Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR3593

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
24-000483-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte - een beginnend bestuurder - wordt wegens overtreding van artikel 7 en 8 Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van 550 euro/11 dagen vervangende hechtenis en ter zake van het rijden onder invloed tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000483-11

Uitspraak d.d.: 29 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 februari 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem onder 1 primair ten laste gelegde tot een ontzegging van de rijbevoegheid voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en ter zake het aan hem onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot een geldboete van 550 euro. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. H.A. Koning, advocaat te Meppel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 april 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], - terwijl toen sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs voor het besturen van een (personen-)auto was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken - als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid sub a van de Wegenverkeerswet 1994, 185 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, althans dat bij dat onderzoek bleek dat de hoeveelheid alcohol hoger was dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 april 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.

hij op of omstreeks 10 april 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 10 april 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], - terwijl toen sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs voor het besturen van een (personen-)auto was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken - als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid sub a van de Wegenverkeerswet 1994, hoger bleek te zijn dan

88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht;

2.

hij op 10 april 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [slachtoffer], schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 10 april 2010 als beginnend bestuurder schuldig gemaakt aan overtreding van zowel artikel 7 als artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting van het hof is gebleken dat verdachte in de avond en nacht van 9 op 10 april 2010 (een forse hoeveelheid) alcoholhoudende drank heeft genuttigd en vervolgens - na een paar uurtjes te hebben geslapen - in zijn voertuig is gestapt. Verdachte is in een flauwe bocht de macht over het stuur verloren en is met zijn voertuig in de tuin van [slachtoffer] tot stilstand gekomen. Tijdens deze manoeuvre heeft verdachte een struik overreden en een houten paaltje omver gereden. Daarmee heeft verdachte schade toegebracht aan die [slachtoffer].

Verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten - zonder de politie en [slachtoffer] in te lichten - terwijl hij moest vermoeden dat hij bij dat ongeval schade had veroorzaakt.

Verdachte heeft door zijn gedrag de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht.

Uit het ademonderzoek - afgenomen ruim vijf uur na het ongeval - bleek het ademalcoholgehalte van verdachte aanzienlijk hoger dan de toegestane 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, namelijk 185 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. In de periode na het ongeval heeft verdachte geen alcoholhoudende drank meer gedronken. Gelet hierop en de gemeten uitslag, gaat het hof voor de straftoemeting uit van een forse overschrijding van de toegestane hoeveelheid alcohol in het lichaam ten tijde van het besturen van de auto.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van

9 juni 2011 blijkt dat verdachte eenmaal eerder - in 2008 - met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van het gebruik van alcohol in het verkeer. Dit heeft destijds geleid tot een transactie.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is oplegging van een geldboete - zoals gevorderd door de advocaat-generaal - passend en geboden. Het hof acht het voorts noodzakelijk dat er een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, doch zal deze ontzegging in voorwaardelijke vorm opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mr. P.J.M. van den Bergh en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,

en op 29 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.