Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR4976

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
15-08-2011
Zaaknummer
TBS P11/0009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof herhaalt toepasselijke overwegingen uit LJN BQ6616 ten aanzien van de vraag of sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. In het onderhavige geval wel sprake van een gemaximeerde terbeschikkingstelling bij belaging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS [nummer]

Beslissing d.d. 9 augustus 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zutphen van 1 december 2010, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van de zitting in beroep van 2 mei 2011;

- de tussenbeslissing van het hof van 16 mei 2011;

- een de terbeschikkinggestelde betreffend uittreksel justitiële documentatie van 22 juni 2011;

- een faxbericht van 11 juli 2011 van [kliniek] met als bijlagen de wettelijke aantekeningen van 9 april 2011 tot en met 1 juli 2011;

- het door de advocaat-generaal ter zitting van het hof overgelegde schriftelijk requisitoir.

Het hof heeft ter zitting van 26 juli 2011 gehoord de terbeschikkinggestelde bijgestaan door zijn raadsman mr N.A. Heidanus, advocaat te Groningen, en de advocaat-generaal, mr G.J. de Haas.

Overwegingen:

De tussenbeslissing van het hof

Op 16 mei 2011 heeft het hof beslist de onderhavige zaak aan te houden teneinde de raadsman en (in het bijzonder) de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zich gemotiveerd uit te laten over de vraag of er in deze zaak sprake is van indexdelicten op grond waarvan verlenging van de terbeschikkingstelling mogelijk is waardoor de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaat.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Uit de bewezenverklaring van het vonnis van de rechtbank Zutphen van 24 april 2004 blijkt niet dat de bedreigingen en/of belaging heeft/hebben plaatsgevonden onder de omstandigheden zoals vermeld in de beslissing van het hof van 30 mei 2011 (LJN: BQ6616). Het hof heeft in deze beslissing echter ruimte gelaten om af te wijken van de geformuleerde hoofdregel. De onderhavige verlengingszaak rechtvaardigt een afwijking van de hoofdregel nu:

1. de indexdelicten rechtstreeks het slachtoffer regardeerden;

2. uit het advies van de kliniek en op grond van onderzoek van het Pieter Baan Centrum (PBC) blijkt dat de paranoïde waanstoornis die aan de delicten ten grondslag lag nog volop aanwezig is, zelfs uitdijt en ook nog steeds gericht is op het slachtoffer;

3. de terbeschikkinggestelde zich tijdens de vorige zitting van het hof op 2 mei 2011 nog daadwerkelijk heeft uitgelaten over het slachtoffer en zijn familie.

Deze bijzonderheden rechtvaardigen dat er – in afwijking van de beslissing van het hof van 30 mei 2011 – wordt gekeken naar het uittreksel justitiële documentatie van de terbeschikkinggestelde. Deze documentatie bevat onherroepelijke veroordelingen voor geweldsdelicten. De veroordelingen in 1991, 1993 en 1999 hebben betrekking op feiten gepleegd tegen hetzelfde slachtoffer als die in de feiten waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd. Derhalve is ten opzichte van de indexdelicten en meer in het bijzonder de bedreiging(en) aannemelijk dat deze een gewelddadig gevolg hadden kunnen krijgen. Geconcludeerd wordt daarom dat de terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is. De advocaat-generaal handhaaft het eerder ingenomen standpunt dat de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met twee jaren.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De advocaat-generaal heeft na de zitting van 2 mei 2011 de kliniek medegedeeld dat er sprake zou zijn van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. De kliniek heeft daarom een procedure ingezet om een Bopz-machtiging te krijgen. Vandaag huldigt de advocaat-generaal een ander standpunt. Gelet op deze omstandigheden dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot verlenging.

In casu is sprake van een hands-off delict. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van enige vorm van geweld. Subsidiair moet daarom de vordering van de officier van justitie worden afgewezen. De raadsman is overigens met de advocaat-generaal van mening dat – nu de pathologie van de terbeschikkinggestelde nog immer aanwezig is – betrokkene meer thuishoort in de GGZ dan in een strafrechtelijke setting.

Het oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is het openbaar ministerie ontvankelijk, reeds nu niet is gebleken van een onvoorwaardelijke toezegging van de zijde van het openbaar ministerie jegens de verdediging dat de advocaat-generaal op de nadere zitting van het hof het standpunt zou innemen dat in dit geval sprake is van een gemaximeerde tbs-maatregel.

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt.

Voor verlenging van een TBS-maatregel die als gevolg daarvan een totale duur van vier jaren te boven zal gaan is ingevolge artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In onderhavige zaak is de terbeschikkingstelling opgelegd ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (meermalen gepleegd), strafbaar gesteld in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) en belaging, strafbaar gesteld in artikel 285b, eerste lid, WvSr.

In artikel 359 lid 7 en 8 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat een vonnis waarbij een TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen dit aangeeft onder opgave van redenen, op straffe van nietigheid. De rechtbank Zutphen heeft in haar vonnis van 24 april 2002 expliciet noch impliciet hieraan een overweging gewijd. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van het bepaalde in artikel 359 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering in voormeld vonnis derhalve sprake van een verzuim. Het vonnis is evenwel onherroepelijk en enig rechtens relevant gevolg kan daarom niet meer aan dit verzuim worden verbonden. Het hof zal daarom zelfstandig dienen te beoordelen of sprake is van een gemaximeerde dan wel niet-gemaximeerde TBS-maatregel.

Met betrekking tot het misdrijf bedreiging is in recente jurisprudentie van het hof (30 mei 2011, LJN: BQ6616) bepaald dat er thans een meer beperkte uitleg dient te worden gegeven aan het begrip ‘een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen’, in die zin, dat het hof in zijn algemeen van oordeel is, dat voor het aannemen van een misdrijf als hier bedoeld vereist is, dat een dreigende uiting voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd wordt door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde; gedacht wordt bij voorbeeld aan het tonen van een wapen of het met een auto inrijden op een persoon. Indien het delict van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht slechts bestaat uit een verbale bedreiging kan niet zonder meer worden aangenomen dat er sprake is van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Hetzelfde geldt als er slechts sprake is van een schriftelijke bedreiging.

Nu er in casu – aangaande de bedreigingen – alleen sprake is geweest van verbale bedreigingen, zonder dat deze voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd zijn door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief was jegens de bedreigde, is naar het oordeel van het hof aan de terbeschikkinggestelde de maatregel van terbeschikkingstelling niet opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Wat betreft het misdrijf belaging is er sprake geweest van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De terbeschikkinggestelde heeft het slachtoffer immers (nagenoeg) (dagelijks) opgebeld, aangesproken, hinderlijk geobserveerd, hinderlijk gevolgd en zich hinderlijk in de directe omgeving van het slachtoffer opgehouden. Het hof stelt echter vast dat ook ten aanzien van dit feit niet is gebleken van gedragingen welke zijn voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief was jegens de belaagde.

De door de terbeschikkinggestelde gepleegde gedragingen hebben weliswaar, zoals de rechtbank Zutphen in haar vonnis heeft overwogen, een uiterst beklemmende situatie doen ontstaan voor het slachtoffer en zijn gezin en daardoor, naar het hof aanneemt, ernstig nadeel voor de psychische gezondheid van het slachtoffer, maar dit nadeel heeft niet tot gevolg dat met betrekking tot de bewezenverklaarde misdrijven voldaan is aan het in artikel 38e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht genoemde criterium “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van

een of meer personen”.

Zoals in eerder genoemde uitspraak van het hof van 30 mei 2011 reeds is overwogen, is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht slechts bepalend de bewezenverklaring en de in de rechterlijke beslissing, waarbij de maatregel is opgelegd, of de in de aanvulling daarop als bedoeld in artikel 365a Wetboek van Strafvordering gebezigde bewijsmiddelen, dus niet de justitiële documentatie of andere stukken uit het strafdossier.

Het vorenstaande leidt ertoe dat bij beide destijds door de rechtbank bewezenverklaarde misdrijven niet wordt voldaan aan het in artikel 38e, eerste lid Wetboek van Strafvordering verwoorde criterium. De door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden maken dit niet anders.

Gelet hierop is ingevolge deze zelfde bepaling de duur van de opgelegde maatregel beperkt tot vier jaar.

Nu de maatregel is ingegaan op 2 mei 2002 is deze termijn van vier jaar inmiddels verstreken en staat de wet de gevorderde verlenging van de maatregel niet toe.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Zutphen van 1 december 2010 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam].

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr E. van der Herberg en mr C. Caminada als raadsheren,

en drs. J. Boon en drs. E. Harmsen als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 9 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.