Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR3497

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
200.077.293
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belastingteruggaven dienen te worden aangemerkt als nagekomen bate in de zin van artikel 194 Faillissementswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.077.293

(insolventienummer rechtbank: 06/171 R en 06/172 R)

beschikking van de eerste civiele kamer van 21 juli 2011

inzake

[appellant sub 1]

en zijn echtgenote

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. C.D.R. Schoonderbeek te Soest,

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2009 heeft de rechtbank vastgesteld dat de toepassing van de op 17 maart 2006 aangevangen wettelijke schuldsaneringsregelingen ten aanzien van [appellanten] eindigt met het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellanten] niet zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en heeft daarbij overwogen dat hiermee aan [appellanten] de zogenoemde schone lei is verleend.

1.2 Nadat bij faxbericht van 2 augustus 2010 de voormalige bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregelingen, mr. M.W. Riezenbosch, aan de rechtbank Arnhem had meegedeeld dat de Belastingdienst een bedrag van € 6.802,- en € 13.981,-, wegens teruggave inkomstenbelasting over 2007 respectievelijk 2008 op de bankrekening van haar kantoor had overgemaakt, heeft deze rechtbank bij beschikking van 12 augustus 2010 de voormalige bewindvoerder bevolen om over te gaan tot vereffening en verdeling van de hiervoor vermelde nagekomen baten op de grondslag van de eerder opgemaakte en verbindend geworden slotuitdelingslijst. Het hof verwijst naar die beschikking, die in fotokopie aan deze beschikking is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 11 november 2010 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking en hebben zij het hof verzocht die beschikking te vernietigen en te bepalen dat de hiervoor genoemde belastingteruggaven over 2007 en 2008 niet vereffend en verdeeld behoren te worden op de grondslag van de vroegere slotuitdelingslijsten, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2 Omdat [appellanten] bij verzoekschrift van dezelfde datum en op dezelfde gronden van voormelde beschikking beroep in cassatie hadden ingesteld, is in overleg met de advocaat van [appellanten] besloten om de behandeling van de zaak in het onderhavige hoger beroep aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad.

2.3 Bij beschikking van de Hoge Raad van 15 april 2011 zijn [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep in cassatie.

2.4 Hierop is de behandeling van de zaak in dit hoger beroep hervat.

2.5 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van de brieven met bijlagen van 23 november 2010 en 6 juni 2011 van de voormalige bewindvoerder, alsmede van de brieven met bijlagen van 18 april 2011 en 1 juni 2011 van de advocaat van [appellanten].

2.6 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2011, waarbij [appellant sub 1] in persoon is verschenen bijgestaan door zijn advocaat mr. C.D.R. Schoonderbeek voornoemd. Mr. Schoonderbeek verklaarde tevens de niet verschenen [appellante sub 2] te vertegenwoordigen en heeft zich bediend van de door hem ter zitting overgelegde notities. Namens de voormalige bewindvoerder zijn verschenen haar kantoorgenoot mr. R.C.H. Bruinier en de faillissementsmedewerker van het kantoor van de voormalige bewindvoerder mevrouw [...].

3. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1 De Hoge Raad heeft bij beschikking van 15 april 2011, kort gezegd, geoordeeld dat in geschillen over de vraag of ingevolge de Faillissementswet (Fw) bepaalde vermogensbestanddelen (alsnog) zijn onttrokken aan de vrije beschikking van de schuldenaren, die na beëindiging van de schuldsaneringsregeling immers weer de vrije beschikking over zijn vermogen hebben gekregen, de gewone procedureregels hebben te gelden, zodat krachtens de algemene regel van artikel 358 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de bestreden beschikking hoger beroep openstaat. Met dit oordeel van de Hoge Raad is de ontvankelijkheid van het (tijdig) door [appellanten] ingestelde hoger beroep gegeven.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Hetgeen [appellanten] met betrekking tot het essentiële vormverzuim van hoor en wederhoor in hun beroepschrift hebben aangevoerd, behoeft in hoger beroep geen bespreking omdat dit vormverzuim door middel van de behandeling van dit hoger beroep is hersteld.

4.2 [appellanten] kunnen zich niet verenigen met de bestreden beschikking. Kort samengevat en voor zover thans nog van belang, stellen [appellanten] in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte artikel 194 Fw (juncto artikel 356 lid 4 Fw) op de belastingteruggaven van toepassing heeft verklaard. Primair voeren [appellanten] daartoe aan dat de litigieuze belastingteruggaven niet zijn aan te merken als baten die tot de boedel behoren omdat zij zijn ontstaan ná het eindigen van de schuldsaneringsregeling en subsidiair dat deze baten ten tijde van de vereffening reeds bekend waren omdat de (voormalige) bewindvoerder was betrokken bij de namens [appellanten] ingediende belastingaangiften over de jaren 2004 tot en met 2006, waaruit direct belastingteruggaven voortvloeiden als gevolg van het feit dat sprake was van fiscaal compensabele verliezen uit de periode (voor 2005) dat [appellanten] een eigen transportonderneming dreven. De bewindvoerder moet daarom ook geweten hebben dat ook over de jaren 2007 en 2008 nog belastingteruggaven te verwachten waren, omdat er geen enkele reden was om te veronderstellen dat de verrekening van die fiscaal compensabele verliezen niet langer aan de orde was.

4.3 [appellanten] wijzen er voorts op dat vooralsnog slechts sprake is van een voorlopige aanslag 2007, zodat het bedrag dat voor eventuele vereffening beschikbaar komt nog niet vaststaat. Deze voorlopige aanslag vermeldt bovendien een bedrag van € 10.150,- terwijl de bewindvoerder spreekt over een teruggaaf over dat jaar van € 6.802,- . [appellanten] kunnen dit verschil niet verklaren.

4.4 Het hof is vooreerst van oordeel dat de onderhavige belastingteruggaven moeten worden aangemerkt als nagekomen baten in de zin van artikel 194 Fw, welke bepaling ingevolge artikel 356 lid 4 Fw van overeenkomstige toepassing is op de wettelijke schuldsaneringsregeling. Deze belastingteruggaven over de jaren 2007 en 2008 hebben betrekking hebben op de periode dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op [appellanten] van toepassing was (17 maart 2006 tot 7 juli 2009). [appellanten] hebben derhalve in die periode ten nadele van de schuldeisers die onder de werking van de schuldsaneringsregeling vielen, meer belasting afgedragen dan zij - mede met het oog op de fiscaal compensabele verliezen over de jaren daarvoor - verschuldigd waren. Het recht op teruggave van de teveel betaalde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontstond niet, zoals [appellanten] in hoger beroep betogen, ná de beëindiging van de schuldsaneringsregeling maar dus reeds tijdens de schuldsaneringsregeling.

Ook de stelling van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte haar beslissing heeft gebaseerd op artikel 194 Fw, nu de bewindvoerder ten tijde van de vereffening bekend was, althans bekend kon zijn met een mogelijke teruggaaf van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2007 en 2008 gaat naar het oordeel van het hof niet op. Hoewel [appellanten] kan worden nagegeven dat de bewindvoerder bekend was, althans bekend had kunnen zijn met het feit dat er op grond van belastingteruggaven nog baten konden nakomen voor de boedel, kan naar het oordeel van het hof in casu niet worden gesproken van ten tijde van de vereffening bekende baten. De omvang van die baten werd immers pas duidelijk nadat [appellanten] in februari 2010 - derhalve na het einde van de schuldsaneringsregeling - aangifte hebben gedaan of laten doen en zij enkele maanden daarna op basis van die aangiften de litigieuze belastingaanslagen hebben ontvangen. Het hof is van oordeel dat de ratio van het bekendheidsvereiste in artikel 194 Fw is dat de schuldeisers door middel van verzet de mogelijkheid hebben op te komen tegen de slotuitdelingslijst. Het spreekt voor zich dat daarvoor minimaal vereist is dat de schuldeisers kennis hebben kunnen nemen van het totaalbedrag dat onder de schuldeisers wordt verdeeld. Dit oordeel sluit ook aan bij artikel 73.2.2 van de Leidraad Invordering 2008. Daarin is bepaald dat de ontvanger met betrekking tot belastingteruggaven van meer dan € 500,- die betrekking hebben op de periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na de beëindiging van die regeling, contact opneemt met de gewezen bewindvoerder om met hem te overleggen of de vereffening al dan niet moet worden heropend.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 12 augustus 2010.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, L.J. de Kerpel-van de Poel en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2011.