Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR2166

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
200.007.192
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX0357, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX0357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen verzekeraar en autoleasebedrijf over de omvang van de door de verzekeraar te betalen schade. Abstracte of concrete schadeberekening? Dienen door het autoleasebedrijf bij het herstel bedongen kortingen in mindering te worden gebracht op de door de verzekeraar te betalen schadevergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof Arnhem 200.007.192

(zaaknummer rechtbank 153258)

arrest van de derde civiele kamer van 7 juni 2011

inzake

de naamloze vennootschap

REAAL Schadeverzekeringen N.V,

gevestigd te Zoetermeer,

appellante,

advocaat: mr. S.W. Polak,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Athlon Car Lease Nederland B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe .

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 13 juni 2007 en 19 december 2007 die de rechtbank Arnhem tussen appellante (hierna ook te noemen: REAAL) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Athlon) als gedaagde heeft gewezen; van het laatstgenoemde vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 maart 2008,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities, alsmede de door REAAL bij die gelegenheid in het geding gebrachte, op voorhand toegezonden, productie.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 19 december 2007 onder 2.1 tot en met 2.9 feiten vastgesteld. REAAL heeft in haar memorie van grieven bezwaren geuit tegen de feitenvaststelling onder 2.4 en 2.6. Het hof zal hierna onder 4.1, met inachtneming van deze bezwaren, de feiten opnieuw vaststellen. Voor het overige zijn tegen de feitenvaststelling van de rechtbank geen grieven gericht of bezwaren geuit, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in de onderhavige zaak, samengevat, om het volgende. REAAL is als WAM-verzekeraar aansprakelijk voor de schade bij een aanrijding die zich op 1 mei 2004 heeft voorgedaan. Bij die aanrijding is een aan (de rechtsvoorganger van) Athlon toebehorende leaseauto van het merk Mazda beschadigd geraakt. Athlon heeft bij brief van 21 juni 2004 bij REAAL schadevergoeding gevorderd, die bestaat in zaakschade aan het voertuig

(€ 2.487,81), bedrijfsschade (€ 103,21) alsmede expertisekosten en buitengerechtelijke kosten. Bij de brief is een expertiserapport gevoegd van Interpolis Technische Expertisedienst, waarin de herstelkosten aan de leaseauto zijn gespecificeerd. De schadeberekening in het expertiserapport is gemaakt met behulp van het zogenoemde Audatex-systeem. In dit systeem worden op het desbetreffende type auto afgestemde standaardprijzen voor de te vervangen onderdelen en standaard tijdsduur voor de te verrichten werkzaamheden gehanteerd. In het onderhavige expertiserapport zijn uurtarieven van € 66,- exclusief BTW voor arbeidsloon en € 69,80 exclusief BTW voor spuitwerk gehanteerd. Deze uurtarieven zijn voor de schadeberekening aangeleverd door het autoherstelbedrijf CARe, dat de herstelwerkzaamheden aan de Mazda heeft uitgevoerd.

4.2 Bij creditfactuur van 17 juni 2004 heeft CARe aan Athlon een korting verleend van 15% (€ 373,18 exclusief BTW) op de in het expertiserapport genoemde uurtarieven. Deze creditfactuur is opgesteld in verband met een tussen CARe en Athlon gesloten overeenkomst, op grond waarvan Athlon jaarlijks een minimum aantal opdrachten zal verlenen aan CARe waartegenover CARe aan Athlon de genoemde korting op haar uurtarief verstrekt.

4.3 REAAL heeft zich op het standpunt gesteld dat zij slechts gehouden is om een bedrag aan schadevergoeding te voldoen dat overeenkomt met het daadwerkelijk aan Athlon in rekening gebrachte tarief, derhalve het door Athlon van REAAL gevorderde schadebedrag verminderd met het bedrag van de creditfactuur (€ 2.487,81 - € 373,18 =) € 2.114,63.

REAAL heeft vervolgens de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem en daarbij gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zij aan Athlon slechts dit laatstgenoemde bedrag verschuldigd is. Daarnaast heeft REAAL gevorderd dat Athlon wordt verboden om in de toekomst een hogere schadevergoeding te vorderen dan het bedrag dat zij – na verrekening van de korting – aan het herstelbedrijf verschuldigd is, op straffe van een dwangsom. Athlon heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4 De rechtbank heeft bij eindvonnis van 19 december 2007 de vorderingen van REAAL afgewezen. Tegen dit vonnis heeft REAAL één ‘algemene grief’ gericht, die bestaat uit verschillende (ongenummerde) deelgrieven.

4.5 De grief stelt allereerst aan de orde of bij de schadevaststelling in een geval als het onderhavige geval moet worden uitgegaan van de daadwerkelijk aan de eigenaar van de auto in rekening gebrachte uurtarieven of dat daarvan mag worden geabstraheerd, in die zin dat een algemeen (geobjectiveerd) uurtarief mag worden gehanteerd.

4.6 Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Ingevolge artikel 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien dit met de aard van de schade in overeenstemming is, heeft de rechter bij de toepassing van dit artikel de vrijheid de schade abstract te berekenen (MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 339). Voor gevallen van zaakbeschadiging heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering van de zaak. Indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, zal het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – met het herstel gemoeide kosten (HR 7 mei 2004, LJN AO2786; HR 12 april 1985, LJN AG4995; HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444). Dat zaakschade, in het bijzonder bij grote aantallen schadegevallen, ‘abstract’ mag worden vastgesteld, in die zin dat geen rekening wordt gehouden met de benadeelde rakende bijzondere omstandigheden, houdt mede verband met de hanteerbaarheid van de methode van schadebegroting (vgl. HR 28 april 2000, LJN AA5651).

4.7 Het in de autoschadepraktijk toegepaste Audatex-systeem houdt, naar onweersproken is gesteld en door partijen ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep nog nader is toegelicht, in dat een expertiserapport wordt opgesteld aan de hand van het Audatex-systeem, dat voor het desbetreffende type auto standaardprijzen voor onderdelen en een standaardduur van de verschillende handelingen genereert. Tevens wordt door de expert die het schadecalculatierapport opstelt een uurtarief voor de herstelwerkzaamheden ingevoerd, dat evenwel niet van Audatex afkomstig is. Daarnaast bestaan voor ieder type auto vaste tarieven voor waardevermindering bij autoschades, welke schadepost in het onderhavige geval evenwel geen rol speelt. Het in een concreet geval opgestelde Audatex-schadecalculatierapport wordt, zoals ook in dit geval is geschied, gecontroleerd door een onafhankelijke NIVRE-taxateur.

4.8 Voor zover REAAL mocht betogen dat zaakschade, zoals autoschade, niet abstract mag worden berekend, vindt dat betoog geen steun in het recht, waarbij het hof verwijst naar de onder 4.6 weergegeven rechtsregels. Juist bij veel voorkomende schades als de onderhavige is voor een doelmatige schadeafwikkeling een abstracte schadeberekening wenselijk.

4.9 REAAL betoogt evenwel (ook) dat binnen een abstracte schadevaststelling, zoals die plaatsvindt op grond van het Audatex-systeem, in ieder geval voor het (arbeids)urentarief van de schadehersteller niet zou mogen worden geabstraheerd en dat een eventueel door de zaakseigenaar bedongen korting op het urentarief zou moeten worden meegenomen in de schadeberekening, met als gevolg dat alleen het daadwerkelijke (‘netto’)tarief aan de (verzekeraar van de) aansprakelijke partij in rekening wordt gebracht.

4.10 Het hof volgt REAAL niet in dit betoog.

Uitgangspunt voor een abstracte schadeberekening is dat de herstelkosten onafhankelijk van het daadwerkelijk verrichte herstel, naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Dit betekent dat van geobjectiveerde standaardtarieven mag worden uitgegaan voor de verschillende in de schadeberekening opgenomen variabelen (prijs voor onderdelen, duur van werkzaamheden en uurtarief). Deze methode van schadeberekening vindt, zoals onder 4.6 is overwogen, haar grondslag in de omstandigheid dat de schade ontstaat op het moment van de beschadiging en maakt een doelmatige, hanteerbare schadevaststelling mogelijk, waaraan met name bij veel voorkomende schade (zoals zaakschade aan auto’s) behoefte kan bestaan. Bij deze methode van schadevaststelling past niet dat – zoals door REAAL wordt bepleit – voor één van de in de berekening verwerkte variabelen – het uurtarief – wordt uitgegaan van de daadwerkelijke herstelkosten. Het loslaten van een abstracte benadering voor deze kostenpost past allereerst niet bij het uitgangspunt dat de schade naar objectieve maatstaven wordt vastgesteld op het moment waarop de schade ontstaat, terwijl de door REAAL voor het uurtarief van de hersteller voorgestane benadering voorts afdoet aan de onder 4.8 besproken hanteerbaarheid van de methode van schadeberekening in zaken als de onderhavige. Dat een doelmatige schadeafwikkeling ermee gediend is dat voor de schadevaststelling wordt geabstraheerd van het concrete aan de eigenaar in rekening gebrachte uurtarief, blijkt reeds uit de door Athlon gestelde en onvoldoende gemotiveerd weersproken stelling dat de door haar bedongen kortingen deel (kunnen) uitmaken van een groter geheel van rechten en verplichtingen waardoor het niet redelijk is dat een bedongen korting (volledig) van het in de schadeberekening gehanteerde tarief wordt afgetrokken. Daarmee kan niet zonder meer van het kortingstarief worden uitgegaan bij de schadeberekening, hetgeen, zoals eerder gezegd, afdoet aan de hanteerbaarheid van de schadeberekening.

Dat Athlon, naar zij onvoldoende gemotiveerd betwist heeft gesteld, op grond van haar marktpositie en bedrijfsvoering in de gelegenheid is om kortingen te bedingen voor herstelwerkzaamheden, vloeit bovendien voort uit een met haar individuele situatie samenhangende omstandigheid waarmee – bij een abstracte schadevaststelling – in beginsel nu juist geen rekening wordt gehouden.

4.12 Er bestaat dan ook onvoldoende grond om bij de berekening van de herstelkosten bij zaakschade als de onderhavige, voor de urentarieven af te wijken van het uitgangspunt dat zaakschade als de onderhavige in een geval als dit abstract moet worden vastgesteld. Voor zover REAAL in haar grief een andersluidend standpunt verdedigt, faalt deze derhalve.

4.13 REAAL stelt voorts dat bij de berekening naar objectieve maatstaven van de met het herstel gemoeide kosten, onderscheid moet worden gemaakt naar gelang de eigenaar van de beschadigde zaak op grond van zijn marktpositie het herstel voor een lagere prijs kan laten uitvoeren dan andere eigenaren. De omstandigheid dat een dergelijke eigenaar toegang heeft tot een andere markt met andere marktprijzen, zou naar objectieve maatstaven tot een aangepast (lager) urentarief moeten leiden, aldus REAAL. In dit verband heeft zij gesteld – en te bewijzen aangeboden – dat het voor concurrenten in de desbetreffende verzekeringsbranche gebruikelijk is om kortingen te bedingen.

4.14 Ook in zoverre faalt de grief. REAAL heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat een objectief tarief kan worden vastgesteld voor marktpartijen die op grond van hun marktpositie in staat zijn om herstel tegen een lager uurtarief te doen plaatsvinden. Zoals door Athlon ten pleidooie is aangevoerd en ook van de zijde van REAAL is erkend (pleitnota 3.15), komen dergelijke kortingsafspraken in de praktijk immers steeds voort uit individueel tussen de desbetreffende partijen gemaakte afspraken, waarbij een eventueel bedongen korting nog kan samenhangen met een groter geheel van rechten en verplichtingen, die eraan in de weg kunnen staan de objectieve herstelkosten gelijk te stellen aan het gekorte tarief. Verder heeft Athlon ten pleidooie - onweersproken - erop gewezen dat de hoogte van uurtarieven van de diverse autoschadeherstelbedrijven ook van andere (zoals geografische) omstandigheden kan afhangen.

Feiten of omstandigheden op grond waarvan desondanks zou kunnen worden geoordeeld dat een objectief uurtarief voor alle marktpartijen zoals Athlon kan worden vastgesteld, zijn gesteld noch gebleken. De marktpositie en bedrijfsvoering die een zaakseigenaar zoals Athlon in staat stellen om een korting voor herstelwerkzaamheden te bedingen, zijn bovendien met de individuele situatie van de gelaedeerde samenhangende omstandigheden die in beginsel geen rol spelen bij een abstracte schadevaststelling.

4.15 Voorts stelt REAAL dat Athlon als gevolg van de bedongen korting telkens een voordeel geniet, dat op grond van voordeelstoerekening in mindering zou moeten strekken op de door REAAL te betalen schadevergoeding.

Het beroep van REAAL op voordeelstoerekening stuit erop af dat kortingen die Athlon met het schadeherstelbedrijf bedingt, naar het oordeel van het hof niet voortvloeien uit het concrete schadevoorval, maar uit de omstandigheid dat zij op grond van haar eigen marktpositie en bedrijfsvoering in staat is om dergelijke voordelen te bedingen. Aan het vereiste voor voordeelstoerekening dat het voordeel voortvloeit uit ‘een zelfde gebeurtenis’ (art. 6:100 BW) is dan ook niet voldaan.

Verder ziet dit betoog van REAAL eraan voorbij dat het hiervoor beschreven systeem van abstracte schadeberekening bij zaakschade, de schade naar objectieve maatstaven wordt berekend naar het moment waarop zij is ontstaan, zodat eventuele afwijkingen tussen objectieve en werkelijke herstelkosten bij de schadevaststelling nu juist geen rol spelen.

Dit laatste geldt eveneens voor zover REAAL stelt dat Athlon op grond van haar schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn om kortingen te bedingen, die vervolgens in mindering strekken op de hoogte van de schadevergoeding. Daargelaten of een dergelijke verplichting voor Athlon bestaat, miskent REAAL met dit betoog dat bij een abstracte schadevaststelling de vragen in hoeverre in een concreet geval een dergelijke schadebeperkingsverplichting reikt en of daaraan in een concreet geval is voldaan nu juist niet aan de orde komen.

Een en ander betekent dat het beroep op art. 6:100 BW niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. Dat wordt niet anders indien bij de beoordeling de uit art. 6:101 en 6:2 BW voortvloeiende regels in aanmerking worden genomen.

4.16 Ten slotte heeft REAAL (zie memorie van grieven onder 3.15, 3.19 sub b en 8.1 en pleitnota in hoger beroep onder 2.10, 2.13 en 8) aangevoerd dat CARe en Athlon bij de schadeberekening steeds (onderling afgestemd) een hoger tarief dan het gebruikelijke urentarief – ook hoger dan wat CARe gebruikelijk aan particulieren in rekening brengt – hanteren. Athlon heeft dit betwist.

4.17 Gelet op het voorgaande is voor de beoordeling van deze grief alleen van belang of het urentarief dat in het onderhavige geval in de Audatex-schadeberekening is ingevoerd, overeenkomt met de kosten die naar objectieve maatstaven met het herstel van de Mazda zou zijn gemoeid.

Naar het oordeel van het hof heeft REAAL onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat daarvan geen sprake is. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat uit de ter gelegenheid van het pleidooi door partijen gegeven toelichting op de Audatex-schadeberekening ook ten aanzien van de objectieve urentarieven blijkt en is erkend dat sprake is van een zekere marge, terwijl het in de onderhavige zaak gehanteerde urentarief door een onafhankelijk NIVRE-deskundige (Den Hartog) is gecontroleerd en goedgekeurd. De objectiviteit van deze deskundige is ook niet in twijfel getrokken. Verder heeft REAAL niet, bijvoorbeeld onder overlegging van een taxatie van een andere deskundige, onderbouwd dat het in de schadeberekening gehanteerde uurtarief buiten de marge ligt van een voor dit herstel naar objectieve maatstaven berekend uurtarief. De door Athlon voorafgaand aan het pleidooi overgelegde productie 3 – een schadevaststellingsrapport waarin CARE voor het herstel van auto van een individuele (privé) klant een uurtarief in rekening heeft gebracht dat lager is dan het in het expertiserapport vermelde uurtarief – is hiertoe niet voldoende. Dat het in het expertiserapport gehanteerde uurtarief niet een objectief, reëel uurtarief voor de onderhavige herstelwerkzaamheden is, is kortom niet gebleken.

4.18 De grief faalt derhalve geheel. REAAL heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het door REAAL gedane bewijsaanbod is daarom niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

5. Slotsom

De grief faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal REAAL in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 december 2007;

- veroordeelt REAAL in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Athlon begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op

€ 303,- voor griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, V. van den Brink en R.P.J.L. Tjittes en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2011.