Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR2192

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
24-002961-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte ter zake van verduistering van een grote hoeveelheid boodschappen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken onvoorwaardelijk. Tevens heeft het hof de gedeeltelijke ten uitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002961-10

Uitspraak d.d.: 19 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 december 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 07-910030-07, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken onvoorwaardelijk en de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de door politierechter te Zwolle-Lelystad voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsvrouw, mr. D.G. Nagel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 28 juli 2010 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie verpakkingen kipschnitzel en/of een hoeveelheid levensmiddelen en/of een hoeveelheid (fris)drank en/of een hoeveelheid drogisterij artikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [bedrijf] (filiaal [straat]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 28 juli 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk drie verpakkingen kipschnitzel en/of een hoeveelheid levensmiddelen en/of een hoeveelheid (fris)drank en/of een hoeveelheid drogisterij artikelen, in geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [bedrijf] (filiaal [straat]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende(n) had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd(e) goed(eren) te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat/die goed(eren) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, nu verdachte geen oogmerk had zich de goederen wederrechtelijk toe te eigenen. Verdachte is, aldus de raadsvrouw, vergeten een deel van de boodschappen op de band te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken blijkt dat verdachte op 28 juli 2010 bij de [bedrijf] boodschappen deed. Verdachte had een deel van haar boodschappen op de band gelegd en terwijl de caissière deze boodschappen op de kassa aansloeg begon verdachte de boodschappen - die door de caissière waren aangeslagen - in haar tas te stoppen. Hierna rekende verdachte deze boodschappen af en liep daarna met de boodschappenkar die nog deels gevuld was met een grote hoeveelheid niet afgerekende boodschappen langs de kassa.

Gezien de grote hoeveelheid boodschappen die verdachte nog in haar boodschappenkar had liggen - te weten een hoeveelheid boodschappen ter waarde van ruim € 120,00 - acht het hof niet geloofwaardig dat verdachte vergeten is deze boodschappen op de band te leggen. Ook de verklaring van verdachte dat ze van verschillende goederen meerdere exemplaren had en ze slechts steeds één exemplaar op de band heeft gelegd teneinde het voor de caissière makkelijker te maken acht het hof niet geloofwaardig.

Immers, in dat geval zou het voor de hand hebben gelegen dat verdachte bij de caissière was blijven staan en per artikel had aangegeven hoeveel ze daarvan nog in haar boodschappenkar had liggen, hetgeen niet is gebeurd.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de stukken onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte van begin af aan - dus op het moment dat ze de artikelen in haar boodschappenkar deed - het oogmerk heeft gehad op de diefstal van deze boodschappen. Verdachte zal om die reden worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Het hof is echter van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft - nadat ze de goederen rechtmatig onder zich had - zich deze goederen wederrechtelijk toegeëigend door deze goederen niet bij de caissière ter betaling aan te bieden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

zij op 28 juli 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk drie verpakkingen kipschnitzel en een hoeveelheid levensmiddelen en een hoeveelheid (fris)drank en een drogisterij artikel, toebehorende aan het winkelbedrijf [bedrijf] (filiaal [straat]), en welke goederen verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemde goederen te betalen, en aldus die goederen anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 28 juli 2010 te [plaats] schuldig gemaakt aan verduistering van een grote hoeveelheid goederen bij de [bedrijf]. Verdachte heeft door aldus te handelen

inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van voornoemd winkelbedrijf en heeft overlast en ergernis veroorzaakt voor de betreffende winkelier.

Ten nadele van verdachte spreekt dat zij blijkens een haar betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 13 mei 2011 in het verleden meermalen ter zake van soortgelijke vermogensdelicten is veroordeeld. De straffen die haar in dat kader zijn opgelegd, hebben haar er kennelijk niet van weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te begaan.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsvrouw heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat verdachte momenteel zwanger is en dat ze als alleenstaande moeder tevens de zorg heeft voor haar zoontje. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou grote gevolgen hebben voor haar zoontje en ook zal verdachte hierdoor waarschijnlijk haar woonruimte verliezen.

In het verlengde hiervan heeft de raadsvrouw de oplegging van een werkstraf aan de verdachte bepleit.

Het bewezen verklaarde delict, in combinatie met de mate van recidive en het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van het onderhavige delict nog in een proeftijd liep, maken echter dat hier naar het oordeel van het hof niet (meer) kan worden volstaan met de oplegging van een werkstraf, nu die straf onvoldoende recht zou doen aan deze strafzaak.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feit van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf - zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd - passend en noodzakelijk is. Hoewel het hof het mindere bewezen heeft verklaard is het hof van oordeel dat de gevorderde straf, gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, passend en geboden is.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Zwolle-Lelystad van 13 mei 2009, parketnummer 07-910030-07, opgelegde voorwaardelijke 2 weken gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof ziet aanleiding om dat slechts voor een gedeelte van die straf te doen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 13 mei 2009, parketnummer 07-910030-07, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Aldus gewezen door

mr. H. Heins, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. J.H. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 19 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Bosch en mr. Hielkema, beiden voornoemd, zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.