Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR1715

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
200.083.260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechter is gebonden aan de zorg volgens het indicatiebesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.083.260

(zaaknummer rechtbank 206704 / JE RK 10-16964)

beschikking van de familiekamer van 28 juni 2011

inzake

[verzoekster],

wonende op een geheim adres [...],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. M.F. van Willigen te Arnhem,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de stichting”.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende sub 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de vader”,

en

de heer en mevrouw [belanghebbende sub 2 en 3],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen "de pleegouders".

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 30 november 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 februari 2011, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en te bepalen dat ten aanzien van na te noemen [kind 2] de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd wordt in een verblijfsaccomodatie zorgaanbieder 24-uurs.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 maart 2011, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De stichting verzoekt het hof bij beschikking primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek en subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 5 april 2011 een brief van de stichting van 4 april 2011 met bijlage;

- op 10 mei 2011 een faxbericht van mr. Van Willigen van die datum met bijlage.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 20 mei 2011 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de stichting zijn mr. I.J.M. Schepens, advocaat, [...], teamleider, en [...] verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen “de raad”, is niemand verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 De moeder heeft een relatie gehad met [A.]. Uit deze relatie zijn geboren:

- [kind 1] (verder te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 1999 en

- [kind 2], op [geboortedatum] 2002.

[A.] heeft [kind 1] erkend. De vader, die vader is van de biologische vader van de kinderen, heeft [kind 2] erkend. Na de geboorte van [kind 2] zijn de moeder en de vader gehuwd, welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden. De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [kind 2] belast.

3.2 [kind 1] en [kind 2] staan sinds 7 december 2005 onder toezicht van de stichting. Met ingang van 21 september 2006 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2]. [kind 2] is met ingang van 21 september 2006 geplaatst in een crisispleeggezin. Op 4 januari 2007 is [kind 2] overgeplaatst naar perspectief biedend pleeggezin van de heer en mevrouw [belanghebbende sub 2 en 3], de pleegouders, waar zij tot op heden verblijft. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs en van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg zijn telkens op verzoek van de stichting verlengd, laatstelijk bij beschikking van 15 december 2009 met ingang van 21 december 2009 tot uiterlijk 21 december 2010. De machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 2] is door de stichting ten uitvoer gelegd met ingang van 21 december 2009.

3.3 De stichting heeft op 10 augustus 2010 ten aanzien van [kind 2] een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”).

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 13 oktober 2010, heeft de stichting verzocht de ondertoezichtstelling van [kind 2] voor de duur van een jaar te verlengen en ter effectuering van het onder 3.3. genoemde indicatiebesluit de machtiging te verlengen om [kind 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in verblijf pleegouders 24-uurs, perspectiefbiedend, voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.5 Bij verweerschrift, tevens houdende tegenverzoek, ingekomen bij de rechtbank op 24 november 2010, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de stichting ten aanzien van [kind 2] af te wijzen. Zij heeft voorts verzocht te bepalen dat [kind 2] in een instelling voor pleegzorg wordt geplaatst, bij voorkeur in de Glind, alwaar [kind 1] ook verblijft. Subsidiair heeft zij verzocht om de uithuisplaatsing van [kind 2] met drie maanden te verlengen, met de opdracht aan de stichting om in die periode te zorgen voor een deugdelijke en volledige rapportage, met inachtneming van hetgeen namens de moeder hierover is aangevoerd.

3.6 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter, voor zover in hoger beroep van belang, de termijn waarvoor [kind 2] onder toezicht is gesteld van de stichting verlengd, tot 21 december 2011, en de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs in een voorziening voor pleegzorg verlengd, overeenkomstig het indicatiebesluit van 10 augustus 2010, tot uiterlijk 21 december 2011.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2 De moeder voert geen verweer tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, zodat de verlening van deze machtiging in hoger beroep geen onderwerp van geschil is, maar zij kan zich niet verenigen met de plaatsing van [kind 2] in het huidige pleeggezin conform het indicatiebesluit. Zij verzoekt tot plaatsing van [kind 2] in een verblijfsaccommodatie zorgaanbieder 24-uurs. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:261 lid 2 BW juncto artikel 5 lid 2 WJZ is de rechter gehouden aan de door de stichting in haar indicatiebesluit geïndiceerde zorg, in casu een verblijf pleegouders 24-uurs, perspectiefbiedend. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 82) staat: ‘het indicatiebesluit vormt dan ook de grondslag waarop de kinderrechter een beslissing neemt. Hierbij past ook dat de kinderrechter, indien hij zich niet met het indicatiebesluit kan verenigen, dit uitsluitend kan vernietigen.’ Op grond hiervan kan het verzoek tot plaatsing van [kind 2] in een verblijfsaccommodatie zorgaanbieder 24-uurs of, zoals de moeder ter zitting heeft toegelicht en blijkt uit het lichaam van het verzoek, een verzoek om te beslissen dat [kind 2] niet geplaatst dient te worden in het huidige pleeggezin, niet voor toewijzing vatbaar zijn, nu dit niet past binnen de ruimte die het indicatiebesluit biedt, zodat het hoger beroep van de moeder moet worden verworpen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Loo, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 28 juni 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.