Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR3427

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
200.079.532
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2010:BO5395, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering voorschot op boete in kort geding wegens overtreding concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.079.532

(zaaknummer rechtbank 115605)

arrest in kort geding van de vijfde civiele kamer van 21 juni 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMCD Benelux B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

advocaat: mr. A.N. Kampherbeek,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F. Kolkman.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 26 november 2010 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo tussen appellante (hierna ook te noemen: IMCD) als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde in conventie en eiser in reconventie heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 IMCD heeft bij exploot van 24 december 2010 [geïntimeerde] aangezegd van het voornoemde vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding in spoedappel van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij voornoemd exploot heeft IMCD vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en aangekondigd twee nieuwe producties in het geding te zullen brengen. Zij heeft voorts aangekondigd, met wijziging van eis, te zullen vorderen dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest in kort geding, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende in hoger beroep, [geïntimeerde] zal veroordelen:

a. tot betaling van een voorschot van € 25.000,- op de krachtens arbeidsovereenkomst verschuldigd geworden boete op overtreding van het concurrentiebeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend vanaf 11 oktober 2010, tot aan de dag der algehele voldoening;

b. om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere betrokkenheid bij verkoop of vermarkting van producten die als concurrerend met het verkoopprogramma van IMCD zijn aan te merken, waaronder doch niet beperkt tot fluorsurfactants c.q. producten die oppervlakteactieve stoffen bevatten, en deze activiteiten gedurende de duur van het concurrentiebeding, derhalve tot en met 31 december 2011 gestaakt te houden, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding alsmede € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit gebod handelt, althans een bedrag of bedragen zoals het hof juist acht;

c. om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere betrokkenheid, direct dan wel indirect, bij een onderneming waar de heer [A.] op enigerlei wijze betrokken is en die als concurrerend met IMCD is aan te merken, waaronder doch niet beperkt tot Euro-Chemicals B.V., gedurende de duur van het concurrentiebeding, derhalve tot en met 31 december 2011, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding alsmede € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit gebod handelt, althans een bedrag of bedragen zoals het hof juist acht;

d. binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen arrest aan IMCD opgave te doen met welke relaties (zowel leveranciers als afnemers), waarmee IMCD tijdens het dienstverband van [geïntimeerde] zaken deed, [geïntimeerde] en Euro-Chemicals GmbH contacten hebben gezocht, alsmede per relatie gespecificeerd aan te geven of en zo ja leveranties zijn gedaan of overeengekomen en welke producten en in welke hoeveelheden dit betreft, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding alsmede € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit gebod handelt, althans een bedrag of bedragen zoals het hof juist acht;

e. in de kosten van de procedure in beide instanties, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest en, voor het geval dat voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met wettelijke rente, te rekenen vanaf datum (bedoeld zal zijn:) arrest tot aan de dag der gehele voldoening.

2.3 Op de rol van 4 januari 2011 heeft IMCD geconcludeerd voor eis zoals aangekondigd in het voornoemde exploot.

2.4 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij bewijs aangeboden en vijf nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, IMCD niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans het hoger beroep zal afwijzen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, eventueel met verbetering of aanvulling van de gronden, met veroordeling van IMCD in de kosten van het hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de nakosten tot een bedrag van € 131,-, dan wel, indien betekening van het te wijzen [bedoeld zal zijn:] arrest plaatsvindt, van € 199,-.

2.5 Ter zitting van 4 maart 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, IMCD door mr. A.N. Kampherbeek, advocaat te Rotterdam en [geïntimeerde] door mr. F. Kolkman, advocaat te Wierden, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Kampherbeek voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting bij brief van 25 februari 2011 aan [geïntimeerde] en het hof de productie A24 gezonden.

Mr. Kolkman heeft verklaard tegen het in het geding brengen van die productie geen bezwaar te hebben, waarna het hof aan mr. Kampherbeek akte heeft verleend van het in het geding brengen van die productie.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast:

3.1 [geïntimeerde] is op 1 oktober 2006 bij IMCD (tot 27 maart 2007 genaamd Internatio B.V.) in dienst getreden in de functie van Product Manager Coatings. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:

“Concurrentiebeding

Gedurende het bestaan van dit dienstverband, alsmede een periode van twee jaar na het beëindigen daarvan zult u noch in dienstbetrekking noch zelfstandig als adviseur, agent of wederverkoper van produkten, die een concurrerend karakter met het verkoopprogramma van Internatio B.V. hebben, werkzaam zijn. Een en ander op straffe van een onmiddellijk ten gunste van Internatio B.V. opeisbare boete van € 10.000,00 per overtreding en/of € 400,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van Internatio B.V. om volledige schadevergoeding te vorderen.

Geheimhouding

U bent verplicht zowel tijdens alsook na de dienstbetrekking tot volstrekte geheimhouding omtrent alle bedrijfsaangelegenheden, die u op welke wijze dan ook ter kennis zijn gekomen.”

3.2 Na opzegging door [geïntimeerde] is het dienstverband geëindigd per 31 december 2009.

3.3 IMCD heeft [geïntimeerde] op 23 december 2009 een brief gestuurd waarin onder andere het volgende staat vermeld:

“Wij zullen u verder houden aan de in de arbeidsovereenkomst genoemde voorwaarden inzake concurrentie en geheimhouding na beëindiging van uw functie bij IMCD Benelux.”

3.4 [geïntimeerde] heeft op 25 januari 2010 Euro-Chemicals GmbH te Nordhorn (Duitsland) opgericht.

3.5 Euro-Chemicals B.V. is een vennootschap die zich richt op productie, ontwikkeling en distributie van chemische producten, alsmede im- en export van chemische grondstoffen. De heer [A.] is directeur en enig aandeelhouder van Euro-Chemicals B.V.

3.6 Euro-Chemicals B.V. heeft een belang van 51% in Euro-Chemicals GmbH.

4. De motivering van de beslissing in kort geding in hoger beroep

4.1 IMCD stelt dat [geïntimeerde] het tussen partijen gesloten concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding heeft overtreden. IMCD heeft in eerste aanleg in kort geding in conventie - kort gezegd - gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld:

- tot betaling van een voorschot van € 25.000,- op de krachtens de arbeidsovereenkomst verschuldigd geworden boete op overtreding van het concurrentiebeding;

- om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere betrokkenheid bij verkoop of vermarkting van producten die als concurrerend met het verkoopprogramma van IMCD zijn aan te merken, waaronder begrepen fluorsurfactants, gedurende de duur van het concurrentiebeding, derhalve tot en met 31 december 2011, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding alsmede € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit gebod handelt, althans een bedrag als juist wordt geacht;

- om binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan IMCD opgave te doen van de relaties, waarmee IMCD tijdens het dienstverband van [geïntimeerde] zaken deed en [geïntimeerde] en Euro-Chemicals GmbH contact hebben gezocht, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding alsmede € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit gebod handelt, althans een bedrag als juist wordt geacht;

- in de kosten van het geding.

4.2 De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van IMCD in conventie afgewezen en IMCD in de kosten van de procedure veroordeeld. Daartegen is IMCD in hoger beroep gekomen. Bij het bestreden vonnis is tevens de vordering van [geïntimeerde] in reconventie afgewezen. [geïntimeerde] heeft daartegen geen hoger beroep ingesteld, zodat deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is.

4.3 IMCD heeft haar vordering bij memorie van grieven in hoger beroep vermeerderd en aanvullend gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere betrokkenheid, direct dan wel indirect, bij een onderneming waar de heer [A.] (hierna ook te noemen: [A.]) op enigerlei wijze betrokken is en die als concurrerend met IMCD is aan te merken, waaronder doch niet beperkt tot Euro-Chemicals B.V. (hierna ook te noemen: de BV), gedurende de duur van het concurrentiebeding, derhalve tot en met 31 december 2011, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding alsmede € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit gebod handelt, althans een bedrag als juist wordt geacht en voorts dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties. De grieven van IMCD lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.4 Het hof overweegt allereerst dat deze procedure ziet op het treffen van voorlopige voorzieningen. Gelet op de gestelde overtreding van het concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding door [geïntimeerde] heeft IMCD een spoedeisend belang bij de in eerste aanleg gevraagde voorziening. Dat spoedeisend belang wordt overigens niet betwist door [geïntimeerde], behoudens voor zover het betreft het gevorderde voorschot op de boete op grond van overtreding van het concurrentiebeding. Een gevraagde voorziening als de onderhavige kan alleen worden gegeven indien met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de rechter in een bodemprocedure de vordering zal toewijzen. Voor nader onderzoek om tot vaststelling van een bepaalde rechtstoestand of feiten of omstandigheden te komen is in een kort geding procedure in beginsel geen plaats. Dat dient te gebeuren in een eventuele bodemprocedure.

4.5 [geïntimeerde] heeft bij pleidooi aangevoerd dat het concurrentiebeding tussen partijen zijn geldigheid heeft verloren, omdat dit beding bij verlenging van de - in eerste instantie voor zes maanden gesloten - arbeidsovereenkomst niet opnieuw is vastgelegd. [geïntimeerde] heeft zich daarbij beroepen op de uitspraak van de rechtbank Almelo, sector kanton, van 25 januari 2011. Gelet echter op de vaste lijn in de jurisprudentie, waarbij wordt aangenomen dat bij stilzwijgende verlenging een bestaand concurrentiebeding, behoudens bijzondere omstandigheden, zijn gelding behoudt op grond van artikel 7:668 van het Burgerlijk Wetboek, verwerpt het hof het verweer van [geïntimeerde].

4.6 Het overeengekomen concurrentiebeding verbiedt [geïntimeerde] gedurende een periode van twee jaar na het beëindigen van het dienstverband, in dit geval tot en met 31 december 2011, werkzaam te zijn in dienstbetrekking of zelfstandig als adviseur, agent of wederverkoper van producten, die een concurrerend karakter met het verkoopprogramma van Internatio B.V. (thans IMCD) hebben.

4.7 IMCD stelt dat [geïntimeerde] het concurrentiebeding heeft overtreden door het oprichten van en het werkzaamheden verrichten voor de onderneming Euro-Chemicals GmbH (hierna ook te noemen: de GmbH). [geïntimeerde] betwist dat en stelt dat de GmbH zich alleen richt op de verkoop van wegenverf en daaraan gerelateerde producten. Tussen partijen staat overigens vast dat de verkoop van wegenverf en daaraan gerelateerde producten geen schending van het beding oplevert. Naar het voorlopig oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat met de activiteiten van [geïntimeerde] voor de GmbH het concurrentiebeding wordt overtreden, behoudens met de bij e-mailbericht van 6 juli 2010 aan Golden Care B.V. uitgebrachte offerte namens Euro-Chemicals B.V. èn namens Euro-Chemicals GmbH. [geïntimeerde] betwist niet dat de producten waarop deze offerte betrekking heeft, fluorpolymeren, concurrerend zijn met de producten van IMCD. Hij betwist alleen dat deze offerte namens de GmbH is uitgebracht. Gelet op de overige door IMCD gestelde feiten en omstandigheden, acht het hof deze betwisting echter onvoldoende gemotiveerd. De offerte is immers uitgebracht op briefpapier van Euro-Chemicals.com, waarop de gegevens van zowel de BV als de GmbH staan vermeld. [geïntimeerde] heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat de handtekening onder de offerte gelijk is aan zijn handtekening, maar ontkent dat hij de offerte daadwerkelijk heeft ondertekend. Ook het e-mailbericht vermeldt de gegevens van zowel de BV als de GmbH. De offerte is uitgebracht op naam van [A.] en het e-mailbericht is ook door [A.] verstuurd. De blote ontkenning van [geïntimeerde] dat hij wist van, dan wel instemde met het versturen van de offerte door [A.], is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, mede in het licht van de eerst in hoger beroep bekend geworden financiële participatie van de BV - waarvan [A.] directeur en enig aandeelhouder is - in de GmbH. Daarmee heeft [geïntimeerde], werkzaam als zelfstandige, immers als directeur en aandeelhouder van de GmbH, het concurrentiebeding overtreden.

4.8 Dat [geïntimeerde] of de GmbH betrokken zijn bij andere concurrerende activiteiten door [A.] en of de BV, is in deze procedure naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende vast komen te staan. IMCD stelt dat klanten door [A.] zijn benaderd met een aanbod van concurrerende producten van de leverancier Maflon. IMCD heeft die stelling - buiten de hiervoor genoemde Golden-Care- alleen voor de klant Sure Seal Sealants nader onderbouwd, maar uit de overgelegde stukken blijkt niet van enige betrokkenheid van [geïntimeerde]. Voor bewijslevering is, zoals hiervoor overwogen, in kort geding geen plaats. Voor de firma Chemtec Chemicals B.V. is ook de betrokkenheid van [A.] onvoldoende vast komen te staan.

4.9 De werkzaamheden van [A.] en de BV zijn op zichzelf concurrerend met IMCD. Daarmee staat echter tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] nog niet vast dat [geïntimeerde] via de BV het concurrentiebeding heeft overtreden. De financiële participatie van de BV in de GmbH is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Wel kan aan IMCD worden toegegeven dat [geïntimeerde] de schijn tegen heeft nu in hoger beroep is komen vast te staan dat de BV een meerderheidsbelang heeft in de GmbH, terwijl [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft betoogd dat er geen enkele betrokkenheid bestond tussen de bedrijven en alleen maar sprake was van een toevallige naamsovereenkomst tussen de BV en de GmbH. Het financiële belang betekent echter nog niet dat daarmee sprake is van samenwerking en uitwisseling van informatie.

4.10 Ook is naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende vast komen te staan dat [geïntimeerde] informatie aan de BV of aan [A.] heeft gegeven in strijd met het concurrentiebeding dan wel met het geheimhoudingsbeding. Dat [geïntimeerde] tijdens zijn dienstverband bij IMCD informatie aan [A.] heeft verstrekt, zoals monsters en overzichten van Dupontproducten, paste kennelijk binnen de normale bedrijfsvoering bij IMCD. [A.] en zijn onderneming waren immers klant bij IMCD en [A.] heeft - kennelijk met medeweten van IMCD - samen met [geïntimeerde] klanten van IMCD bezocht. [A.] is bovendien al geruime tijd actief in de branche waardoor het waarschijnlijk is dat hij al een behoorlijke kennis had opgebouwd. Uit hetgeen door IMCD is gesteld, is onvoldoende aannemelijk geworden dat de (nieuwe) wijze van benadering van klanten van IMCD door [A.] dan wel door de BV alleen mogelijk was omdat de BV inmiddels beschikte over informatie die alleen afkomstig kon zijn van [geïntimeerde].

4.11 Uit het hierboven overwogene vloeit voort dat het voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] het concurrentiebeding heeft overtreden met het uitbrengen van de offerte aan Golden Care. Op grond van het concurrentiebeding is hij daarmee een boete aan IMCD verschuldigd geworden van € 10.000,-. Gelet op het belang van IMCD bij handhaving van het concurrentiebeding, welk belang ook voldoende spoedeisend is, zal het hof deze boete bij wijze van voorschot toewijzen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat er sprake is van een restitutierisico bij IMCD en dat is ook overigens niet gebleken.

4.12 Anders dan [geïntimeerde] heeft gesteld is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk dat het concurrentiebeding in een bodemprocedure bij afweging van de wederzijdse belangen van partijen zal worden vernietigd. Dat kan dus niet in de weg staan aan toewijzing van de gevorderde boete. IMCD heeft immers onmiskenbaar belang bij handhaving van het concurrentiebeding en het beding staat niet in de weg aan de werkzaamheden van [geïntimeerde] binnen de GmbH voor zover hij zich daarbij richt op wegenverf en daaraan gerelateerde producten, die niet concurreren met de producten van IMCD. [geïntimeerde] heeft gelet daarop zijn belang bij beperking dan wel vernietiging van het concurrentiebeding onvoldoende onderbouwd. Overigens is door [geïntimeerde] ook in hoger beroep niet gesteld dat er een bodemprocedure aanhangig is gemaakt waarin een vordering tot beperking dan wel vernietiging van het concurrentiebeding aan de rechter is voorgelegd.

4.13 Gelet op de overtreding van [geïntimeerde] van het concurrentiebeding heeft IMCD belang bij haar vordering om [geïntimeerde] te veroordelen om zich op straffe van een dwangsom gedurende de looptijd van het concurrentiebeding te onthouden van betrokkenheid bij de verkoop of vermarkting van met IMCD concurrerende producten. Die vordering zal het hof dan ook toewijzen. Dat geldt niet voor de vordering dat [geïntimeerde] zich dient te onthouden van iedere betrokkenheid bij een onderneming van [A.]. Voor zover daarmee sprake is van betrokkenheid bij de verkoop of vermarkting van met IMCD concurrerende producten, wordt deze vordering immers reeds toegewezen. In het geval er geen sprake is van concurrerende producten, zoals bijvoorbeeld bij wegenverf, heeft IMCD geen belang bij haar vordering. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

4.14 Tot slot zal ook de vordering van IMCD ter zake de opgave van de relaties van IMCD waarmee [geïntimeerde] en de GmbH contact hebben gezocht en al dan niet zaken hebben gedaan, worden toegewezen. IMCD heeft er belang bij om vast te kunnen stellen of er nadere overtredingen van het concurrentiebeding zijn geweest. Het hof acht het redelijk dat [geïntimeerde] de gevraagde gegevens binnen een termijn van veertien dagen aan IMCD beschikbaar stelt.

Slotsom

De grieven slagen deels, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

vernietigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 26 november 2010 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een voorschot van € 10.000,- op de krachtens de arbeidsovereenkomst verschuldigd geworden boete op overtreding van het concurrentiebeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend vanaf 11 oktober 2010, tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere betrokkenheid bij verkoop of vermarkting van producten die als concurrerend met het verkoopprogramma van IMCD zijn aan te merken, waaronder doch niet beperkt tot fluorsurfactants c.q. producten die oppervlakteactieve stoffen bevatten, en deze activiteiten gedurende de duur van het concurrentiebeding, derhalve tot en met 31 december 2011, gestaakt te houden, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding alsmede € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit gebod handelt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 100.000,-;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest aan IMCD opgave te doen met welke relaties (zowel leveranciers als afnemers) waarmee IMCD tijdens het dienstverband van [geïntimeerde] zaken deed, [geïntimeerde] en Euro-Chemicals GmbH contact hebben gezocht, alsmede per relatie gespecificeerd aan te geven of en zo ja welke leveranties van met IMCD concurrerende producten (waaronder doch niet beperkt tot fluorsurfactants) zijn gedaan of overeengekomen en welke producten en in welke hoeveelheden dit betreft, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van IMCD voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 527,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, € 580,- voor griffierecht en € 73,89 voor explootkosten en tot aan deze uitspraak voor wat betreft het hoger beroep begroot op € 3.474,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, € 1.769,- voor griffierecht en € 73,89 voor explootkosten;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, H. Wammes en G.P.M. van den Dungen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2011.