Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR5483

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
11-00026
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ.

Bosperceel is vrijgesteld omdat sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2095 met annotatie van Groenewegen
FutD 2011-2033
V-N Vandaag 2011/2115
Belastingblad 2011/1130
V-N 2011/53.22.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/ 00026

uitspraakdatum: 9 augustus 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 december 2011, nummer 09/412 WOZ,

in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Z (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 0 ONG te Z, per waardepeildatum 1 januari 2007, voor het kalenderjaar 2008 vastgesteld op € 28.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerende-zaakbelasting (eigenarenbelasting) (hierna: de aanslag) bekendgemaakt.

1.2 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Ingevolge artikel 30, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) wordt het bezwaar geacht mede betrekking te hebben op de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ambtenaar het bezwaar afgewezen.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep inzake de WOZ-beschikking en, naar het Hof begrijpt, de aanslag ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn zoon, alsmede de Ambtenaar.

1.7 Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is eigenaar van de onder 1.1 vermelde onroerende zaak. Het betreft een bosperceel met een oppervlakte van 28.755 m² (hierna: bosperceel).

2.2 Belanghebbende is tevens eigenaar van een eveneens uit bos bestaande onroerende zaak in de gemeente Q. Dit bosperceel heeft een oppervlakte van 43 ha.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of het onderhavige bosperceel bestaat uit ten behoeve van de bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, zodat de waarde ervan bij de waardebepaling van de onroerende zaak buiten aanmerking wordt gelaten. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Ambtenaar ontkennend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vermindering van de vastgestelde waarde tot nihil. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ bepaalt dat bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen. Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot het onderhavige perceel sprake is van cultuurgrond.

4.2 In zijn arrest van 12 november 1980, nr. 20.136, LJN: AW9863, BNB 1980/339, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van bedrijfsmatige exploitatie alleen sprake is wanneer met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid aan het maatschappelijk productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk om daarmede winst te behalen.

4.3 Belanghebbende heeft in de procedure bij de Rechtbank ter onderbouwing van zijn standpunt dat het onderhavige bosperceel bedrijfmatig wordt geëxploiteerd een exploitatieoverzicht over het jaar 2007 overgelegd, dat betrekking heeft op zowel het onderhavige bosperceel als op het bosperceel in de gemeente Q. Het resultaat bedroeg in dat jaar € 4.540,84. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende de exploitatieoverzichten over de jaren 2008, 2009 en 2010 overgelegd. De resultaten in die jaren bedroegen respectievelijk € 353,34 negatief, € 286,17 negatief en € 9.384,51. Daarnaast heeft belanghebbende 3 facturen overgelegd die betrekking hebben op in de jaren 2006 en 2007 verkocht hout dat afkomstig is van het bosperceel in Q. Belanghebbende stelt dat beide bospercelen deel uit maken van het door hem geëxploiteerde bosbedrijf.

4.4 Belanghebbende heeft de op het bosperceel te Q verrichte werkzaamheden nauwgezet bijgehouden in een schrift dat hij ter zitting aan de wederpartij en het Hof heeft getoond. Hij heeft in een daarbij gegeven toelichting – zakelijk weergegeven – door de Ambtenaar niet weersproken, als volgt verklaard:

Door het opkronen, het blessen en dunnen, optimalisering van het gebruik van zonlicht en bemesting van de voedingsbodem wordt de groei van de bomen gestuurd. De voedingsbodem van het bos wordt door organische en kunstmatige bemesting verbeterd om niet alleen de groei van de bomen te bevorderen doch ook om de kwaliteit van het hout te verbeteren. Door middel van kaalslag van stukken bos ten behoeve van herbebossing door zaaien of natuurlijke aanplant en het uitvoeren van dunningsingrepen zodra de mogelijkheid daartoe zich voordoet, wordt gericht gewerkt aan het verkrijgen van een hoge kwaliteit van houtteelt en een hoge(re) houtproductie en opbrengst daarvan. Circa tien jaar geleden heeft bemesting met 2 ton kalk plaatsgevonden om verzuring van de voedingsbodem tegen te gaan.

4.5 Gelet op de overgelegde exploitatieoverzichten en facturen in samenhang met de verklaring van belanghebbende met betrekking tot de in het getoonde schrift bijgehouden werkzaamheden, is het Hof van oordeel dat belanghebbende een bosbedrijf exploiteert.

4.6 Belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat de bewerking van het onderhavige bosperceel op dezelfde wijze plaats vindt als die van het in de gemeente Q gelegen bosperceel. Hij heeft daaraan toegevoegd dat de werkzaamheden in het bos in Z niet in het getoonde schrift worden bijgehouden omdat dit bosperceel aanzienlijk kleiner is dan het bosperceel in Q, waardoor het gemakkelijk is te overzien wanneer de genoemde werkzaamheden moeten worden uitgevoerd.

4.7 Het Hof acht op grond van de verklaringen van belanghebbende aannemelijk dat met betrekking tot het onderhavige perceel als onderdeel van het bosbedrijf van belanghebbende sprake is van ten behoeve van de bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. De omstandigheid dat belanghebbende de met betrekking tot het onderhavige bosperceel uitgevoerde werkzaamheden niet schriftelijk heeft opgetekend, doet daaraan niet af. De waarde ervan moet daarom bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak buiten aanmerking blijven. De waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld op nihil.

4.8 Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank geen juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank vernietigen.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 15 voor de kosten in eerste aanleg en € 15 voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 30 (reiskosten).

6. Beslissing

Het Gerechtshof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Ambtenaar ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar,

– vermindert de vastgestelde waarde tot nihil,

– vernietigt de aanslag onroerende-zaakbelasting,

– veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 30,

– gelast dat de gemeente Z aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 111 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 9 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.