Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6285

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
24-002283-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het medeplegen van vijf pogingen tot woninginbraken en het meermalen plegen van witwassen veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke werkstraf. Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met de - positieve - persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdacht ontkent elke betrokkenheid bij de pogingen tot woninginbraken. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door de medeverdachten afgelegde voor verdachte belastende verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002283-10

Uitspraak d.d.: 31 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 september 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1994],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, waarvan 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld toezicht door de jeugdreclassering, met hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ad € 450,= en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het is gericht tegen de partiële vrijspraak van het onder 7 ten laste gelegde en de beslissing van de kinderrrechter voor zover deze de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 7 ten laste gelegde partieel nietig heeft verklaard te bevestigen. De vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte, zijn moeder en zijn raadsvrouw, mr. L.F. Withaar-Weijns, naar voren is gebracht.

Omvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de partiële vrijspraak ter zake van het onder 7 ten laste gelegde, kan het niet worden ontvangen.

De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof verklaard dat het appel niet is gericht tegen de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 7 ten laste gelegde. Gelet hierop heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen voormelde partiële nietigverklaring, zodat hij daarin eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is voor zover voor dit hoger beroep van belang ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 04 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een breekijzer, in ieder geval een soortgelijk voorwerp, de (voor)deur en/of ra(a)m(en) heeft (geprobeerd) open te breken en/of heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 2 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een breekijzer, in elk geval een soortgelijk voorwerp, de (voor)deur en/of de ra(a)m(en) van die woning heeft geprobeerd open te breken en/of heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 3 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een breekijzer, in elk geval een soortgelijk voorwerp, de (voor)deur en/of de ra(a)m(en) van die woning heeft geprobeerd open te breken en/of heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:

hij in of omstreeks de periode van 4 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een breekijzer, in elk geval een soortgelijk voorwerp, de (voor)deur van die woning heeft opengebroken en/of door die deur die woning heeft betreden en/of die woning heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 5:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een breekijzer, in elk geval een soortgelijk voorwerp, de (achter)deur van die woning heeft geprobeerd open te breken en/of heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 6 primair:

hij, in de periode van 13 november 2009 tot en met 9 januari 2010 in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten één of meer bromfiets(en) en/of één of meer bromfietsonderde(e)l(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van één of meer voorwerp(en), te weten één of meer bromfiets(en) en/of één of meer bromfietsonderde(e)l(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

feit 6 subsidiair:

hij in de periode van 13 november 2009 tot en met 9 januari 2010, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten één of meer bromfiets(en) en/of één of meer bromfietsonderde(e)l(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Bewijsoverwegingen ter zake van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten

De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof de betrouwbaarheid van de door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen betwist, voor zover deze als bezwarend voor de verdachte kunnen gelden. Dit verweer slaagt niet. Het hof acht deze verklaringen voor zover betrekking hebbende op de rol die verdachte in deze feiten heeft gehad, zijnde daderinformatie, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, nu deze verklaringen op dit onderdeel met elkaar overeenstemmen en elkaar ondersteunen. In dit verband laat het hof meewegen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tijdens het plegen van de onder 1 ten laste gelegde poging tot woninginbraak gelijktijdig door de politie zijn aangehouden en derhalve niet in staat zijn geweest hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Daar komt bij dat de politie tijdens die aanhouding een derde persoon heeft gezien in de brandgang achter die woning, die is weggerend, en die niet meer kon worden achterhaald. Uit de verklaringen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde hebben afgelegd maakt het hof op dat deze derde persoon verdachte is geweest. Voorts hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verklaringen afgelegd met betrekking tot hun eigen rol in de pogingen tot woninginbraken en de rol die verdachte daarin heeft gehad. Daarbij hebben zij verdachte niet een grote rol toebedeeld. Op grond van deze verklaringen, in samenhang beschouwd, staat voor het hof vast dat verdachte bij de eerste vijf ten laste gelegde feiten betrokken is geweest. Het hof gaat uit van de lezing die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van de gebeurtenissen hebben gegeven.

Voorts heeft de raadsvrouw ter zitting van het hof voor wat betreft het bewijs van feit 1 aangevoerd, dat het een verhorende politieambtenaar is geweest die [medeverdachte 2] de naam van verdachte in de mond heeft gelegd.

Feitelijk juist is dat getuige [medeverdachte 1] op de vraag van de verbalisant of [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) de derde mededader van feit 1 was bevestigend heeft geantwoord. In het algemeen geldt dat voorzichtigheid geboden is indien de politie aan een getuige/verdachte namen noemt van mogelijke mede-betrokkenen, omdat van het noemen van een naam reeds de suggestie kan uitgaan dat de naamdrager er daadwerkelijk bij betrokken is, dan wel dat het om andere redenen wenselijk is dat op een dergelijke vraag bevestigend wordt geantwoord. In dit geval is er geen aanleiding te veronderstellen dat getuige [medeverdachte 1] anders heeft geantwoord dan conform de waarheid, omdat zijn verklaring bevestiging vindt in die van [medeverdachte 2] en het hof diens verklaringen, ook met betrekking tot feit 1, betrouwbaar oordeelt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij op 4 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [benadeelde], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders met een breekijzer de voordeur en een raam heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

hij in de periode van 2 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders met een breekijzer de voordeur van die woning heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3:

hij in de periode van 3 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 2], en zich daarbij de toegang tot die woning te

verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders met een breekijzer de voordeur van die woning heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:

hij in de periode van 4 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 3], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders met een breekijzer de voordeur van die woning heeft opengebroken en door die deur die woning heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 5:

hij in de periode van 1 april 2010 tot en met 5 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 4], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders met een breekijzer de achterdeur van die woning heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 6 primair:

hij in de periode van 13 november 2009 tot en met 9 januari 2010 in de gemeente [gemeente], voorwerpen, te weten bromfietsen, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 6 primair bewezen verklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in de periode van 13 november 2009 tot en met 9 januari 2010 schuldig gemaakt aan witwassen. Hij heeft in deze periode bromfietsen voorhanden gehad, die afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voorts heeft verdachte in de periode van 1 april 2010 tot en met 5 april 2010, telkens samen met anderen, gepoogd in te breken in vijf woningen. Zij hebben getracht de voor- of achterdeur van die woningen met een breekijzer open te breken. In één geval hebben zij daarnaast ook nog getracht een raam met het breekijzer open te breken. Bij één van die pogingen is het hun gelukt daadwerkelijk de voordeur open te krijgen en de woning door die deur te betreden. Aangezien er bij deze poging een auto aan kwam rijden en verdachte, die op de uitkijk stond, zijn maten waarschuwde, hebben die de woning met spoed verlaten. Alle woningen hebben braakschade opgelopen. Door het plegen van deze feiten hebben verdachte en zijn mededaders niet alleen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van anderen, maar hebben zij ook de bewoners van die woningen, ondanks dat die ten tijde van het plegen van de feiten niet thuis waren, angst ingeboezemd.

Uit het verdachte betreffende Uitrreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2011 blijkt dat verdachte tweemaal eerder ter zake van het plegen van een misdrijf, waaronder eenmaal ter zake van gekwalificeerde diefstal, respectievelijk is veroordeeld en schuldig is verklaard zonder oplegging van straf.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, acht het hof de oplegging van een forse onvoorwaardelijke werkstraf in beginsel passend en geboden.

Verder heeft het hof kennis genomen van de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming uitgebracht op 10 maart 2010, 8 april 2010 en 14 juni 2010. Aanhoudende zorgpunten worden in deze rapporten niet beschreven.

Het hof acht aannemelijk geworden dat er inmiddels sprake is van een aantal positieve veranderingen (vriendenkeuze, gestopt schoolverzuim) met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Dit biedt perspectief op verbetering van het gedrag van verdachte.

Uit het onderzoek ter zitting van het hof is voorts gebleken dat verdachte na het plegen van de bewezen verklaarde feiten niet wederom met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde deels onvoorwaardelijke werkstraf in dit geval passend en geboden.

Het hof acht geen termen aanwezig om daarnaast jeugdreclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde op te leggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, nu aannemelijk is geworden dat verdachte reeds geruime tijd hulp van de jeugdreclassering heeft ontvangen en die hulp is afgebouwd, omdat reclasseringsbegeleiding van verdachte niet meer nodig bleek te zijn.

Het voorwaardelijke deel van de werkstraf dient mede als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Gebleken is dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vaststaat dat door het onder 1 bewezen verklaarde feit de benadeelde partij schade heeft geleden, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor materiële schade tot een bedrag van € 450,=. Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij enkel bestreden, stellend, dat hij het onder 1 ten laste gelegde feit niet heeft (mede-)gepleegd. Het hof passeert dit verweer, nu het dat feit bewezen acht. De vordering van de benadeelde partij behoort derhalve te worden toegewezen tot voormeld bedrag, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, nu het hof die maatregel gewenst voorkomt, een en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 310, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de partiële vrijspraak ter zake van het onder 7 ten laste gelegde.

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 7 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en

6 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde], terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro) aan materiële schade.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, senior raadsheer, voorzitter,

mr. W.P.M. ter Berg, senior raadsheer, en mr. J. Hielkema, raadsheer,

in tegenwoordigheid van G. Boersma, griffier,

en op 31 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.