Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR5322

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
AVNR 1131-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex de artikelen 116, derde lid, jo. 552a W.v.Sv.

Klager is uit de militaire dienst ontslagen wegens frauduleuze handelingen. Onder hem waren 3 Cd-rom’s inbeslaggenomen. Klager heeft bij de rechtbank een klaagschrift ingediend tegen het voornemen van de officier van justitie om de onder klager inbeslaggenomen CD-ROM’s terug te geven aan het Ministerie van Defensie. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en de teruggave gelast van de CD-ROM’s aan het Ministerie van Defensie. Na vernietiging van de beschikking heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar het gerechtshof. (zie HR 5 oktober 2010, BN2308). Het Ministerie van Defensie heeft daarna ook een klaagschrift ingediend. Het hof komt tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat klager rechthebbende is op de (meeste) bestanden op de CD-ROM’s. Integendeel, de inhoud van de (bestanden op de) CD-ROM’s wijst erop dat die bestanden vrijwel alle op grond van hun inhoud rechtstreeks gerelateerd kunnen worden aan de werkzaamheden van klager bij het Elekronische Oorlog Voering Instructieteam. Verder wijst de inhoud van de (bestanden op de) CD-ROM’s erop dat klager over (de meeste van) die bestanden in het kader en ten behoeve van die werkzaamheden de beschikking heeft gekregen. Het tegendeel, zoals verkrijging uit openbare bronnen, heeft klager niet aannemelijk gemaakt. Voor een deel van de bestanden geldt dat klager daarvan medeauteur kan zijn. Deze bestanden zijn op grond van hun inhoud en doel onmiskenbaar in het kader en ten behoeve van de werkzaamheden van het Elekronische Oorlog Voering Instructieteam gemaakt. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aan de totstandkoming daarvan heeft bijgedragen, maar als daarvan veronderstellenderwijs wordt uitgegaan, maakt zo’n bijdrage nog niet dat hij als rechthebbende moet worden aangemerkt, nu, mede op grond van zijn verklaring ter zitting moet worden aangenomen dat die bijdrage onderdeel uitmaakte van zijn werk voor het team. Daarbij is niet van belang of die bijdrage buiten werktijd tot stand is gekomen.

Voor het geval klager heeft beoogd te betogen dat de CD-ROM’s en de daarop voorkomende bestanden van hem zijn omdat hij privé-CD-ROM’s heeft gebruikt om daarop die bestanden te branden, volgt het hof hem niet in dat standpunt. Nog daargelaten dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat die CD-ROM’s van hem privé zijn, wordt door het branden van bestanden op privé-CD-ROM’s klager nog geen eigenaar of rechthebbende op die bestanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

militaire raadkamer

Parketnummer: 05-900477-06

Avnr: 1131-10

Het hof heeft na verwijzing door de Hoge Raad te oordelen over het op 13 december 2007 ter griffie van de rechtbank te Arnhem ingekomen klaagschrift ex de artikelen 116, derde lid, jo. 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[naam klager]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats en adres],

verder te noemen klager,

ingediend door mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, strekkende tot teruggave aan klager van drie in dat klaagschrift genoemde CD-ROM’s die onder klager in beslag zijn genomen,

alsmede het op 2 december 2010 ter griffie van dit hof ingekomen klaagschrift ex artikel 552a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering van:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Defensie, Commando Luchtstrijdkrachten),

kantoorhoudende Kalvermarkt 1, Den Haag,

(postadres Luchtmachtplein 1 te Breda),

verder te noemen belanghebbende,

ingediend door kolonel mr. H. van Duijn, hoofd stafgroep juridische zaken Commando Luchtstrijdkrachten, strekkende tot teruggave aan belanghebbende van voornoemde CD-ROM’s.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 6 december 2010 en 21 april 2011 de advocaat-generaal, klager, bijgestaan door zijn raadsman, mr. Oudijk voornoemd, en namens belanghebbende, in openbare raadkamer van 6 december 2010 kapitein mr. M. Aaron en in openbare raadkamer van 21 april 2011 majoor mr. M. Antzoulatos-Borgstein, beiden werkzaam bij de sectie operationeel recht van het Commando Luchtstrijdkrachten van het Ministerie van Defensie.

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder:

- een brief van de officier van justitie te Arnhem van 30 november 2007 aan klager;

- het proces-verbaal van de rechtbank te Arnhem, sector strafrecht, militaire raadkamer van 26 januari 2009;

- de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 9 februari 2009;

- de akte rechtsmiddel van 19 februari 2009;

- de beschikking van de Hoge Raad der Nederlanden van 5 oktober 2010;

- het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden militaire raadkamer van dit gerechtshof van 6 december 2010;

- de tussenbeslissing van de militaire raadkamer van dit gerechtshof van 27 januari 2011;

- een faxbrief van belanghebbende van 2 december 2010, waarin kolonel [namen gemachtigden] gemachtigd worden om de Minister van Defensie in rechte te vertegenwoordigen;

- het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden militaire raadkamer van dit gerechtshof van 21 april 2011

- een brief van de belanghebbende van 27 april 2011, waarin majoor mr M. Antzoulatos-Borgstein gemachtigd wordt om de Minister van Defensie in rechte te vertegenwoordigen ter zitting van 21 april 2011.

OVERWEGINGEN

1. Klager was in de rang van adjudant-onderofficier werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht en hij was sinds 8 september 1997 tewerkgesteld (als coördinator) bij het Elekronische Oorlog Voering Instructieteam (EOV-IT). Tegen hem is op 23 juni 2006 aangifte gedaan op verdenking van oplichting en valsheid in geschrift met betrekking tot reisdeclaraties. Hij is per 1 oktober 2006 uit de militaire dienst ontslagen wegens frauduleuze handelingen.

2. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager zijn op 21 augustus 2007 bij een doorzoeking in zijn woning onder klager onder andere inbeslaggenomen:

- een CD-ROM met het beslagnummer LE. 1101-09;

- een CD-ROM met het beslagnummer LE. 2106-3-18 en

- een CD-ROM met het beslagnummer LE. 2106-3-19.

Klager heeft geen afstand gedaan van deze CD-ROM’s.

3. De officier van justitie te Arnhem heeft per brief van 30 november 2007 op de voet van artikel 116, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan klager meegedeeld dat hij voornemens was om drie onder klager inbeslaggenomen CD-ROM’s met de beslagnummers LE.1101-9, LE.2106-3-18 en LE.2106-3-19 terug te geven aan het Ministerie van Defensie omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

4. Klager heeft op 13 december 2007 ter griffie van de rechtbank te Arnhem een klaagschrift (naar het hof begrijpt) ex de artikelen 116, derde lid, jo. 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend tegen het voornemen van de officier van justitie om de onder klager inbeslaggenomen, hiervoor genoemde, CD-ROM’s terug te geven aan het Ministerie van Defensie. Bij beschikking van de militaire raadkamer van de rechtbank te Arnhem van 9 februari 2009 is het klaagschrift ongegrond verklaard en de (onmiddellijke) teruggave gelast van de CD-ROM”s aan [naam belanghebbende]. Klager heeft tegen deze beslissing beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 5 oktober 2010 de bestreden beschikking vernietigd, omdat uit het proces-verbaal van de rechtbank niet bleek dat de behandeling in het openbaar had plaatsgevonden, en de zaak verwezen naar dit gerechtshof, militaire kamer, om de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw te behandelen en af te doen (zie HR 5 oktober 2010, BN2308).

5. Klager is bij onherroepelijk vonnis van de militaire kamer van de rechtbank te Arnhem op 1 december 2008 veroordeeld ter zake van 1) medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, 2) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een werkstraf van 240 uur.

6. Klager heeft zijn klaagschrift tijdig ingediend. In zoverre is dat klaagschrift ontvankelijk. Anders dan de raadsman van klager heeft betoogd, heeft ook belanghebbende zijn klaagschrift tijdig ingediend, nu hij dat op de voet van artikel 552a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering binnen de door de griffier gestelde termijn heeft gedaan.

7. Gelet op de mededeling van de officier van justitie van 30 november 2007 verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van de CD-ROM’s. Hiervan uitgaande heeft als uitgangspunt te gelden dat de inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggegeven aan degene onder wie zij in beslag zijn genomen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd (vgl. HR 28 september 2010, BL2823).

8. Zowel klager als de belanghebbende hebben thans om teruggave verzocht van de drie onder klager inbeslaggenomen en nog niet teruggeven CD-ROM’s met de beslagnummers LE. 1101-09, LE. 2106-3-18 en LE. 2106-03-19. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen, zal het hof moeten nagaan of belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die CD-ROM’s moet worden beschouwd. Zo nee, dan dient teruggave aan klager te volgen.

9. Naar aanleiding van de behandeling van de klaagschriften in de openbare militaire raadkamer van 6 december 2010 heeft het hof bij tussenbeslissing van 27 januari 2011 aangegeven dat het hof zelf kennis wilde nemen van de inhoud en de rubricering van de CD-ROM’s, en daartoe de behandeling van de klaagschriften heropend.

10. Het hof heeft na ontvangst van de CD-ROM’s per CD-ROM prints gemaakt van de bestandsmappen op die CD-ROM’s en deze prints ter zitting van 21 april 2011 aan de advocaat-generaal, klager en belanghebbende ter hand gesteld. Op die zitting zijn verschillende bestandsmappen en bestanden met behulp van een computer geopend en via een beeldscherm getoond. Klager heeft daarop een toelichting kunnen geven.

11. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag van klager en tot gegrondverklaring van het beklag van belanghebbende en teruggave aan belanghebbende van de CD-ROM’s. Hij heeft daartoe aangevoerd dat klager de CD-ROM’s heeft samengesteld terwijl hij in dienst was van het Ministerie van Defensie en dat hij als militair lessen en presentaties heeft verzorgd. Ter zitting van 21 april 2011 heeft hij gepersisteerd en daaraan toegevoegd dat uit enkele getoonde beelden blijkt dat enkele bestanden geclassificeerd zijn en dat het ongecontroleerde bezit van dergelijke CD-ROM’s niet is toegestaan.

12. De raadsman heeft gepersisteerd bij zijn pleitnota van 6 december 2010. Hij heeft aangevoerd dat de CD-ROM’s aan klager dienen te worden teruggeven omdat strafvorderlijke inbeslagneming niet is bedoeld om civielrechtelijke twisten te beslechten en dat in dit geval de hoofdregel bij teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen dient te worden gevolgd, namelijk teruggave aan degene onder wie de voorwerpen in beslag zijn genomen. Hij heeft daartoe gesteld dat de drie CD-ROM’s onbestreden eigendom zijn van klager, dat klager de CD-ROM’s zelf heeft aangeschaft en daarop zelf de inhoud heeft gezet en dat die inhoud gemengd van aard is, namelijk deels door klager geschreven materiaal, deels door hem uit openbare bronnen vergaard materiaal maar ook vakantiefoto’s van klager en zijn echtgenote. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat uit de classificaties van enkele bestanden, namelijk op een van de CD-ROM’s een bestand met “NATO Secret” en op de twee andere CD-ROM’s telkens een bestand met “nur für den Dienstgebrauch” niet kan worden afgeleid dat belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Hij heeft daartoe gesteld dat die classificaties telkens slechts een bestand op het desbetreffende CD-ROM en niet de gehele CD-ROM betreffen en dat die classificaties niets zeggen over de eigendom van de bestanden, alleen maar over de wenselijkheid van verspreiding, terwijl, als dit al anders zou zijn, uit die classificaties volgt dat de NAVO of de Bondsrepubliek Duitsland als eigenaar heeft te gelden en niet belanghebbende. Ter zitting van 21 april 2010 heeft hij daaraan toegevoegd dat de vraag of de CD-ROM’s van zodanige aard zijn dat, zo begrijpt het hof het betoog, het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, niet meer aan de orde is omdat de officier van justitie tot teruggave heeft besloten. In dit verband heeft hij er nog op gewezen dat het bestand met de aanduiding “NATO Secret” leeg blijkt te zijn.

13. Klager heeft daaraan ter zitting van 21 april 2011 nog toegevoegd dat de foto’s en gegevens op het Internet beschikbaar zijn, ook de bestanden met “nur für den Dienstgebrauch”. Verder heeft hij aangevoerd dat hij de CD-ROM’s in eigen tijd heeft gemaakt en dat deze daarom van hem zijn. Voorts heeft hij gesteld dat hij de in zijn werk verkregen kennis toepast in zijn hobby.

14. Belanghebbende heeft gepersisteerd bij het klaagschrift. Daarin heeft hij onder meer aangevoerd dat de gegevens op de CD-ROM’s tijdens werktijd dan wel in opdracht zijn verzameld en op de CD-ROM’s zijn gezet, dat het gaat om gegevens die toebehoren aan belanghebbende en dat deze vanwege de rubriceringen niet aan derden c.q. onbevoegden kunnen en mogen worden vrijgegeven. Volgens belanghebbende komt klager op grond van artikel 7 van de Auteurswet geen eigendomsrecht c.q auteursrecht toe. Verder heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de weigering (van klager) om de gegevens terug te geven en het voornemen (van klager) om deze - al dan niet op commerciële basis aan derden ter beschikking te stellen strijdig is met de artikelen 98, 98a, 98b, 98c, 272 en 273 van het Wetboek van Strafrecht. Ter zitting van 21 april 2011 heeft belanghebbende herhaald dat nu ter zitting gebleken is dat op de CD-ROM’s gerubriceerde gegevens staan deze aan belanghebbende moeten worden teruggegeven. Bovendien heeft klager volgens belanghebbende niet aangetoond dat de bestanden niet in werktijd zijn gemaakt. Belanghebbende heeft verder aangegeven dat het niet gaat om privé-informatie en dat niet valt uit te sluiten dat er op de CD-ROM’s sprake is van gevoelige informatie waarmee, zo begrijpt het hof het betoog, niet leken hun voordeel kunnen doen.

15. Weliswaar draagt de beklagprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering in beginsel een summier karakter teneinde niet vooruit te lopen op de hoofdzaak, maar nu de hoofdzaak sinds de indiening van het oorspronkelijke klaagschrift inmiddels onherroepelijk is afgedaan, ziet het hof zich genoodzaakt toch een indringender afweging te maken.

16. Het hof heeft om zich een oordeel te kunnen vormen over de vraag of belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt kennis genomen van de (bestandsmappen van de) CD-ROM’s. Anders dan klager stelt, heeft het hof daarop geen vakantiefoto’s van klager en zijn echtgenote aangetroffen. Het hof heeft bestanden aangetroffen die dateren uit de periode 1998 tot en met 2004 en die, met uitzondering van de bestanden in de het hierna te noemen map EOV-IT, waarvan de inhoud niet kon worden vastgesteld omdat die bestanden niet geopend konden worden, en twee komische filmpjes, alle op grond van hun inhoud gerelateerd kunnen worden aan de werkzaamheden van klager bij het Elekronische Oorlog Voering Instructieteam.

17. Op de CD-ROM met beslagnummer LE.1101-9 heeft het hof ander andere aangetroffen: een power point-presentatie over de “jamcar” van de Koninklijke Luchtmacht met uitleg over de mogelijkheden, een bestand met een deelexamen over elektronische oorlogsvoering, een bestand met de antwoorden van dat deelexamen, een bestandsmap EOV-IT en een bestandsmap DN161. In laatstgenoemde map bevinden zich 20 power point-presentaties: een bestand met een introductie van “RNLAF EW Section, EW-Instruction Team, Frans Ton Mark”, 17 lessen over elektronische oorlogsvoering, een bestand met formules en een bestand EW-IT met de titel “RNLAF EW Section, ECM-Briefing, EW-Instruction Team”. Laatstgenoemde presentatie is niet verder gekomen dan een inleiding, is verder leeg en bevat de aanduiding “NATO SECRET”. Verder bevindt zich op deze CD-ROM een bestand “Pasword LabView”.

18. Op de CD-ROM met beslagnummer LE.2101-3-18 heeft het hof onder andere aangetroffen een bestandsmap met daarin twee filmfragmenten, een met betrekking tot de Euro Hawk, een onbemand verkenningsvliegtuig, en een met betrekking tot diens tegenhanger van de Amerikaanse luchtmacht, een power point-presentatie met betrekking tot (de mogelijkheden van) het gevechtsvliegtuig Tornado F3 SEAD (het hof begrijpt: Suppression of Enemy Air Defenses), een powerpoint-presentatie “Fernaufklärung, Fernmeldebereich 92, Technische Analyse ELINT” met de aanduiding “VS-Nur für den Dienstgebrauch” en een power point-presentatie bevattende informatie van een fabrikant van ELINT en ESM-systemen (het hof begrijpt: Electronic Intelligence resp. Electronic Support Measures) en twee power point-presentaties van de Gesellschaft für Flugzieldarstellung mbH over producten van die firma.

19. Op de CD-ROM met beslagnummer LE.2101-3-19 heeft het hof aangetroffen de bestandmappen: “Einsatzgrundlagen, Konzepte”, “EloKaStOffz LwFüKdo”, “Handbücher”, “JamCar GE”, “JamCar NL”, “Jamkite 4_23”, “Ltr SPAG Grp 25l”, “Sonstiges” en “ZEK Trier”. Met uitzondering van de map “JamCar NL” bevatten deze mappen (onder andere) een of meer power point-presentaties c.q. documenten die (voor het merendeel) kennelijk afkomstig zijn van de Duitse strijdkrachten, (vrijwel) alle met de aanduiding “VS-Nur für den Dienstgebrauch”. De map “JamCar NL” bevat de hiervoor onder 17 genoemde presentatie over de “jamcar” van de Koninklijke Luchtmacht.

20. Het hof komt op basis van de hiervoor genoemde bevindingen met betrekking tot de inhoud van de CD-ROM’s tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat klager rechthebbende is op de (meeste) bestanden op de CD-ROM’s. Integendeel, zoals hiervoor al is overwogen, wijst de inhoud van de (bestanden op de) CD-ROM’s erop dat die bestanden vrijwel alle op grond van hun inhoud rechtstreeks gerelateerd kunnen worden aan de werkzaamheden van klager bij het Elekronische Oorlog Voering Instructieteam. Verder wijst de inhoud van de (bestanden op de) CD-ROM’s erop dat klager over (de meeste van) die bestanden in het kader en ten behoeve van die werkzaamheden de beschikking heeft gekregen. Het tegendeel, zoals verkrijging uit openbare bronnen, heeft klager niet aannemelijk gemaakt.

21. Voor een deel van de bestanden geldt dat klager daarvan medeauteur kan zijn. Het hof heeft daarbij met name het oog op de hiervoor onder 17 genoemde documenten met betrekking tot het deelexamen en de bestanden in de map DN161. Deze bestanden zijn op grond van hun inhoud en doel onmiskenbaar in het kader en ten behoeve van de werkzaamheden van het Elekronische Oorlog Voering Instructieteam gemaakt. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aan de totstandkoming daarvan heeft bijgedragen, maar als daarvan veronderstellenderwijs wordt uitgegaan, maakt zo’n bijdrage nog niet dat hij als rechthebbende moet worden aangemerkt, nu, mede op grond van zijn verklaring ter zitting van 6 december 2010, moet worden aangenomen dat die bijdrage onderdeel uitmaakte van zijn werk voor het team. Daarbij is niet van belang of die bijdrage buiten werktijd tot stand is gekomen. Voor zover klager heeft gesteld dat hij ook heeft meegewerkt aan een of meer van de hiervoor onder 19 bedoelde Duitse presentaties, geldt hetzelfde.

22. Het hof heeft geen kennis kunnen nemen van de inhoud van de bestanden in de map EOV-IT op de CD-ROM met het beslagnummer LE.1101-9. Volgens klager kunnen deze bestanden alleen gelezen worden door middel van het programma LabView. Hij beschikt daarover en naar zijn zeggen in ieder geval in het verleden ook het Elekronische Oorlog Voering Instructie team. Uit hetgeen klager ter zitting van 6 december 2010 naar voren heeft gebracht, leidt het hof af dat het klager bij zijn wens tot teruggave eigenlijk, althans in het bijzonder gaat om deze map en de zich daarin bevindende bestanden. Het zou gaan om een zelf bedacht programma dat hij zowel privé als voor zijn werk kon gebruiken. Nu het hof geen kennis heeft kunnen nemen van deze bestanden, kan niet uitgesloten worden dat klager als rechthebbende moet worden aangemerkt op de bestanden in deze map. Voor het overgrote deel van de overige bestanden op deze CD-ROM (en de andere twee CD-ROM’s) komt het hof echter tot de conclusie dat belanghebbende als rechthebbende moet worden aangemerkt, zodat (ook) wat betreft de teruggave van deze CD-ROM ten gunste van belanghebbende zal worden beslist. Nu met de onderhavige beslissing geen definitieve beslissing wordt gegeven met betrekking burgerrechtelijke eigendoms- en bezitsrechten, laat die beslissing onverlet, dat indien alsnog blijkt dat klager rechthebbende is op de map EOV-IT en de zich daarin bevindende bestanden (en eventueel andere bestanden op de CD-ROM’s), deze alsnog door belanghebbende aan klager ter beschikking behoren te worden gesteld.

23. Voor het geval klager heeft beoogd te betogen dat de CD-ROM’s en de daarop voorkomende bestanden van hem zijn omdat hij privé-CD-ROM’s heeft gebruikt om daarop die bestanden te branden, volgt het hof hem niet in dat standpunt. Nog daargelaten dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat die CD-ROM’s van hem privé zijn, wordt door het branden van bestanden op privé-CD-ROM’s klager nog geen eigenaar of rechthebbende op die bestanden.

24. Zoals hiervoor al is aangegeven, komt het hof tot de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende op die CD-ROM’s is aan te merken. Het hof zal daarom het beklag van klager ongegrond en het beklag van belanghebbende gegrond verklaren en gelasten dat de drie CD-ROM’s aan belanghebbende zullen worden teruggegeven.

BESCHIKKENDE:

Het hof:

- verklaart het beklag van klager ongegrond;

- verklaart het beklag van belanghebbende gegrond;

- gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven CD-ROM’s met de beslagnummers LE. 1101-09, LE. 2106-3-18 en LE. 2106-03-19 aan belanghebbende: het Ministerie van Defensie.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs. E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

R.W. van Zuijlen, lid, en commandeur (A) (tit.) R.R.H. Laurens, militair lid, in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2011.