Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR4255

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
05-08-2011
Zaaknummer
24-000685-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op 15 maart 2010 samen met een ander tijdens een sportles schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen een mede-leerlinge, hetgeen bij die mede-leerlinge heeft geleid tot onder meer ontsierend letsel aan haar gezicht.

Het hof kent met name betekenis toe aan de constatering van de Raad voor de Kinderbescherming dat bij de verdachte sprake is van agressie-regulatie-problematiek.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof ook erkend agressief te kunnen reageren als er agressief tegen haar wordt gedaan. Het hof acht de door de Raad geadviseerde leerstraf agressie-regulatie-training uit een oogpunt van normhandhaving en speciale preventie dan ook een passende strafmodaliteit en zal deze leerstraf daarom opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000685-11

Uitspraak d.d.: 3 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 maart 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw, mr. L.A Korfker, is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 15 maart 2010 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen,

op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in de gymzaal van het [gebouw] gelegen aan de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het (meermalen) (met kracht)

- met een bounce stick (zachte hockeystick), in ieder geval een dergelijk voorwerp, op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] slaan en/of

- het vastpakken/vasthouden van het haar van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het trekken aan het haar van die [slachtoffer] en/of

- het stompen/slaan in het gezicht, in ieder geval op/tegen het lichaam, van die [slachtoffer] en/of

- het krabben in het gezicht, in ieder geval op het hoofd, van die [slachtoffer] en/of

- het (met geschoeide voet) schoppen/trappen in het gezicht, in ieder geval op/tegen het hoofd, ieder geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Het hof heeft in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof erkend dat zij [slachtoffer] op 15 maart 2010 aan het haar heeft vastgepakt en vastgehouden en dat zij [slachtoffer] in het gezicht heeft gekrabd. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat zij deze handelingen uitsluitend heeft verricht om [slachtoffer] van haar af te krijgen toen zij door [slachtoffer] werd belaagd en daarbij op de grond was gevallen, waarbij [slachtoffer] bovenop haar lag. Daaraan voorafgaande heeft de verdachte geprobeerd deëscalerend tussenbeide te komen in een opstootje tussen [slachtoffer] en medeverdachte [naam], aldus de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof ontkend [slachtoffer] te hebben geslagen of gestompt en geschopt of getrapt en heeft ontkend het opzet te hebben gehad [slachtoffer] te verwonden of pijn te doen.

Het hof volgt de verdachte in haar bovengenoemde verklaring, voor zover inhoudende dat zij [slachtoffer] op 15 maart 2010 aan het haar heeft vastgepakt en vastgehouden en dat zij [slachtoffer] in het gezicht heeft gekrabd.

Het hof acht de verdachte voor het overige echter niet geloofwaardig in haar lezing van de gebeurtenissen, nu die lezing geen enkele ondersteuning vindt in de verklaringen die door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] bij de politie zijn afgelegd over het incident tussen de verdachte en [naam] enerzijds en [slachtoffer] anderzijds.

De kern van bedoelde getuigenverklaringen is immers dat aangeefster [slachtoffer] niet de verdachte heeft belaagd of aangevallen, maar dat het juist de verdachte is geweest van wie agressie uitging jegens [slachtoffer].

De getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte boven op [slachtoffer] is gesprongen. De getuige [getuige 2] heeft onder meer verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] heeft geslagen.

De getuige [getuige 3] heeft onder meer verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] heeft geslagen en dat zij heeft gezien dat [slachtoffer] werd geschopt. Deze getuigen-verklaringen komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen en ondersteunen de inhoud van de aangifte van [slachtoffer].

Geen van deze getuigen heeft verklaard dat, terwijl de verdachte op de grond lag, [slachtoffer] op haar lag en dat de verdachte vanuit die positie zich van [slachtoffer] zou moeten ontdoen.

Het hof heeft geen enkele aanwijzing gevonden op grond waarvan de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], alsmede de aangifte van [slachtoffer], als niet accuraat, niet juist of niet betrouwbaar kunnen worden bestempeld. De enkele omstandigheid dat enkele weken of maanden zijn verlopen tussen het ten laste gelegde incident en het moment waarop de getuigen daarover zijn gehoord, kan niet tot een ander oordeel leiden, mede nu door de verdediging niet nader is aangegeven op welk onderdeel of welke onderdelen de getuigenverklaringen niet gevolgd kunnen worden en op grond waarvan dit niet kan.

Ook de enkele omstandigheid dat de diverse getuigenverklaringen niet op alle onderdelen volledig op elkaar aansluiten of met elkaar overeenstemmen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Die verschillen laten zich verklaren op de grond dat wellicht niet iedere getuige het gehele incident heeft waargenomen of heeft kunnen waarnemen, ofwel op grond van een beperkt zicht op het incident, ofwel op grond van een ander - eerder of later - moment van waarneming van het incident.

Het hof gaat uit van de juistheid van hetgeen de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] en aangeefster [slachtoffer] bij de politie hebben verklaard.

De handelingen van zowel de verdachte als medepleger [naam] laten zich daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvorm, zoals deze is beschreven door de hierboven genoemde getuigen en door aangeefster, niet anders duiden dan handelingen die opzettelijk zijn verricht.

Gelet op de hierboven genoemde vastgestelde feiten en overwegingen, wijst het hof - toetsend aan het noodzaakcriterium - het ter terechtzitting van het hof ingediende voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw strekkende tot het horen van een achttal met name genoemde getuigen, af. Bedoeld verzoek mist enige onderbouwing, nu door de raadsvrouw in het geheel niet is aangegeven om welke reden(en) bedoelde getuigen volgens haar moeten worden gehoord en op welke vraagpunten die getuigen volgens haar moeten worden gehoord.

Op grond van het bovenstaande acht het hof het ten laste gelegde bewezen, zoals hieronder nader aangeduid.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat de verdachte het aan haar ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 15 maart 2010 in [gemeente] met een ander, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in de gymzaal van het [gebouw] gelegen aan de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het

- met een bounce stick (zachte hockeystick) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] slaan en

- het vastpakken/vasthouden van het haar van die [slachtoffer] en

- het trekken aan het haar van die [slachtoffer] en

- het stompen/slaan in het gezicht van die [slachtoffer] en

- het krabben in het gezicht van die [slachtoffer].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dit delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 15 maart 2010 samen met een ander tijdens een sportles schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer], hetgeen bij [slachtoffer] heeft geleid tot onder meer ontsierend letsel aan haar gezicht. De verdachte en haar mededader hebben door hun gewelddadige optreden een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en voorts hebben zij gevoelens van onveiligheid opgewekt bij andere personen die hier ongewild getuige van zijn geweest. Daarnaast is dergelijk openlijk gewelddadig optreden in het algemeen - en in vereniging in het bijzonder - zeer bedreigend en versterkt het de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft door haar handelen hieraan bijgedragen.

Het hof hanteert ter zake van het delict openlijke geweldpleging landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf impliceren.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2011 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van enig strafbaar feit. Dit pleit in het voordeel van de verdachte.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen in het door Raad voor de Kinderbescherming over de verdachte uitgebrachte rapport van 30 november 2010, en zoals die ter terechtzitting zijn gebleken. Daaruit blijkt dat de verdachte op alle leefgebieden goed functioneert en dat er weinig zorgen zijn met betrekking tot haar, zij het dat er wel zorgen zijn over haar impulsieve, felle gedrag en verbale agressie. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de oplegging van de leerstraf agressie-regulatie-training aan de verdachte.

Op grond van de ernst van het delict en de door het hof gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting acht het hof de door de raadsvrouw bepleite toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht hier niet op zijn plaats. In beginsel acht het hof de strafeis die de officier van justitie in eerste aanleg heeft gevorderd, te weten een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, passend en geboden, gelet op de ernst van het delict en de door het hof gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Het hof kent daarnaast betekenis toe aan de constatering van de Raad voor de Kinderbescherming dat bij de verdachte sprake is van agressie-regulatie-problematiek.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof ook erkend agressief te kunnen reageren als er agressief tegen haar wordt gedaan. Het hof acht de door de Raad geadviseerde leerstraf agressie-regulatie-training uit een oogpunt van normhandhaving en speciale preventie dan ook een méér passende strafmodaliteit en zal deze leerstraf daarom opleggen.

Het hof acht het niet geboden daarnaast nog een voorwaardelijke werkstraf aan de verdachte op te leggen, aangezien het reeds enige tijd geleden is dat het bewezen verklaarde incident zich heeft voorgedaan en niet gebleken is dat de verdachte sindsdien betrokken is geweest bij een nieuw incident.

Het hof legt hiermee een hogere straf op dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof komt tot deze beslissing op de grond dat de door het hof op te leggen leerstraf méér recht doet aan zowel de ernst van het bewezen verklaarde delict als de persoon van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het aan haar ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot de leerstraf agressie-regulatie-training voor de duur van

30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 3 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Wolters is buiten staat dit arrest te ondertekenen.