Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6157

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
24-002108-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte ter zake van mishandeling tot een gevangenisstraf van 3 weken, met aftrek. Het hof ziet geen aanleiding om de verklaringen van aangeefster en de getuige als onbetrouwbaar aan te merken, zoals bepleit door de raadsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002108-10

Uitspraak d.d.: 29 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 augustus 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. K. Karakaya, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover aan hoger beroep onderworpen - tenlastegelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 25 juni 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans éénmaal, die [slachtoffer]

- aan de haren heeft getrokken en/of

- een zogenoemde kopstoot tegen het voorhoofd en/of de neus heeft gegeven en/of

- vuistslagen tegen het hoofd heeft gegeven,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van getuige [getuige 2] onbetrouwbaar zijn waardoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor een bewezenverklaring. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de onbetrouwbaarheid voortvloeit uit de verschillen in de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 2] enerzijds en uit het feit dat de door hen gegeven beschrijving van de heftige aard van het geweld niet te rijmen is met het ontbreken van (bewijs van) enig letsel anderzijds.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof ziet geen aanleiding om de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 2], voor zover de bewezenverklaring daarop steunt, als onbetrouwbaar aan te merken. Op hoofdlijnen komen de verklaringen met elkaar overeen. Zo verklaren beiden dat [slachtoffer] op het moment van het betreden van de shoarmatent door verdachte aan de haren werd getrokken en dat verdachte haar vervolgens buiten een kopstoot en vuistslagen heeft gegeven. Het hof is van oordeel dat er slechts sprake is van verschil in detail op niet-wezenlijke onderdelen en dat het aannemelijk is dat dit verschil zijn grondslag vindt in de onoverzichtelijke mêlee van het uitgaansleven waarin aangeefster en getuige zich op dat moment bevonden. Hoewel het hof - met de raadsman - van oordeel is dat het (bewijs van) letsel ontbreekt, verbindt het hof, mede gelet op het hiervoor overwogene, hieraan niet de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn.

Het verweer van de raadsman faalt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 25 juni 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer],

- aan de haren heeft getrokken en

- een zogenoemde kopstoot tegen het voorhoofd en/of de neus heeft gegeven en

- vuistslagen tegen het hoofd heeft gegeven,

waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 25 juni 2010 in het uitgaansleven van [plaats] zijn ex-vriendin

[slachtoffer] op heftige wijze mishandeld. Verdachte heeft haar aan de haren getrokken, een kopstoot gegeven en haar met de vuist geslagen. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] waardoor zij pijn heeft ondervonden.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, in het bijzonder meerdere malen ter zake van mishandeling en andere delicten, betreffende de aantasting van de persoonlijke integriteit.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en zoals die blijken uit de brief van verdachte d.d. 12 augustus 2011 en zijn vriendin d.d. 12 augustus 2011.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken een passende en noodzakelijke bestraffing is. Hoewel het hof tot een minder zware bewezenverklaring komt dan die waartoe de rechtbank is gekomen en waarop de advocaat-generaal zijn eis heeft gebaseerd, ziet het hof in de heftige aard van het geweld en de recidive van verdachte aanleiding om een straf als opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal, op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. J.P. van Stempvoort, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 29 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.P. van Stempvoort is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.