de benadeelde partij aan eigen risico heeft gevorderd, onvoldoende is onderbouwd. Het hof acht op grond van het door de benadeelde partij overgelegde (internet)rekeningafschrift van de ING-bank, in samenhang beschouwd met de in het schade-onderbouwingsformulier gegeven toelichting daaromtrent, aannemelijk geworden dat een bedrag van € 165,= aan eigen risico voor rekening van de benadeelde partij is gekomen en dat de benadeelde partij dit bedrag op

27 oktober 2010 aan zijn zorgverzekeraar Zilveren Kruis Achmea heeft betaald.

Op grond van de in het schade-onderbouwingsformulier gegeven toelichting omtrent de gevorderde immateriële schade van € 1.500,= acht het hof die schade - anders dan de raadsvrouw - voldoende aannemelijk geworden en onderbouwd.

Voorts is er sprake van schade aan kleding ad € 70,=, welk bedrag niet is betwist. Dit bedrag is voor toewijzing vatbaar.

De vordering van de benadeelde partij behoort derhalve te worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.735,=, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, nu het hof die maatregel gewenst voorkomt.

De gevorderde wettelijke rente is eveneens voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.735,00 (duizend zevenhonderdvijfendertig euro) bestaande uit EUR 235,00 (tweehonderdvijfendertig euro) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 1.735,00 (duizend zevenhonderdvijfendertig euro) bestaande uit EUR 235,00 (tweehonderdvijfendertig euro) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, senior raadsheer, voorzitter,

mr. H.J. Deuring, senior raadsheer, en mr. J. Hielkema, raadsheer,

in tegenwoordigheid van G. Boersma, griffier,

en op 31 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.