Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6166

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
24-002651-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte ter zake van bijstandsfraude tot een werkstraf van 90 uren, subsidiair te vervangen door 45 dagen hechtenis. Het hof is van oordeel dat verdachte opzettelijk de samenwoning, de ontvangen inkomsten bij de hockeyclub en de werkzaamheden en/of inkomsten via Match4u niet (tijdig) heeft gemeld bij de dienst sociale zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002651-09

Uitspraak d.d.: 29 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair te vervangen door 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. J. Linders, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 27 januari 2006 tot en met 31 oktober 2007 in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar verdachtes recht op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte (telkens) aan de dienst Sociale Zaken van de gemeente [gemeente 1] niet opgegeven/gemeld:

- (alle) verrichte werkzaamheden en/of (alle) (voorafgaande) genoten en/of ontvangen inkomsten en/of

- de samenwoning met [medeverdachte].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat er geen sprake is geweest van samenwonen van verdachte en [medeverdachte] in [plaats 1] en [plaats 2]. De raadsvrouw voert hiertoe aan dat er in de ten laste gelegde periode geen sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, nu verdachte en [medeverdachte] ieder het hoofdverblijf op een ander adres hadden, en er geen sprake is geweest van financiële verwevenheid en wederzijdse verzorging. Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte niet opzettelijk heeft nagelaten inlichtingen te verstrekken aan de dienst sociale zaken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de context van de tenlastelegging is sprake van samenwonen als dit, in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) relevant is. Van het voeren van een gezamenlijke huishouding is krachtens het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Daarbij is niet relevant of de samenwonenden beiden ook op dat adres zijn ingeschreven in de GBA.

Ten overstaan van de sociale recherche heeft [medeverdachte] verklaard dat hij vanaf juni 2007 vier tot vijf nachten in de week bij verdachte in [plaats 1] bleef overnachten in verband met een nieuwe baan in de buurt van [plaats 1]. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij samen met verdachte boodschappen heeft gedaan, waarbij hij de boodschappen betaalde als verdachte geld te kort kwam.

Daarnaast heeft [medeverdachte] erkend wel eens (een onderdeel van) de vaste lasten, (een deel van) de schulden van verdachte en de wasmachine te hebben betaald. Deze door [medeverdachte] ten overstaan van de sociale recherche geschetste lezing van de gang van zaken is door verdachte bevestigd. Verdachte heeft tevens verklaard gebruik te maken van een bankpas op naam van [medeverdachte] en deze in haar bezit te hebben.

Op 1 juni 2007 hebben verdachte en [medeverdachte] verder gezamenlijk een huurcontract afgesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats 2].

Verdachte heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat zij sinds eind augustus 2007 samen met de kinderen in [plaats 2] verbleef. [medeverdachte] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij in [plaats 2] met verdachte samen heeft gewoond vanaf het moment dat de kinderen kwamen en dat dit augustus 2007 moet zijn geweest.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en

[medeverdachte] zowel in [plaats 1] (vanaf juni 2007) als in [plaats 2] samen hebben gewoond in de door de WWB bedoelde zin. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte en [medeverdachte] zowel in [plaats 1] als in [plaats 2] het hoofdverblijf hebben gehad op hetzelfde adres en dat er sprake is geweest van financiële verwevenheid en wederzijdse verzorging. Verdachte heeft verzuimd de samenwoning bij de dienst sociale zaken op te geven.

Ter terechtzitting van het hof verklaarde verdachte niet te hebben geweten dat ze aan de dienst sociale zaken moest melden dat [medeverdachte] vanaf juni 2007 vier tot vijf nachten bij haar in [plaats 1] verbleef. Zij verklaarde dat zij zich bij meerdere zaken heeft afgevraagd of ze dit moest melden of niet. Zij verklaarde er nooit bij stil te hebben gestaan om zekerheidshalve na te vragen of zij iets moest melden of niet.

Uit voorgaande verklaring van verdachte leidt het hof af dat verdachte zich ervan bewust was dat zij, als iemand aan wie een uitkering op grond van de WWB was verstrekt, bepaalde zaken aan de dienst sociale zaken door diende te geven. Verder is gebleken dat verdachte op de hoogte is geweest van de in de WWB gebezigde begrippen met betrekking tot de gezamenlijke huishouding. Aldus heeft verdachte opzettelijk de samenwoning niet gemeld. Het verweer van de raadsvrouw faalt.

Verder moet op grond van de - eveneens in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest op te nemen - bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk de ontvangen inkomsten bij de hockeyclub en de werkzaamheden en/of inkomsten via [bedrijf] niet (tijdig) heeft gemeld bij de dienst sociale zaken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in de periode 27 januari 2006 tot en met 31 oktober 2007 in de gemeente [gemeente 1] en de gemeente [gemeente 2], meermalen, in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten verdachtes recht op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking,

immers heeft zij, verdachte, aan de dienst Sociale Zaken van de gemeente [gemeente 1] niet opgegeven/gemeld:

- alle verrichte werkzaamheden en alle voorafgaande genoten en/of ontvangen inkomsten en

- de samenwoning met [medeverdachte].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming.

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte, die een uitkering ontving naar de norm van alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand, heeft niet doorgegeven aan de dienst sociale zaken van de gemeente [gemeente 1] dat zij werkzaamheden heeft verricht, inkomsten heeft genoten en dat [medeverdachte] met haar samenwoonde. Aldus heeft de gemeente [gemeente 1] niet kunnen vaststellen of verdachte wel aanspraak kon maken op een (volledige) uitkering op grond van de WWB. Verdachte heeft het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland mede is gebaseerd, geschaad.

Het hof heeft rekening gehouden met het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

Een en ander, in onderlinge samenhang bezien, brengt het hof tot het oordeel dat verdachte een werkstraf van na te melden duur moet worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57, 63 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. J.P. van Stempvoort, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 29 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.P. van Stempvoort is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.