Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR2821

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
21-004091-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest in de Puttense zaak. Het hof beslist op aantal verzoeken van de verdediging en houdt een aantal andere verzoeken aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004091-09

Uitspraak d.d.: 22 juli 2011

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 9 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 februari 2010, 2 juni 2010, 11 november 2010, 18 november 2010, 25 november 2010, 26 november 2010, 25 januari 2011, 7 februari 2011, 1 april 2011, 24 mei 2011 en 21 juni 2011 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennis genomen van hetgeen door de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman mr. R.D.A. van Boom, naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting van 24 mei 2011 heeft de raadsman een groot aantal verzoeken gedaan. Op één van die verzoeken heeft het hof reeds beslist bij tussenarrest van 21 juni 2011. Ten aanzien van de overige verzoeken overweegt het hof het volgende.

De verzoeken

De raadsman heeft een groot aantal verzoeken gedaan. Hij heeft aan het hof overgelegd de volgende op schrift gestelde verzoeken en toelichting, die aan het proces-verbaal van de zitting zijn gehecht:

Nr. 1. de geheime relatie (p. 1-29); hierin zijn geen concrete verzoeken gedaan;

Nr. 2: diverse verzoeken over getuigen, deskundigen en nader onderzoek (p. 1-59);

Nr. 3: alternatief scenario [1] (p. 1-31);

Nr. 4: alternatief scenario [2] (p. 1-70);

Nr. 5: alternatief scenario [3] (p. 1-86);

Nr. 6: alternatief scenario [4] (p. 1-32);

Nr. 7: beschikbare sporen (p. 1-49).

Horen van getuigen omtrent de alternatieve scenario’s

De verdediging heeft ter terechtzitting van 24 mei 2011 betoogd dat er wel degelijk sterke aanwijzingen zijn dat een ander dan verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De verdediging heeft ter onderbouwing van deze stelling uitgebreid vier zogenaamde alternatieve ontlastende scenario’s geschetst. Namens verdachte verzoekt de raadsman om het horen van diverse getuigen en ook om nader (DNA-)onderzoek, veelal in het licht van deze alternatieve scenario’s.

De advocaat-generaal heeft – kort gezegd – aangevoerd dat deze onderbouwing thuis hoort in het pleidooi en niet in de onderbouwing van verzoeken. Volgens de advocaat-generaal moeten de verzoeken tot het horen van getuigen en tot nader technisch onderzoek worden bezien in het licht van deze alternatieve scenario’s en deze verzoeken moeten daarom worden afgewezen.

Het hof overweegt ten aanzien van deze verzoeken als volgt.

Het is niet voor het eerst in dit proces dat de raadsman verzoekt om het horen van een (groot) aantal getuigen en deskundigen en om het doen verrichten van een aantal onderzoekshandelingen. In de appelschriftuur en bij de regiezitting van 5 februari 2010 is een groot aantal verzoeken gedaan. Bij tussenarrest van 4 maart 2010 heeft het hof over de diverse verzoeken een beslissing genomen. Bij tussenarrest van 10 december 2010 heeft het hof wederom beslist over een groot aantal verzoeken van de raadsman. In dit laatste tussenarrest heeft het hof, teneinde op de verzoeken te kunnen beslissen, een toetsingskader opgenomen waaraan de verzoeken zijn getoetst. Mede naar aanleiding van enkele beslissingen in dit laatste tussenarrest heeft de raadsman het hof gewraakt. De wrakingskamer heeft in zijn beslissing van 19 januari 2011 dit beslissingskader juist bevonden en het wrakingsverzoek afgewezen.

In het tussenarrest van 10 december 2010 heeft het hof het volgende overwogen:

“2. Beslissingskader van de beoordeling van verzoeken

Namens verdachte zijn op de terechtzittingen van 25 november 2010 en 26 november 2010 veel verzoeken gedaan, onder meer tot de toevoeging van stukken aan het dossier. Alle beslissingen van het hof op de verzoeken moeten worden bezien in het kader van de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering vermelde vragen.

Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg strekt ertoe een antwoord te vinden op de in die artikelen vermelde vragen. In hoger beroep geldt hetzelfde ingevolge artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering. Dit onderzoek ter terechtzitting vindt plaats “op de grondslag der telastlegging”. De tenlastelegging maakt deel uit van de dagvaarding die gericht is aan de verdachte. Daarom gaat het tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet om de vraag wie het tenlastegelegde feit heeft begaan, maar om de beantwoording van de vraag of kan worden bewezen dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan. De vraag wie als verdachte van het strafbare feit kan worden aangemerkt, behoort te worden onderzocht in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman heeft veel van zijn verzoeken gemotiveerd met het argument dat de voeging van de verzochte stukken nodig is in verband met “een onderzoek naar eventuele, alternatieve, ontlastende scenario’s”. Hiermee wordt, gelet op het door de verdediging aangevoerde, gedoeld op een voorstelling van zaken waarin een ander als verdachte van de tenlastegelegde feiten wordt aangemerkt en op de uitsluiting als mogelijke daders van anderen dan verdachte. Naar het oordeel van het hof horen deze verzoeken echter thuis in het voorbereidend onderzoek en niet in het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het vorenstaande lijdt, gezien het hiervoor vermelde beslissingskader, slechts uitzondering indien er sterke aanwijzingen zijn dat een ander als verdachte van het strafbare feit kan worden aangemerkt. In dat geval kan de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting dit natuurlijk niet negeren en zal hij onderzoek ten aanzien van die ander in verband met het strafbare feit gelasten.

Bovendien heeft de advocaat-generaal op verschillende momenten aangegeven dat hij alle stukken aan het dossier heeft toegevoegd waarvan het hof tot dusverre de toevoeging heeft gelast en dat de stukken waarvan de raadsman alsnog de toevoeging aan het dossier verzoekt, er niet zijn. Niet aannemelijk is geworden dat de advocaat-generaal stukken achterhoudt. Integendeel, er zijn in appel na verschillende zoekacties meerdere stukken door de advocaat-generaal overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Behalve de mededeling van de advocaat-generaal zijn er ook overigens geen aanwijzingen dat de stukken er wel zijn, hetgeen ook door de raadsman niet wordt betwist.

Voorts is het van belang dat het onderzoek naar de dood van Christel Ambrosius reeds in 1994 is gestart. Het dossier is in de loop der tijd door vele instanties bekeken. Gezien deze omstandigheden wekt het geen verbazing dat - in het bijzonder voor wat betreft het “oude dossier” - stukken niet altijd goed zijn geordend en wellicht enkele (delen) van stukken ontbreken.”

Het hof zal de volgende verzoeken beoordelen met inachtneming van het hierboven weergegeven toetsingskader.

De raadsman heeft aangegeven (en dat blijkt ook uit het pleidooi van de raadsman in eerste aanleg) dat de alternatieve scenario’s die hij thans heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn verzoeken tot het horen van getuigen, ook bij pleidooi zullen worden gebruikt ter onderbouwing van het verweer dat verdachte de tenlastegelegde feiten niet heeft gepleegd en ook van het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof heeft eerdere verzoeken over de eventuele, alternatieve ontlastende scenario’s afgewezen, ook omdat de verzoeken onvoldoende waren onderbouwd. De raadsman heeft in zijn diverse verzoeken met toelichting zijn zienswijze meer onderbouwing gegeven.

Het hof kan in dit stadium van het geding op deze getuigenverzoeken echter niet beslissen zonder daarmee tevens een waarde-oordeel te geven over de aangevoerde ontlastende alternatieve scenario’s. Daarmee zou het hof zich echter ook al uitlaten over de vragen genoemd in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, die eerst bij eindarrest, na requisitoir en pleidooi, dienen te worden beantwoord. Dit klemt te meer daar de raadsman van verdachte tweemaal het hof heeft gewraakt omdat zijns inziens het hof vooringenomen was en bij de afwijzing van een aantal verzoeken (die ook betrekking hadden op de alternatieve scenario’s) op onaanvaardbare wijze vooruit was gelopen op een verweer dat de verdediging eerst bij pleidooi had willen voeren, te weten dat er wel degelijk “sterke aanwijzingen zijn dat een ander als verdachte van het strafbare feit kan worden aangemerkt”. Overigens zijn deze wrakingsverzoeken afgewezen.

Met de advocaat-generaal is het hof eens dat deze alternatieve scenario’s thuishoren in het pleidooi. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat op dit moment geen beslissing kan worden genomen op deze verzoeken van de raadsman. Deze beslissing zal – als de raadsman deze verzoeken handhaaft – worden gedaan bij eindarrest.

Horen van getuigen en toevoeging van stukken aan het dossier omtrent de samenstelling van het dossier

De raadsman heeft verzocht (verzoeken en toelichting 2) om een aantal getuigen te horen en een aantal stukken aan het dossier toe te voegen over (onder meer) het niet toevoegen van stukken aan het dossier en het kwijtraken van stukken. Het hof heeft dit verzoek aldus begrepen dat dit primair is gedaan ter onderbouwing voor een ontvankelijkheidsverweer dat de raadsman bij pleidooi wil voeren.

Het hof is van oordeel dat ook op dit verzoek niet kan worden beslist zonder vooruit te lopen op een verweer (te weten een ontvankelijkheidsverweer) dat de raadsman bij pleidooi wil voeren. Derhalve zal – op dezelfde grond als genoemd bij de beslissing op het verzoek tot het horen van de getuigen omtrent de alternatieve scenario’s – ook op dit verzoek bij eindarrest worden beslist.

Horen van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2]

De raadsman heeft verzocht om de eerder ter terechtzitting van 2 juni 2010 gehoorde deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] opnieuw te horen (verzoeken en toelichting 2, p. 13).

Het hof is van oordeel dat de raadsman dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De raadsman heeft geen enkele concrete vraag genoemd die hij nog aan deze deskundigen op grond van nieuwe of andere stukken (die niet bekend waren ten tijde van het verhoor van beide deskundigen op 2 juni 2010), zou willen stellen en waarvan de beantwoording van belang is voor enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing. Op grond daarvan wijst het hof het verzoek af. Verdachte wordt door het niet horen van deze deskundigen niet in zijn verdediging geschaad.

Horen van de deskundige [deskundige 3]

De raadsman heeft verzocht de eerder ter terechtzitting van 25 januari 2011 gehoorde deskundige [deskundige 3] te horen (verzoeken en toelichting 2, p. 15).

Het hof overweegt als volgt.

In het tussenarrest van 4 maart 2010 heeft het hof het verzoek van de raadsman tot het horen van deze deskundige afgewezen. Op de terechtzitting van 25 januari 2011 is de oproeping van deze deskundige door het hof ambtshalve bevolen, enkel om te verklaren omtrent het in een monsterzakje aangetroffen haardeel, waarover de deskundige in haar rapport van 17 november 2010 heeft gerapporteerd. De raadsman heeft op 25 januari 2011 geen afstand gedaan van deze deskundige. Het hof constateert dat de raadsman de deskundige niet wederom wil horen over het bovengenoemde aangetroffen haardeeltje.

De raadsman heeft thans gevraagd de deskundige te horen over schaamhaar 35 en SVO 205 (haar rechtermouw en plukje haar hand so). Naar het oordeel van het hof ziet het verzoek tot het horen van de deskundige over schaamhaar 35 op een alternatief scenario, zodat het hof daarop, zoals hiervoor overwogen over de alternatieve scenario’s, thans geen beslissing neemt. Voor zover het ziet op SVO 205 wordt het verzoek afgewezen, aangezien het hof bij tussenarrest van 21 juni 2011 een nader onderzoek naar dit spoor heeft gelast. Voor zover het verzoek nog ziet op het horen van de deskundige ziet het hof geen aanleiding om over het verzoek thans anders te beslissen dan is gedaan bij tussenarrest van 4 maart 2010 en wijst dit verzoek derhalve wederom af en verwijst daarvoor naar die eerdere beslissing.

Horen van de deskundigen [deskundige 4], [deskundige 5], [deskundige 6] en [deskundige 7]

De raadsman wil de statisticus [deskundige 4] en de eerder in eerste aanleg gehoorde deskundigen [deskundige 5], [deskundige 6] en [deskundige 7] horen over de nieuwe wijze van rapporteren, welke werkwijze onder meer wordt omschreven in het rapport “Bijkans begrepen”. Hij wil de deskundigen [deskundige 5], [deskundige 6] en [deskundige 7] – zakelijk weergegeven – vragen wat deze nieuwe werkwijze betekent voor de waarde van hun in de onderhavige zaak uitgebrachte rapportages.

Het hof overweegt hieromtrent dat de raadsman niet heeft gesteld dat de rapportages van deze deskundigen onjuist waren. In het bijzonder heeft hij niet aangegeven welke punten uit die rapportages wellicht anders zouden zijn onder de nieuwe werkwijze van rapporteren door het NFI. Het enkele gegeven dat de wijze van rapporteren is gewijzigd, betekent niet dat reeds daarom eerdere bevindingen opnieuw bezien dienen te worden. Derhalve acht het hof het niet noodzakelijk om deze deskundigen te horen en wijst het dit verzoek af.

Horen van de (overige) getuigen en deskundigen zoals eerder verzocht ter terechtzitting van 5 februari 2010

De raadsman heeft ter terechtzitting van 5 februari 2010 (de regiezitting) verzocht om een groot aantal getuigen en deskundigen te horen. Ter terechtzitting van 24 mei 2011 heeft de raadsman het verzoek tot het horen van deze getuigen en deskundigen – voor zover deze niet reeds zijn genoemd met betrekking tot één van de hierboven genoemde onderwerpen – herhaald (verzoeken en toelichting 2, p. 32).

Het hof heeft bij tussenarrest van 4 maart 2010 het verzoek tot het horen van deze getuigen en deskundigen afgewezen. De raadsman heeft in zijn onderhavige verzoek enkele nieuwe omstandigheden genoemd op grond waarvan deze getuigen en deskundigen volgens hem thans wel dienen te worden gehoord. Hij heeft daarbij onder andere geput uit aantekeningen uit stukken van het NFI (‘de NFI-mappen’), die eerst later in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Naar het oordeel van het hof leveren de in de motivering genoemde omstandigheden echter onvoldoende noodzaak op om de verzochte getuigen en deskundigen alsnog te horen. Derhalve heeft het hof geen aanleiding om omtrent dit verzoek thans anders te beslissen en wijst het derhalve wederom af en verwijst daarvoor naar die eerdere beslissing.

Het verzoek tot het horen van een aantal deskundigen is bij tussenarrest van 4 maart 2010 afgewezen vanwege het ontbreken van de noodzakelijkheid van dat horen. Op dezelfde in dat tussenarrest weergegeven gronden wordt de verdachte door het niet horen van deze deskundigen niet in zijn verdediging geschaad. Bovendien zijn geen punten naar voren gebracht waarover hij deze deskundigen had willen ondervragen en waarvan de beantwoording van belang is voor enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing en ook op grond daarvan het verzoek dient te worden afgewezen.

Nader onderzoek naar sporen en sporendragers

De raadsman heeft verzocht om een groot aantal sporen nader te laten onderzoeken en het NFI te vragen om nadere stukken te overleggen met betrekking tot deze sporen (verzoeken en toelichting 7).

Namens verdachte is – kort gezegd – gevraagd om de nog beschikbare sporen nader te onderzoeken met de nieuwste technieken en eventueel te vergelijken met DNA van diverse personen. Ook wordt verzocht na te gaan of bepaalde sporen delict-gerelateerd zijn en de raadsman wil dat bepaalde sporen worden “uitgetypeerd”.

Het hof zal de beslissing op dit verzoek aanhouden op dezelfde grond als genoemd bij de beslissing op het verzoek tot het horen van de getuigen omtrent de alternatieve scenario’s.

Het hof begrijpt het verzoek aldus dat dit hoofdzakelijk is gedaan om de alternatieve scenario’s te kunnen onderbouwen. Het hof kan derhalve ook op dit verzoek niet beslissen zonder een waarde-oordeel te geven over de aangevoerde ontlastende alternatieve scenario’s. Zoals eerder overwogen, zou het hof zich daarmee ook al uitlaten over de vragen die worden genoemd in de artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, welke vragen eerst bij eindarrest dienen te worden beantwoord.

Toevoegen van tapgesprekken

De raadsman heeft verzocht om de toevoeging van tapgesprekken aan het dossier (verzoeken en toelichting 6, p. 7).

Het hof acht dit verzoek onvoldoende onderbouwd en reeds daarom niet noodzakelijk. Bovendien heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 mei 2011 gesteld dat de tapbanden opnieuw zijn gebruikt en overgespoeld, waardoor (zo begrijpt het hof) deze tapgesprekken niet meer beschikbaar zijn.

Het hof wijst dit verzoek derhalve af.

Verslaglegging van de vorige terechtzitting

Bij brief van 31 maart 2011 heeft de raadsman een aantal passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 november 2010 en 18 november 2010 genoemd en verzocht deze te verbeteren of aan te vullen op de wijze zoals genoemd in die brief. Ter terechtzitting van 24 mei 2011 heeft de raadsman dit verzoek herhaald.

Naar aanleiding van deze brief heeft het hof – mede aan de hand van de bandopname – de genoemde passages gecontroleerd. De raadsman heeft verzocht om een passage op pagina 5, vijfde alinea van het proces-verbaal aan te vullen met de volgende zin: “in die tijd kwam ik wel vaker op beide politiebureaus”. Die aanvulling is correct en zal bij deze worden gedaan.

Voorts heeft de raadsman aangegeven dat een passage op pagina 8, vijfde alinea, van het proces-verbaal, niet correct is. Het betreft de volgende zin: “(…) Als ze er stond, dan was dat altijd tussen 18.00 en 19.00 uur”. Dit betreft inderdaad geen zakelijke weergave van verdachtes verklaring. De zin had moeten zijn: “(…) Als ze er stond, dan was dat altijd ongeveer tussen 18.00 en 19.00 uur”.

Ten aanzien van de overige betwiste passages is het hof van oordeel dat deze een zakelijke weergave betreffen van hetgeen ter terechtzitting is verklaard.

Verslaglegging van de terechtzitting van 24 mei 2011

De raadsman heeft met betrekking tot het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 mei 2011 verzocht om een goede middenweg te vinden tussen een zakelijke weergave en een woordelijke uitwerking.

Voor zover dit een verzoek betreft om een woordelijke verslaglegging van de terechtzitting te maken, wordt dit verzoek afgewezen. Het hof verwijst daarvoor naar de eerdere beslissingen van het hof, gedaan op de terechtzittingen van 2 juni 2010 en 11 november 2010.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het horen van de deskundigen [deskundige 1], [deskundige 2], [deskundige 3], [deskundige 4], [deskundige 5], [deskundige 6] en [deskundige 7].

Wijst af het verzoek tot toevoeging aan het dossier van tapgesprekken.

Vult het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 november 2010 en 18 november 2010 aan op de wijze als hiervoor omschreven.

Wijst af het verzoek tot woordelijke verslaglegging van de terechtzitting.

Houdt de beslissingen op de overige verzoeken van de raadsman aan.

Bepaalt dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 12 oktober 2011 te 10.00 uur. Inhoudelijk zal de behandeling van de zaak worden voortgezet ter terechtzittingen van 12 en 13 oktober, telkens tegen 10.00 uur.

Eerdere behandeling laat de rol van het hof niet toe, om welke klemmende reden het onderzoek in deze zaak langer dan één maand doch korter dan drie maanden na heden wordt geschorst.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen de hiervoor genoemde tijdstippen, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr M. Barels en mr R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 22 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.